"Kleine letters"

1981-05-08
  • Jaargang 25
  • nummer 18
We kennen God door twee middelen: Door de schepping en door Zijn Woord. (N.G.B. art. 2) Wat de natuur betreft, die is als een schoon boek, waarin alle schepselen, grote en kleine, als letters zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen.
Nog meer mogen we hem kennen uit de Heilige Schrift; maar ook daar vinden we "grote en kleine letters".
Met die kleine letters bedoel ik de dingen, waar je bij het bijbellezen gemakkelijk overheen leest, maar die evenwel toch juweeltjes zijn. Op enkele daarvan wil ik graag uw aandacht vestigen, n.l. die betrekking hebben op spinnen en weven en wat daarmee samenhangt. In onderstaande zal blijken, dat er halfedelstenen bij zijn, maar ook sommige van hoog gehalte, b.v. Ps. 139: 13.
Om ze te ontdekken hoeft men bepaald niet in de textiel werkzaam te zijn, maar het komt voor, dat zelfs een wever van beroep ontgaat, wat het fijne is van zo'n tekst, omdat de machine weeft en niet hijzelf.
Aan de andere kant: vandaag de dag wordt door velen het handweven beoefend. Vaak echter met zo weinig kennis van zaken, dat het resultaat, hoe aardig ook, nauwelijks weefsel kan heten.
Al met al is het geen wonder, dat bepaalde uitdrukkingen over dit onderwerp in de Heilige Schrift voor menigeen onverstaanbaar zijn.
Om een sprekend voorbeeld te noemen: Jes. 38 : 12b. AIs je niet weet wat "drom" betekent, blijft ook dit kleine juweeltje voor je verborgen.
Ook de gedeelten in Exodus 26, 27 en 28 die handelen over de tabernakelen de voorhof en de priesterkleding blijken dikwijls een onverteerbare brok te zijn. Het wordt dan als zodanig overgeslagen als niet belangrijk, bij de lezing van de Schrift.
Toch jammer. Want: Is dit niet belangrijk?
Lees dan eens Hebr. 8, 9 en 10!
Een en ander vormde voor mij het motief om iets op papier te zetten.

Allereerst iets over de grondstoffen.
Dat zijn er in verhouding tot nu, in deze tijd maar heel weinig: Schapenwol, kameelwol, kameelhaar, geitenhaar en, niet te vergeten, vlas.
Dit laatste werd veel verbouwd in Egypte. Het linnen uit dat land was beroemd. (Uw "Egyptisch linnen regenjas" is evenwel van katoen gemaakt.) Tenslotte vermoedt men, dat in Esther 1 : 6 van katoen gesproken wordt.
De grondstof voor linnen is dus vlas. Het ligt voor de hand, dat de Israëlieten het materiaal voor de tabernakelen voor de priesterkleding uit Egypte hebben betrokken of meegenomen. En dan in de vorm van garens of weefsels. Immers, de bewerking van vlas is zeer tijdrovend.
Hierbij een kort overzicht.

Na het oogsten (= uit de grond trekken) volgt dan:

1. Repelen, = het zaad verwijderen.
2. Roten, = door een rottingsproces de vezels losmaken.
3. Drogen.
4. Braken of breken, = het in stukjes breken van de houtachtige stengel.
5. Zwingelen, = het uitslaan van de houtdeeltjes.
6. Hekelen, = de laatste hout deeltjes en andere ongerechtigheden verwijderen. (Over de hekel halen.)

Een heel verhaal. Bovendien was, en is, voor het roten water nodig.
Eindelijk is het dan zover, dat er gesponnen kan worden. Spinnen was meestal de taak van de vrouw.
Vandaar ook is er in de tekst in Luk. 12: 27 geen tegenstelling: "Zij arbeiden niet en spinnen niet".
Spinnen is wel terdege werken, maar onder "arbeiden" wordt hier verstaan: de zware arbeid op het veld, zie b.v. Matth. 20 : 1-16.
Definitie: Spinnen is het maken van een ronde, dunne, gladde draad. Dit omvat dan tevens een aantal handelingen, zoals het uitpluizen en glad leggen van de vezels en tenslotte het in elkaar draaien, wat "twisten" genoemd wordt.

Voorbereiding voor het weven.
Het garen kan direct na het spinnen geweven worden, maar ook kan men het eerst nog twijnen.
(Staten- en Nieuwe Vert. "tweernen", zo ook in het Twents en in het achterhoeks dialect.) Definitie: Om het garen gladder en sterker te maken gaat men 2 of meer enkelvoudige draden in elkaar draaien.
Van het werkwoord twijnen komt alleen het participeren voor en nergens anders dan in het boek Exodus, de Hfdst. 26, 27, 28, 36, 38 en 39.
De latere rabbijnen beweerden, dat voor de kleden van de voorhof, Ex. 27 : 9, een 24-voudige twijn bedoeld is. D.w.z. 24 enkelvoudige draden samengedraaid tot - één draad. Nu, 24 is wel een mooi getal, maar als die enkelvoudige draden zo dun geweest zijn als naaigaren, dan zou nog het doek, van die twijn gemaakt, niet veel minder dan 1 kg gewogen hebben! De hoogte van die omheining was 2.5 meter en de lengde 150. Zo krijg je een gewicht van 350 kg. Bovendien zou er dan ook geen sprake kunnen zijn van "fijn linnen".
Wèl zal voor de omheining grover stof gebruikt zijn, dan voor de priesterkleding.

Scheren en spoelen
Definitie van (garenscheren: Een aantal draden naast elkaar op een rol, de "weversboom" wikkelen, Spoelen is een wikkelen van garen op een spoel, meestal klos genoemd.
U begrijpt, dat een weefspoel weer wan anders is.
Met één draad kun je niet weven, zelfs niet met één systeem van draden.
Daarvoor zijn twee systemen draden nodig, n.l. ketting en inslag.
Men spreekt in plaats van ketting ook wel van schering: de vakterm is echter ketting. Dat is de naam voor de lengtedraden, de dwars draden zijn vanzelf de inslag.

Weven
Volgens kenners had men in Israël zowel het verticale, dat nu nog gebruikt wordt voor smyrna tapijten, als het horizontale getouw. Dit laatste zal waarschijnlijk gebruikt zijn door Delila. Richteren 16. Zij vlocht Simsons haren met de inslag door de ketting. Ze zaten dan wel zó vast, dat Simson de ketting moest stuk trekken.
Daarbij moest hij dus enkele honderden draden 'tegelijk stuk trekken, beslist geen kinderspel!
Die ketting was n.l. gespannen tussen twee rollen, de kettingboom en de doekboom. Gezien de benodigde spanning moesten deze stevig bevestigd zijn, hetzij met balken in de grond of aan een raam van stevige balken.
Zo'n weversboom moest wel stevig zijn, maar toch ook weer niet dikker dan 10 cm, want Goliath mocht dan met zijn drie meter wèl ruim aan de maat geweest zijn, de omtrek van zo'n boom is dan zeker 30 cm; en alleen maar vasthouden was in een gevecht niet genoeg.
Maar niet alleen Goliath had zulk een machtig wapen. In Kron. komen we ook zulke reuzen tegen met hetzelfde formaat lans.

Reeds ten tijde van Mozes was men reeds ver gevorderd in de weefkunst, die ze allicht in Egypte geleerd zullen hebben. De Egyptenaars waren al heel vroeg zeer kunstzinnig.
In Ex. 36 lezen we van "kunstig geweven cherubs"; blijkbaar is hier sprake van gobelin-werk. Men maakte daar ook fijne linnen weefsels.
Ook het N.T. spreekt van knap vakwerk; o.a. in Joh. 19: 23. Het onderkleed van de Here Jezus was "zonder naad, aan één stuk geweven", d.w.z. rond geweven; aan beide zijden dicht in plaats van een zelfkant! En dan niet met de hulpmiddelen, die nu onze handweefsters en -wevers tot hun beschikking hebben! Zelfs nu zullen er niet velen zijn, die dit kunnen.
De soldaten van Pilatus zagen dan _ ook best, dat het een kostbaar stuk was, zodat ze het jammer vonden, het te scheuren en het daarom verlootten.

Nabewerking
Ter verfraaiing van weefsels gebruikte men verschillende methoden.
Voor het verven ervan gebruikte men o.a. purper, een kostbare kleurstof, gemaakt uit purperslakken. Al naar de soort slak werd door inwerking van het licht de kostbare vloeistof rood of blauw. De stof werd dan doordrenkt met de verf, daarna gespoeld en gedroogd.
Of men oudtijds ook garens verfde staat niet met zoveel woorden in de bijbel, maar het veelkleurig kleed van Jozef wijst wel in die richting.
Verschillend gekleurde repen stof kan natuurlijk ook. In elk geval: het bedrukken van stof was toen zeker niet bekend.

Vollen betekent letterlijk: voller maken. D.w.z. normaal zijn de lengte- en dwarsdraden, de ketting en de inslag, duidelijk te onderscheiden.
Door stampen of slaan werd dan een wollen weefsel net zolang bewerkt tot het op vilt begon te lijken. Nu b.v. biljartlaken, lakense (uniform) stof.
Vroeger gebeurde het volten o.a. met bedorven urine. Geen wonder, dat "het veld des vollers" buiten de stad lag!
Tevens werd de wol daardoor witter.
Verder wordt in Mal. 3: 2 gesproken van "het loog van de bleker".
Dat moet wel wol betreffen, want linnen verdraagt geen loog.
Of overigens de vertaling goed is, kan ik niet nagaan.
Linnen zal wel gebleekt zijn door het nat te maken en in de zon leggen; bij ons hier en daar nog wel bekend. De lakens worden ook tegenwoordig nog wel eens "op de bleek gelegd", een daarvoor bestemd grasveldje.

Nog even terug naar het begin.
Daar noemde ik Jes. 38: 12, een vers uit het danklied van Hizkia, Hij moest zich voorbereiden op zijn einde. Gelukkig gunde de Here hem nog vijftien jaar. In zijn danklied denkt hij even terug aan die verschrikkelijke dag. In vs. 12 gebruikt hij drie beelden om zijn toestand te beschrijven: de afbraak van zijn woning, zo plotseling, alsof een herderstentje wordt weggerukt. Hij moet zijn plaats verlaten.
Dan beschrijft hij, water van zijn kant gebeurde. Hij dacht aan een wever die zijn weefsel van het getouw afhaalt en het samenwikkelt; hij maakte zijn testament. "Bereid uw huis ... "
Van Gods kant: De Here behandelt hem als een overbodige kettingsdraad.
Gij snijdt mij af van de "drom" (= de ketting). Hij mag niet meer meedoen, de Wever heeft hem niet meer nodig.

Dan Ps. 139: 13 b: " mij in de moederschoot geweven". Na het bovenstaande hebt u hopelijk ook gezien, dat er voor dit wonder van God geen mooier beeld denkbaar is.
Daarbij moet u natuurlijk denken aan handspinnen en -weven, Elke vezel schier wordt aangeraakt; elke draad glijdt door de vingers. Eén voor één worden ze op de plaats gelegd en kruisen ze over- en onder elkaar, zoals de Wever het wil. Hij maakt het patroon. Elke schepping is uniek. De hand van de Meester is er aan te zien. Hij maakt het begin en het eind, bepaalde de lengte.
Elke vezel van ons bestaan komt uit Zijn hand. We zijn letterlijk uit Zijn hand gegroeid.
Tenslotte: Laten we als beelddragers Gods toezien op het stuk van ons leven. Zou Jan Luyken daar ook aan gedacht hebben bij het nu volgende gedichtje van hem?

De Weever

Ghij die wel op uw handwerck let
Maakt doch het Stuck uws leevens net.
Gelijck de weefspoel door 't gescheer,
Soo vluchtig zijn de leevens daagen,
En koomen Eeuwiglijck niet weer:
Dat Elck Sich dan voorsicluien draage:
Is Leejstuck, recht of
Slecht gedaan,
Daar sal Goed, of quaad
Loon op staan.

De schrijver van dit artikel was van 1933-1950 wever en van 1950-1970 leraar textiel aan de technische school te Winterswijk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief