LIJSTEBRIJ (kommer en kwel bij examens)

1981-05-08
  • Jaargang 25
  • nummer 18
De tijd van de examens is weer aangebroken.
Sommige scholieren zitten er midden in, anderen moeten nog beginnen. Omdat ik ook binnenkort weer geconfronteerd word met het bekende verschijnsel van de "literatuurlijsten" heb ik nog eens het werk "Lijstebrij" te voorschijn gehaald. Dat werd ongeveer acht jaar geleden gepresenteerd tijdens de boekenweek en voor een leraar kan het nog wel eens nuttig zijn te lezen wat anderen zeggen over het systeem van verplichte boekenlijsten dat nog steeds op vrijwel alle scholen voor voortgezet onderwijs wordt gehanteerd. Welnu, ik ben door de kritiek niet erg geschokt. De schrijvers van Lijstebrij maken zich zelf trouwens ook niet erg geloofwaardig als zij beweren dat er voor 1880 in Nederland nauwelijks iets is verschenen dat de naam van literatuur verdient! Iets heel anders komt aan de orde, als men zich af gaat vragen of leraren voldoende in staat zijn duidelijk te maken waarom ook veel werk uit vroegere tijd de moeite van het bestuderen waard is! Daarover heeft een collega destijds geschreven: Lijstebrij gaat er kennelijk van uit dat we een zee van tijd hebben voor de inwijding in de literatuur.
Och arme! Aangaande de uren voor Nederlands, daarin zijn twee of drie uur, en zo wij zeer gelukkig zijn, vier uren per week. Het.
belangrijkste deel daarvan moet worden besteed aan het leren spreken op enig niveau, de vergroting van de woordenschat, het leren lezen van niet-literaire teksten en het schrijven van brieven en verslagen. De leerlingen zijn nog versuft van een natuurkundeproefwerk in het vorige uur. Als in een der volgende uren een repetitie wiskunde zal worden gegeven, moet de leraar Nederlands zijn aandacht op scherp stellen, omdat een aantal schriften waarin aantekeningen voor de Nederlandse les moeten worden gemaakt, een enigszins verdachte bladspiegel vertonen.
Het is een keer gebeurd, jaren geleden, dat een leerling tijdens een wiskundeles onder de bank ziin. Nederlands zat over te kijken. De leraar die dit ontdekte, was over. dit ongehoorde feit zo verbijsterd, dat hij de leerling naar mij toestuurde om mij de strafmaat te laten bepalen.
Gelukkig had ik toevallig nog een reep chocola in mijn tas ...
In het algemeen is trouwens de belangstelling voor "moderne" literatuur (wat dat ook mag zijn) niet veel groter dan die voor de oudere werken. Lezen, studeren, vraagt nu eenmaal een zekere inspanning. En daaraan hebben veel mensen gewoon een hekel! Dezelfde collega schrijft: De ellende is dat de meeste leerlingen er met geen stokslagen toe te brengen zijn werken te lezen waarvan geen uittreksels staan in Studeo en soortgelijke produkten. De democratisering van het onderwijs, in veel opzichten te prijzen, heeft in elk geval deze schaduwzijde dat jaarlijks de massa's uit cultuurarme, en dus leesarme milieus onze scholen overstromen en het peil aanzienlijk doen dalen. Waar komt toch de mythe vandaan dat deze leerlingen begerig zouden zijn hun situatie te doorlichten, de "schok der herkenning" te krijgen door de eigentijdse verwikkelde problematiek, de absurditeit van het bestaan, in moderne werken na te gaan steuren? De steeds sterker wordende stroom waartegen wij moeten oproeien, de tot verdwijnens toe slinkende mogelijkheid nog enig besef te wekken voor een hoger dichterlijk plan dan "Hand in hand, voor Feyenoord !" doet ons wel eens wanhopen aan de zin van ons werk.
Het zal duidelijk zijn dat deze laraar in een nogal sombere bui verkeerde en waarschijnlijk ook nogal geïrriteerd was door wat Lijstebrij hem voorschotelde; in elk geval ben ik zelf wat minder pessimistisch, toch moet ik ook toegeven: voor veel leerlingen is het samenstellen van een behoorlijke literatuurlijst een onaangename klus. Maar: geldt hetzelfde niet voor het maken van een scriptie voor b.v. geschiedenis of aardrijkskunde? En is het leren van woorden bij vreemde talen zo'n leuke bezigheid? Of is het maken van natuurkundevraagstukken altijd zo interessant? Is een avondwandeling in de maneschijn eigenlijk niet veel aantrekkelijker?
En levert het bezorgen van kranten of het helpen ineen supermarkt niet veel meer direct en concreet resultaat op? ' In elk geval: de scholier die zijn eigen onlustgevoelens eens door anderen uitgesproken wil zien, kan terecht bij Lijstebrij, uitgegeven door de Commissie voor propaganda (!) van het Nederlandse Boek, 1973. Wie op een andere manier zijn of haar problemen wil benaderen, kan onder andere terecht in Opbouw. Speciaal wil ik de artikelen aanbevelen van Karel v.d, Toorn over "Een vlucht regenwulpen" (M. 't Hart) en over "Opwaaiende zomerjurken" (0. de Jong) in Opbouw van 1979. Kortgeleden hebben de heren Rietkerk en Milo goede beschouwingen gewijd aan het werk van Maarten 't Hart. En wat Hans Werkman in het Nederlands Dagblad schrijft, is ook altijd de moeite waard. Het is maar dat je het weet! Mocht ik iemand kunnen helpen met een kopie van mijn eigen artikelen over de "Nacht der Girondijnen" van J. Presser, dan met alle genoegen. Schrijf maar even een briefje, doe er een gefrankeerde enveloppe met naam en adres bij in, en de zaak komt in orde.
Ik wens iedereen drie bij de jaarlijks terugkerende beproeving van schoolonderzoeken en examens is betrokken, veel sterkte: leerlingen, leraren en leraressen, en niet te vergeten: de ouders!
Wat de literatuur betreft: Het is juist één van de meest kenmerkende verschillen tussen lectuur en literatuur dat de eerste soort is geschreven voor óntspanning, terwijl de tweede van de lezers inspanning vraagt. Het oude sprookje leerde al dat ook luilekkerland niet zonder moeite bereikt kan worden: men moest zich eerst een weg banen door de berg van rijstebrij.
Het boek Lijstebrij opent slechts perspectieven op een doolhof.
De studie van literatuur brengt in elk geval bet besef bij dat bet leven géén luilekkerland is met daarin de Tros als betrouwbare wegwijzer. En zodoende, dus!

Lees maar:

Dit is de tijd

Dit is de tijd. Je mag zeven keer raden.
Zeven maal zeventig keer heb je tijd
m gissend en missend, door 'schande en schade
wijs, te ontkomen aan de kwade
droom van de wenteltrap eeuwigheid.

Dit is de tijd, de tijd om te zorgen,
zorgende staan met je rug naar het vuur,
bIoot aan de dood, in het leven geborgen,
lezen de schaduwen van morgen
spelender-, spellenderwijs op de muur.
Dit is de tijd. God zelf staat zonder
zich te verroeren andersom.
Dit is de tijd. Er gebeurt geen wonder,
maar Hij telt langzaam van één tot honderd,
tot honderdtien ... en dan: "Ik kom".

Jan Wit

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief