Doop en besnijdenis (4)

1981-05-01
  • Jaargang 25
  • nummer 17
Gods Naam spreekt van Zijn liefde en trouw. Als Hij van Israël een volk maakt, dat Zijn Naam mag kennen, betekent dat, dat Hij het opneemt in Zijn liefde. Als de HERE in Ex. 3 en 6 spreekt over Zijn Naam, spreekt Hij over Zijn trouw: Hij zal de belofte, aan Abraham gegeven, gestand doen. Hij gedenkt Zijn verbond!
De Naam van de HERE en Zijn verbond horen bij elkaar.
Dat komt terug in de doop: wie gedoopt wordt, wordt met de Naam van Vader, Zoon en Heilige Geest in verbinding gebracht.
Nu is die verbinding alleen mogelijk, als de scheiding tussen God en mensen wordt opgeheven, d.w.z. als de ongerechtigheid wordt· verzoend en de schuld wordt weggenomen.
Hoe dat tot uitdrukking kwam in de besnijdenis, lazen we in het eerste artikel in een citaat uit het werk van prof. B. Holwerda. In de doop wordt die verzoening en reiniging tot uitdrukking gebracht door het water.
De HERE ging in het oude verbond deze verbintenis aan met het hele volk! Geheel Israël was er in opgenomen. Er was niet één Israëliet die er niet bij hoorde. Zelfs wie t.a.v. de besnijdenis nalatig was, hoorde er bij: daarom moest hij uit zijn volksgenoten worden uitgeroeid. Niet, omdat hij niet bij het verbond wilde horen, niet als buitenstaander dat verbond wilde binnentreden, maar omdat hij het verbond, waarin hij geboren was, verbrak (Gen. 17 : 14). Elke Israëliet hoorde, krachtens Gods beschikking, die Hij aan Abraham bekend gemaakt had, bij dat verbond.
Wilde een Israëliet ook de zegeningen van het verbond ontvangen, dan moest hij geloven (zie b.v. Rom. 4: 12)- maar dat geloof was niet de weg waarlangs hij het verbond binnenkwam. Hij was er in geboren. Van het begin van zijn leven af was de Naam van de HERE aan hem verbonden.
De nieuwe bedeling betekent, dat het verbond met Abraham niet meer beperkt is tot de nakomelingen van Abraham in letterlijke zin. De zegen van Abraham (naar Gen. 12 : 3) is tot de heidenen gekomen (Gal. 3 : 14).Mensen, die eertijds veraf waren, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte,zonder hoop en zonder God in de wereld, zijn nu dichtbij gekomen door het bloed van Christus (Ef. 2 : 12, 13). Ze zijn niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods (vs. 20). Echt huisgenoten en medeburgers - de HERE behandelt hen op dezelfde manier als Zijn huisgenoten van vroeger. Hij gaat geen nieuwe, andere wegen. Wij zijn ingelijfd in het volk van God (Rom. 11 : 15-24).Net als erfgenamen der belofte. Aan het begin van de nieuwe tijd, op de pinksterdag, heeft Petrus dat gezegd met de bekende woorden uit Hand. 2 : 39: want voor U is de belofte, en voor Uw kinderen, en voor allen die verre zijn (vergelijk voor deze uitdrukking Ef. 2!), zovelen als de HERE onze God, er toe roepen zal.
Deze waarden maken deel uit van Petrus' antwoord op de vraag van diegenen onder zijn gehoor, die door zijn prediking zijn gekomen tot het besef van hun zonde in de verwerping van Jezus als de Christus.
De vraag: wat moeten wij doen? In die vraag zit iets van: nu we Jezus hebben verworpen, die God tot Here en tot Christus heeft gemaakt, is onze relatie tot God geschonden, zo niet gebroken. Wat nu? Is er nu nog wel een mogelijkheid om behouden te worden?
Petrus mag hen dan wijzen op de belofte van de HERE.
Het is niet te laat om die belofte te aanvaarden. In de naam van dezelfde Christus, die zij gekruisigd hebben, mogen zij komen tot God. Het kruis van Christus is ook voor hen de weg. Op zijn naam mogen zij zich laten dopen, omdat er voor hen en voor hun kinderen een belofte is. Wat de HERE had beloofd, is in Jezus Christus gekomen. Zij mogen aan Hem verbonden worden. Zij - en hun kinderen.
In Christus Jezus is voor hen de toekomst in Gods verbond open.
Die toekomst is er ook voor hun kinderen. De HERE richt Zijn verbond niet op met afzonderlijke, op zichzelf staande, gelovige, mensen. Hij spreekt tot mensen, die een nageslacht in zich meedragen (zo spreekt Hij tot Abraham in Gen. 17).Die werkwijze van de HERE verandert niet!
Want de belofte die voor de Israëlieten en hun kinderen gold, gaat ook gelden voor hen die verre zijn, zegt Petrus (vergelijk weer Ef. 2).
Zij mogen delen in de gunst, die in de oude bedeling alleen aan Israël geschonken was. Ze worden in Israël ingelijfd.
Psalm 87 zong ervan, en Paulus werkt dat uit in het beeld van de olijfboom en de op die boom geënte takken (Rom. 11). De niet-Joden hebben de HERE laren kennen uit Zijn woord tot Israël. Hij is en blijft de God der vaderen, d.w.z. de God van het verbond. Zo werkt de HERE, zo geeft Hij ouders een verantwoordelijkheid mee voor het nageslacht, en geeft Hij beloften aan dat nageslacht. Hij doet dat voor degenen "die verre zijn" niet op een andere manier dan voor degenen, die er "van huis uit" bij horen. De "verren"
mogen delen in dezelfde voorrechten als de "nabijen" . Hij geeft hun, d.w.z. ons - niet minder dan de heiligen-vanouds.
Dan zou Hij voor ons een andere God zijn, althans een God, die andere wegen kiest, dan Hij voor Israël was, en deed. In de HERE is die tweeslachtigheid niet.
Maar, kan gevraagd worden, is het dan niet zo dat het nieuwe testament alleen spreekt van een doop-op-geloof?Ik ben geneigd om te zeggen: natuurlijk is dat zo. Het kan niet anders, want de situatie die in het nieuwe testament beschreven wordt, is die van het begin. Het gaat om de eerste generatie van de christenen. Wat dat betreft zijn ze te vergelijken met Abraham, die als eerste werd besneden op geloof. Maar met hem werd zijn huis besneden. Zo werden met de gelovigen in het nieuwe testament hun huizen gedoopt.
En zo'n huis is niet: een optelsom van gelovig geworden individuen; het gaat om een gemeenschap, net als in Gen. 17 (zie hiervoor het in het eerste artikel genoemde boekje van prof. Graafland, p. 41-46; en ook: ds M. R. v. d. Berg, voor wie is het avondmaal?, 1978, p. 50). En die gemeenschap gaat met Gods Naam de toekomst in - ze krijgt beloften mee. De weg van de HERE is in het N.T. wel breder dan in de oude bedeling, maar niet ànders.
Daarom mag gezegd worden - en in de overeenkomstige manier van spreken over beide zegt de Bijbel het toch ook voor? - de doop is gekomen in de plaats der besnijdenis.
Omdat ze ons verbindt aan de Naam van de HERE.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief