De christen in de politiek (1)

1981-05-01
  • Jaargang 25
  • nummer 17
Vorig jaar augustus schreef ik in ons blad een artikel getiteld 'Jeruzalem en de christelijke politiek'.
Daar is toen door verschillende iezers op gereageerd. Ds A. A. Spijkerboer schreef er iets over in de Kroniek van de periodiek Kerk en Theologie (XXXII, 1, pag. 62 v.v.) en in september 1980 plaatste ons blad een 'Ingezonden' van de heer A. Kadijk in Dronten. De laatste stelde enige vragen, waarop de redaktie toezegde te eniger tijd terug te zullen komen. Deze belofte wil ik nu voor mijn deel gaan inlossen.
Misschien dat zo'n achtergrondgesprek ons goed zal doen in een verkiezingstijd, waarin alles zo voorgrondelijk pleegt te worden.
Om te beginnen laat ik dan een deel van het door de heer Kadijk ingezondene nog eens horen. Nadat de schrijver 'het 'eerst over (mijn mening over) Israël en Jeruzalem gehad heeft, gaat hij vervolgens op mijn opvatting over christelijke politiek in 'en schrijft hij: In deze reactie gaat het mij evenwel niet om Jeruzalem of om de E.O., maar om de opvattingen van ds De Jong over christelijke politiek. In het genoemde artikel verdedigt hij een aantal stellingen, die, voorzover mij bekend, geen gemeengoed zijn in onze kringen. Weliswaar schrijft hij, dat bescheidenheid en ingetogenheid sleutelwoorden zijn voor de christelijke politiek en dat een christen, die het politieke veld betreedt de grootste terughoudendheid dient te betrachten; tegen die uitspraken heb ik geen bezwaren.
Maar dan moet ds De Jong toch niet met grote stelligheid uitgangspunten voor de politiek lanceren, die m.i, onder ons geen instemming verdienen; ik hoop dat vragenderwijs te kunnen verduidelijken.

1. Mag een christen Gods Rijk niet bevorderen met politieke middelen of is hij (als politicus) juist geroepen om zulks te doen?
2. Dient een christen-politicus uit te gaan van de totale Bijbel (Gods Woord) of dient hij zich hoofdzakelijk te beperken tot de algemene zedenwet?
3. Waarom vereenzelvigt ds De Jong politiek met nacht?
4. Waarom beperkt hij de grondslag voor openbaar bestuur bijna geheel tot waarden, die buiten het geloof om door medeburgers beaamd (kunnen) worden"?
Het komt mij voor, dat vrijwel alle christelijke politieke partijen in hun statuten deze problemen helderheid hebben geboden.
Niet alleen de SGP, het GPV en de RPF, maar ook de AR en de CHU.
Ik zal het zeer op prijs stellen als ds De Jong de vier bovengenoemde vragen wil .
bespreken. Het antwoord op deze problemen bestrijkt mijns inziens zelfs meer dan alleen het terrein van de christelijke politiek. Maar in elk geval dienen we met elkaar verder te komen over wat we bedoelen met christelijke politiek.

Om deze vragen goed te kunnen begrijpen wil ik ook nog een stukje opnemen uit het genoemde artikel dat ik in augustus 1980 schreef:

Wanneer een christen het politieke veld betreedt, moet hij de grootste terughoudendheid betrachten. (Alleen alom dat te leren is christelijke partij-vorming nodig!) Waarom terughoudendheid? Omdat hij van Godswege een gedrevene is. Hem zitten heel bijzondere dingen hoog. Dat Gods naam wordt geheiligd, dat Gods Koninkrijk komt en dat Gods wil geschiedt.
Het gevaar bestaat nu dat hij deze belangen, waarvoor een hartsverandering nodig is om ze van binnenuit en ten diepste te beamen, met politieke middelen gaat trachten te realiseren. Met macht dus, met de macht van de helftplus-één in een demokratie, en dat wil zeggen: buiten de gelovige instemming van zijn medeburgers om. Dat mag niet.
Het is trouwens op de duur ook onmogelijk.
Daarom moet een christen die zich in de politiek begeeft, zich terugtrekken op die waarden die hem, ten eerste, door Gods Woord geleerd worden, maar die, ten tweede, ook buiten het geloof om door zijn medeburgers beaamd (kunnen) worden.
Dat komt dus neer op de waarden van de algemene zedewet, zoals: betrouwbaarheid, waarheid, eerbaarheid, eerbied voor het leven, eerlijkheid, billijkheid, persoonlijke en strukturele rechtvaardigheid en de bereidheid om groepsbelangen ten achter te stellen bij het algemene belang. Het specifiek christelijke in het behartigen van deze belangen zal dan moeten bestaan in het duidelijke en publieke noemen en aanroepen van Gods Naam als garant van deze waarden. Ik denk hierbij met name aan het gebruik van de eed.

En nu dus de vragen. "Mag een christen Gods rijk niet bevorderen met politieke middelen of is hij (als politicus) juist geroepen zulks te doen?" Ik moet zeggen dat hoe langer ik over deze vraag nadenk, des te moeilijker ik het vind om hierop met een duidelijk ja of nee te antwoorden.
Ik zal niet zeggen dat het nooit mag, ik zal evenmin zeggen dat het ooit moet. Het hangt daarvoor te veel samen met tijd en gelegenheid.
Wij breken gemakkelijk de staf over Karel de Grote die destijds onder de Saksen Christus' kerk met het zwaard plantte. Maar voor het gemak vergeten we dan dat dit heeft kunnen gebeuren vanuit een eigenaardig besef dat de overheid toen van zichzelf had. Zij voelde zich voor het volk verantwoordelijk als een vader voor zijn gezin. Van hieruit zitten we in de kortste keren bij de even moeilijke maar meer dichtbije vraag in hoeverre een ouder, gebruik makend van het overwicht en de macht die hij of zij over de kinderen heeft, deze kinderen christelijk zal opvoeden. Hoe lang kan een ouder zijn kind meenemen naar de kerken naar de catechisatie sturen?
Het zal, als ze twaalf jaar zijn, gemakkelijker gebeuren dan wanneer ze achttien jaren tellen. Voorzichtig dus 'in ons oordeel over Karel de Grote!
Verder, hoe is het met het christelijk zelfbewustzijn gesteld? Dat is ook een vraag die er toe doet. Is dat zelfbewustzijn in de aanval of in de verdediging? Laait het vuur van het élan hoog op of is het toegedekt onder de sintels? Is het vanzelfsprekend of is het voortdurend met zichzelf in gesprek? In een dorp waar negentig procent van de bevolking kerkelijk is en dienovereenkomstig de zondag heiligt vind ik het akseptabel dat de gemeenteraad de sluiting van de zwembaden oplegt aan de tien procent forenzen die gezien hun werk 'en overige levensinrichting eigenlijk in de stad behoorden te wonen (in plaats van met Jona onder de wonderboom buiten Ninevé). Maar veel minder vanzelfsprekend is zo'n gemeentelijke verordening in een plaats waar zij met 51 % zou moeten worden afgedwongen.
Een christendom dat minderheid of bijna minderheid is, zal zich navenant bedachtzamer opstellen en gedragen.
Getallen doener hier gewoon toe.
In de middeleeuwen was het een aanvaarde gedachte dat de overheid ketters doodde. In de Heidelbergse Catechismus zie je dat een aarzeling hieromtrent zich baan breekt.
Nog wel wordt gezegd dat God de lastering zijns Naams met de dood te straffen bevolen heeft' (antw.100), maar door wie dat moet gebeuren, daar laat datzelfde geschrift zich niet over uit. Gaat het evenwel om het weren van de doodslag, dan wordt zonder schroom gezegd dat het de overheid is die daartoe het zwaard draagt, (antw. 105), - een opmerkelijk verschil.
Hoc het in dezen ligt in een ander konfessioneel geschrift, de Nederlandse Geloofsbelijdenis, is onder ons iets meer bekend. De overheidstaak wordt daarin aldus omschreven: "En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie (= de burgerlijke orde), maar ook de hand te houden aan de heilige Kerkedienst (= datgene wat de Kerk voorstaat); (om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen), en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen; het Woord des evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in zijn Woord gebiedt."
Onder dit artikel 36 staat dan in de gangbare uitgaven te lezen: "De tussen () staande zinsnede (om te weren.. enz.) is bij besluit van de Gen. Synode der Gereformeerde Kerken, Utrecht 1905, geschrapt.
Blijft voor andere kerken dus wel behouden." Deze laatste opmerking vind ik wat huichelachtig, maar daarover nu verder niet. Ook als je het tussen haakjes gestelde weglaat, blijft er nog zeer veel staan. Te veel, denk ik. Niet dat ik het de vaders kwalijk neem dat ze aldus geformuleerd hebben. Maar zij spraken vanuit een vooronderstelling die steeds meer ontbreekt, namelijk die van een christelijke natie. De aarzeling waarvan ik het begin in de Catechismus al aanwees, heeft zich sindsdien drastisch doorgezet en als we eerlijk waren dan stonden er vandaag de dag nog meer woorden uit art. 36 tussen haakjes, of was dit hele artikel van een duidelijke noot voorzien. Wij zijn afgenomen in getal en zelfbewustzijn.
En vandaar nu dat ik me destijds in mijn artikel ergens op teruggetrokken heb. Op waarden die ons, ten eerste, door Gods Woord geleerd worden, maar die, ten tweede, ook buiten het geloof om door onze medeburgers beaamd kunnen worden. (Zie boven.) Het behartigen van die waarden zie ik als een soort laatste schans voor de christelijke politiek, een minimum, waaronder zij niet kan gaan zonder ongeloofwaardig te worden. Misschien ben ik met dit mij terugtrekken op een minimum de sekularisatie wel wat vooruit gehold. Het is mogelijk dat men op andere plaatsen in ons land de idealen nog wat hoger kan stellen.
Bijna had ik geschreven: de droom nog wat langer voort kan zetten. Want inderdaad zie ik art. 36 van de N.G.B., ook in z'n geknotte vorm, als een droom, tenminste voor onze tijd. Je kunt daar wel aan werken, maar dan alleen indirect, door herkerstening, maar niet langer politiek. Politiek ter bevordering van het Koninkrijk Gods?
Beter is het te spreken van politiek ter weerhouding van het rijk van de antichrist, Deze omslag van bevordering van het goede naar weerhouding van het kwade is kenmerkend voor de christelijke politiek in een tijdperk van sekularisatie. Mozes en David konden meer dan Jozef en Daniël.
Zo heb ik dus antwoord gegeven op de eerste aan mij gestelde vraag: "Mag een christen Gods rijk niet bevorderen met politieke middelen of is hij (als politicus) juist geroepen om zulks te doen?" Het antwoord is: dat hangt af van de tijden en de gelegenheden. De dienst van God is ons in de bijbel in het lange beschreven.
De Schrift neemt ons mee door een grote verscheidenheid van situaties heen. Daarom bidden wij om de Geest der wijsheid en der onderscheiding om met behulp van die voorbije tijden en gelegenheden onze eigen situatie te beproeven en te verstaan, Zodat wij weten of wij ons op Mozes en David, dan wel op Jozef en Daniël moeten oriënteren.
Maar er waren nog meer vragen.
Volgende keer verder dus.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief