Naar een federatie met de Chr. Gereformeerde Kerken? (3)
1982-06-18
Aankondiging van een aanzoek- Jaargang 26
- nummer 24
In mijn tweede artikel stelde ik dat de NGK altijd een zekere terughouding hebben betracht. Ze hebben niet al te vurige avances gemaakt in de richting van de CGK. Ik zag daarvoor twee redenen. Ten eerste waren we niet klaar met onszelf. Ten tweede weerhield ons de interne CG-problematiek.
We wilden elke schijn vermijden in troebel water te vissen.
Het laat zich aanzien, dat de eerstgenoemde factor gaat wegvallen. Wij namen te Breukenlen onze besluiten t.a.v. de CGK met algemene stemmen. Bovendien komen we naar alle waarschijnlijkheid klaar met onze KO. Daarmee komt wat ons betreft het tijdstip nader om de grote vraag te stellen. De vraag is nu: in hoeverre moet er aan onze kant terughouding blijven in verband met de situatie in de CGK? Ds B. van Smeden komt in zijn meergenoemd artikel ("Onze verhouding tot de NGK", gepubliceerd in Ambtelijk Contact van sept. '81) tot de volgende uitspraak: "Maar ook is van betekenis, dat de contacten met de NGK nu zo lang en van zodanige aard geweest zijn, dat we niet kunnen blijven doorgaan met samensprekingen via deputaten en ontmoetingen hier en daar op plaatselijk niveau. Er moeten nu eens besluiten worden genomen. We groeien daarheen". Ik meen dat de LV van Breukelen op gelijke wijze duidelijkheid paart aan geduld. Breukelen zegt niet: We stellen u nu een federatie voor! Dit onderwerp wordt door Breukelen gebracht onder het hoofd: een perspectief! Het is zoiets als: we hebben een droom gedroomd, en we werken er heen! Breukelen doet geen huwelijksaanzoek, maar brengt de aankondiging van een aanzoek. Er blijft tijd om er naar toe te groeien. Hopelijk zijn de CGK straks klaar voor een verblijdend antwoord. Overigens sluit ik me graag bij ds Van Smeden aan als hij deze beeldspraak afwijst als minder gelukkig. "Er wordt soms wel gezegd (aldus collo Van Smeden): ik voel helemaal geen genegenheid, gep.J1liefde tot die andere kerken; en voor een huwelijk van twee mensen moet er toch liefde zijn, anders kun je beter niet beginnen! In alle simpelheid is dit voorbeeld misleidend. Als een huwelijk wordt gesloten, dan heeft inderdaad de liefde het beslissende woord. Maar als het om kerkelijke eenheid gaat, heeft de Here het laatste woord. Dan is er het gebod der liefde".
Wat kunnen wij doen?
De vraag is: wat kunnen wij nog doen om de toenadering te bevorderen als ons de tijd gegeven wordt?
Laat ik enkele suggesties mogen doen. Ze zijn met andere te vermeerderen.
- Onze kerkenraden zouden voor alle ambtsdragers een blokabonnement kunnen nemen op "Ambtelijk Contact", het uitstekende maandblad ten dienste van ouderlingen en diakenen van de CGK (f 12,50 per jaar; adm.adres H. V. d. Laan, Laan van Bork 448, 7823 RL Emmen). We hebben daar in Rotterdam uitstekende ervaringen mee; het blad wordt graag en goed gelezen.
- We zouden kunnen informeren of een zekere samenwerking tussen de redacties van Opbouwen De Wekker mogelijk was. Artikelen die onze onderlinge verhouding raken zouden over een weer geplaatst kunnen worden.
- Onze kerken zouden zich ervoor moeten wachten de zaak al te zeer door de plaatselijke bril te bezien. Van de 60 kerken die plaatselijk een "andere" kerk tegenover zich hebben kwamen er 20 tot kanselruil. Een volgend 20-tal biedt perspectieven. Het laatste derde deel helaas niet.
- We zouden kunnen overwegen aan welke landelijke arbeid van de CGK wij graag zouden willen meedoen. Ik kan me voorstellen, dat we er niet om zitten te springen om in alle 36 CG deputaatschappen te stappen. Men vindt ze op pag. 124 e.v. van het CG jaarboek. Toch zullen er taken zijn, die we graag samen doen en waar we graag van de ervaring van de broeders zullen willen leren en profiteren. Ik denk aan de vertegenwoordiging bij de overheid, internationale contacten, werk onder schippers en zeevarenden, COGMA (gebeurt al), diakonaal werk (ADMA). Niet te vergeten de arbeid aan de Theologische Hoge School. We zouden het best mogen zeggen als we graag een professor zouden willen en kunnen leveren. Zo zal er meer zijn.
- In onze samensprekingen zal de KO aan de orde blijven. Ik denk aan de kwestie van de vrouw in het ambt. Ds Van Smeden zegt: "een officieel CG standpunt is er niet". En verder: "Wat ligt meer voor de hand dan dat we samen met deze vragen bezig gaan". Dan is er de kwestie van het gezag van meerdere vergaderingen, als het gaat om de bewaring van Gods Woord. Nogmaals 'n regel uit het stuk van ds Van Smeden: "Onzerzijds wordt gevreesd dat het gezag van de bredere kerkelijke vergadering zo wordt uitgehold, dat geen enkele tuchtoefening over een dwalende kerk mogelijk is en ook dat besluiten van bredere vergaderingen heel makkelijk kunnen worden genegeerd". Ik denk dat we over deze zaak moeten doorpraten.
- Wat de prediking betreft zal onzerzijds ongetwijfeld navraag worden gedaan naar de door ds Velema gesignaleerde midden-orthodoxe prediking in de CGK.
Als ik dat politiek vertalen mag met "doorbraakprediking" en theologisch met "inhoudverpakking prediking", of "God en Co-prediking" (een terminologie die herinnert aan de diagnose van collo De Jong op het Rapport Schriftgezag) dan moet ik zeggen dat onze kerken daarop niet zitten te wachten. Serieuzer gezegd: dit soort prediking zal bij ons op grote bezwaren stuiten. Ik heb overigens de indruk dat dit genre in de CGK slechts incidenteel voorkomt.
- Ik meen dat sommigen onder ons hun critiek op prof. dr B. J. Oosterhoff moeten matigen. Prof. Oosterhoff en de CGK hebben er recht op dat onzerzijds ernst gemaakt wordt met de beslissing van de CG Synode van Hoogeveen, die met algemene stemmen een concensus aanvaardde, waarin werd uitgesproken "dat de opvattingen van prof. Oosterhoff voor zijn rekening kunnen worden gelaten onder erkenning van zijn volstrekte trouw aan Schrift en belijdenis". Mijns inziens was deze uitspraak volkomen terecht. De hermeneutische vragen (hermeneutiek is de leer van het vertolken van de Schrift) rond Genesis zijn moeilijker dan sommigen ons willen doen geloven.
- We zouden de CGK kunnen vragen de voorwaarden voor kanselruil te versoepelen. Bij de huidige regeling mogen alleen die predikanten en kerken daarvan genieten, bij wie alles plaatselijk in orde kwam. Daarmee worden die predikanten die daar door verhuizing niet meer bij horen en die kerken, die graag zouden willen meedoen, maar een nietgewillige partnerkerk hebben daarvan buitengesloten.
- Er zijn stellig meer punten te noemen. Het belangrijkste wat we in de komende tijd echter te doen krijgen is de bezinning over onze opstelling t.o.v. de rechtervleugel in de CGK.
Onze opstelling ten opzichte van uiterst rechts
Om te beginnen mag men stellen, dat een eventuele federatie met de CGK binnen die kring geen nieuwe problemen zou scheppen. Alleen een uitbreiding van een reeds bestaand probleem. Namelijk dat van de gesloten kansels. Wij zouden heel zakelijk kunnen zeggen: "U hebt zulke situaties al.
Neem ons er nu ook maar bij". Wel zou de rechtervleugel zich numeriek in de knel gebracht kunnen voelen, maar de Bewaar het Pand gemeenten zouden van een federatie met onze kerken niet anders worden. Ze zouden er nauwelijks of niet door worden beïnvloed. Andersom zou dat ook niet het geval zijn. Natuurlijk zou dat betekenen dat wij - omdat we ons praktisch (!) slechts aansluiten bij een modaliteit van de CGK, gesteld worden onder een uiterst trieste situatie. De vraag is: zijn onze kerken daartoe bereid? Breukelen gaf daarop met algemene stemmen antwoord. De vergadering sprak uit dat men alle CGK wilde aanvaarden als ware kerken van de Here Jezus Christus en dat men alle CG predikanten wilde aanvaarden als dienaren van Christus, ook al zou het toelaten van elkanders predikanten en het openen van de avondmaalstafels praktisch onmogelijk zijn. De vraag blijft: willen wij elkanders lasten dragen? We zullen de kerken en broeders ter rechter zijde duidelijk moeten maken, dat het geen ogenblik onze bedoeling is te fungeren als het koekoeksjong in het CG nest.
Hoe denken wij ons op te stellen bij een nauwer samengaan? Stellig zullen we alle bescheidenheid in acht nemen en ons niet naar voren dringen in de discussies. We kennen de taal waarin deze gesprekken gevoerd worden soms zelfs niet. Toch zullen we iets zinnigs kunnen doen, als ons de kans gegeven wordt. De werken van br. A. Janse (ik denk aan Van de Rechtvaardigen en Lourens Ingelse om er maar twee te noemen) zijn in onze kring gelezen en herlezen. Van het werk van dr J. G. Woelderink namen we met meer dan gewone belangstelling kennis. Maar meer nog dan aan deze inbreng denk ik aan een advies van prof. dr K. Schilder, eens gegeven op een college. Hij zei: "Mijne heren, als u ooit beroepen wordt in een mystieke gemeente (en K.S. wist wat dat was!), ga dan eerst een jaar met de mensen meespreken. Zeg dat de Here het moet doen! Zeg dat wij allen dood zijn in zonden en misdaden. Het is immers zo! U zult het zo nodig hebben om vertrouwen te winnen. Pas daarna kunt u de gemeente opbouwen." Er zou mij alles aan gelegen zijn als wij alle CG gemeenten ervan konden overtuigen dat wat we neerschreven in de Gemeenschappelijke Verklaring over de Toe-eigening des heils, onze diepe overtuiging is.
En dat het - zij het in mogelijk wat moderner taal - voortdurend onderwerp is van de verkondiging. Nog steeds bestaat over ons het misverstand onder woorden gebracht door een CG kerk die van een plaatselijke NG kerk zei: ,Ze denken: we zijn allemaal bondelingen en dus zijn we allemaal hemelburgers !". Het moet in heel onze prediking duidelijk worden dat we oog hebben voor de verschrikkelijke mogelijkheid dat de orthodoxe gemeente zegt: "Ik ben rijk ... en ik heb aan niets gebrek", terwijl de Here zegt: "Ik zal u uit mijn mond spuwen", Opb. 3 : 18. Zie ook 3 : 1 en Amos 3 : 2. Kortom: het mag niet aan ons liggen als deze groep (zoals ds Velema mogelijk achtte) zich sektarisch gedragen zou.