De christen in de politiek (2)

1981-05-08
  • Jaargang 25
  • nummer 18
Wij komen nu toe aan de tweede vraag van de heer Kadijk: "Dient een christen-politicus uit te gaan van de totale Bijbel (Gods Woord) of dient hij zich hoofdzakelijk te beperken tot de algemene zedenwet?"
In mijn vorige artikel heb ik de christenpoliticus in een tijd van sekularisatie een terugtrekkende beweging laten maken en een laatste schans laten betrekken, die van de waarden van de algemene zedenwet.
Ik had daarbij echter niet het uitgangspunt ("Dient een christenpoliticus uit te gaan ... ?) maar het doel van christelijke politiek voor ogen. Waarnaar streeft ze en wat denkt ze te bereiken? Maar het uitgangspunt daarbij is ongetwijfeld de gehele Bijbel. Dat ben ik graag met de heer Kadijk eens. Betrouwbaarheid, waarheid, eerbaarheid, eerbied voor het leven, eerlijkheid, billijkheid, persoonlijke en strukturele rechtvaardigheid en de bereidheid om groepsbelangen ten achter te stellen bij het algemene belang - het zijn waarden die wij zeker niet los mogen of kunnen maken van het geheel van Gods openbaring, die in Jezus Ohristus haar centrum heeft. Doen wij dat wèl, tegen alle beter weten in, dan worden deze waarden juist in ónze handen tot snijbloemen die verdorren. Het is waar, dat 'krachtens de algemene uitstraling van Gods genade in Christus deze waarden in onze wereld nog bestaan. (Wij mogen hierbij denken aan het woord van Paulus tot Timotheüs over "de levende God, die een Heiland is voor alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen", 1 Tim. 4 : 10). Maar het is niet waar, dat wij er zomaar van uit mogen gaan dat genoemde waarden op deze wijze zullen blijven bestaan.
Zonder verworteling in Christus leiden zij in onze wereld inderdaad een snijbloemenbestaan en zijn zij ondanks hun weelderige bloei (zelfs na het afsnijden nog!) ten dode opgeschreven, Daarom zal een christen, wanneer hij publiek rekenschap aflegt van zijn ijveren voor het hooghouden van deze algemeen erkende waarden, zich inspannen voor hun verworteling in Christus.
Hij zal daarbij de namen van God en Christus of wel de naam van de Drieënige God niet ongenoemd kunnen laten. En daarvoor heeft hij het geheel van Gods Woord nodig.

Het is om deze reden dat ik op het bekritiseerde artikel van 29 augustus 1980 over 'Jeruzalem en de christelijke politiek' op 5 september daaraanvolgend nog een ander artikel publiceerde over 'Het noemen van de NAAM in de politiek'.
Daarin bepleitte ik voor een zo algemene waarde als de waarheid de noodzaak van een christelijke verworteling, of liever: een verworteling in Christus. Ik deed dat aan de hand van het gesprek tussen Jezus en Pilatus in Johannes 19. In dat verhoor zegt onze Here dat Hij in de wereld gekomen is opdat Hij voor de waarheid zou getuigen. De waarheid, zei ik toen, heeft dat getuigenis van de Christus nodig, wil.
ze niet in ongerechtigheid ten onder gehouden worden. Ook hier weer dezelfde gedachte: de christelijke politiek streeft de waarheid na.
Zij wil de werkelijkheid onverbloemd onder de ogen zien. Dat is haar beperkte doel. Maar zij kiest daarvoor een uitgangspunt dat veel breder en dieper is: het geheel van de Schriften.

Ik noemde in mijn vorige artikel Daniël. Van Daniël staat geschreven dat hij in het heidense Medië één der drie rijksbestuurders was.
Er wordt zelfs gezegd dat hij zijn werk zo goed deed dat de koning Darius van zins was hem over het gehele koninkrijk te stellen (Dan. 6 : 1-4). Als doel van het regeren waaraan hij deelnam wordt dit magere geformuleerd: "opdat de koning geen schade zou lijden". Weliswaar zal dat niet uitsluitend persoonlijk noch ook uitsluitend financieel bedoeld zijn. De koning zal hier genoemd zijn als de vertegenwoordiger van de publieke orde en van het Medische bestel. Maar dan nog: "opdat de koning geen schade zou lijden". - niet meer?
Nee, niet meer. Zo ontbrak het Daniël bijvoorbeeld ten enen male aan de mogelijkheid en de middelen om de 'afgoderij van Medië publiekelijk te bestrijden. Alleen het bewaren en handhaven van 'law and order' stond in zijn macht. Máár, - als Daniël bad tot zijn God om kracht voor deze beperkte taak, dan ging in zijn boven vertrek het venster open naar de kant van Jeruzalem (vs. 11). Dan bad hij niet tot een bleek opperwezen, dat men ook in Medië wel boven het hele pantheon uit aanwezig vermoed zal hebben, maar dan boog hij zich drie maai daags op zijn knieën neder en bad en loofde zijn God als een dienaar van de levende God (vs. 21), de God van Jeruzalem's verkiezing, Het doel van zijn administratie was dus, zeker uit het gezichtspunt van het 'koninkrijk Gods, beperkt, maar zijn uitgangspunt koos hij in het geheel der goddelijke openbaring.
Daarin zocht hij zijn kracht.

Het is waar dat mensen als Daniël tot zulke hoge posten opgeklommen, weleens iets konden doen in het directe belang van Gods volk.
Ik denk hierbij aan Nehemia en Esther, tot welke laatste Mordechai zelfs zegt: "Wie weet of gij niet juist met het oog op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt" (Esther 4 : 14). Maar dat was dan toch meer een toevallig en niet een vooraf beraamd voordeel, En neemt all bij iemand als Jozef in Egypte dit voordeel een grote plaats in ("om u in ·het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden", Gen. 45: 5), dan nog valt daar planmatig niet mee te werken. Zoiets kan eigenlijk alleen maar achteraf gekonstateerd worden. Trouwens, over Jozef gesproken, is het niet hoogst merkwaardig dat hij zich heeft laten betrekken in een ekonomische politiek in Egypte, die ons rondweg verwerpelijk voorkomt?
Lees daarvoor Gen. 47 : 13-26! Zou daaruit afgeleid kunnen worden dat plooibaarheid een eigenschap is, die een christen-politicus in bijzondere mate eigen behoort te zijn? Een souplesse die hem in staat stelt om 'ook binnen zeer bedenkelijke systemen als een rechtvaardige te funktioneren? Ik heb eerder onder de algemene waarden die een christen in de politiek ter behartiging zijn toevertrouwd en waaronder hij niet mag gaan, wil hij geloofwaardig blijven, ook de strukturele rechtvaardigheid genoemd.
Maar in het licht van de geschiedenis van Jozef in Egypte denk ik dat ik daarmee toch teveel gezegd heb. Dit teveel is dan een teken van het gemak waarmee wij christenen de grenzen van de bescheidenheid te buiten gaan en zodra we de kans schoon zien, aanstonds onze politieke macht gebruiken om onze geestelijke idealen ter zake van de maatschappelijke ordening aan anderen op te leggen.
Ik zie Jozef in Egypte (en trouwens ook Daniël in Medië) als een bemoedigend voorbeeld voor christenen die in de landen van het Oostblok met grote politieke verantwoordelijkheid belast zijn. Maar ach, hebben wij in het Westen niet steeds meer zo'n zelfde bemoediging nodig? Alhoewel, een belangrijk verschil tussen Oost en West is nog altijd dat er hier in het Westen een veelheid van elkaar bestrijdend een tegelijk in een zeker evenwicht houdende ideologieën heerst die voor een diffuse lichtverspreiding zorgt. De stralen vallen hier door matglas en niet, zoals in het Oosten door een brandglas. Hoe duidelijker de ideologie van een stelsel zich als heilsleer ontpopt, des te moeilijker het voor een christen wordt om daarbinnen te funktioneren.

Hoe zie ik nu in verband met dit alles christelijke partijvorming? Is die wel nodig? Ik meen van wèl.
De christelijke partij zie ik primair als een bezinnings-centrum, waarbinnen nagedacht wordt over de vraagstukken die ik op 't ogenblik behandel: de christelijke verworteling van de voor overheid en volk zo basale waarden en de afgrenzing van die waarden: Waar houden ze op algemeen geldig te zijn en waar beginnen ze specifiek christelijk te worden? En waarom kan dat niet binnen een studie-groep van christenen in het kader van een neutrale partij? (Ik denk dat dr Spijkerboer deze vraag graag aan mij zou willen stenen). Omdat ik voor degenen die vanuit zo'n bezinnings-centrum het aktieve politieke leven ingaan de absolute vrijheid opeis om naar de wijsheid die hun gegeven is van hun uitgangspunt te getuigen en te zeggen waar zij de mosterd halen.
Het gaat mij hier om de NAAM die niet gemist kan worden. De NAAM trouwens, die ook niet te pas en te onpas overal bij gehaald moet worden. Overdaad schaadt.
Op dit punt heb ik zeer grote bewondering voor de Oranje-vorsten, die ik nu bewust in mijn leven heb meegemaakt. Hoe zij (zeker, van een andere kant komend dan de volksvertegenwoordiging) op de smalle marge die hun staatsrechtelijk gelaten is, op belangrijke momenten in een verbluffende kiesheid met een enkel woord weten te zeggen waar zij staan en op Wie zij willen bouwen. Aan de manier waarop zij hierin ad rem zijn is te merken dat daar een geweldig nadenken en een bewust christelijk leven achter zit. Ik denk hier natuurlijk niet aan de half en half verplichte en (dus?) vage Kerstboodschappen destijds van Koningin Juliana.
Daar zat ik echt niet op te wachten. Ik heb aan de ene Kerstboodschap ruimschoots genoeg.
Een staatshoofd moet trouwens ook niet gaan preken. Daar mist hij de bekwaamheid en de bevoegdheid voor. Nee, laat ik iets anders als voorbeeld noemen. Na de watersnoodramp van 1953 hield Koningin Julianá een toespraak tot ons volk, waarvan ik me niets meer herinner.
Maar in aansluiting daarop werd het twaalfde vers van het Wilhelmus gedeklameerd: "Zo het de wil des Heren op dien tijd had geweest had ik geern willen keren van u dit zwaar tempeest. Maar de Heer van hierboven die alle ding regeert, die men altijd moet loven, en heeft het niet begeerd." Om op dát moment op déze wijze ons volkslied ter sprake re brengen, ja, dat heb ik altijd geniaal gevonden.

(Door de te late ontvangst van de kopij moeten we het artikel hier onderbreken.)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief