Een doorn in het vlees

1982-06-25
  • Jaargang 26
  • nummer 25
Hans de Vries uit Elburg, gewezen dienaar des Woords, werd een dezer dagen van ons weggenomen. Ons werd gevraagd een woord aan hem te wijden. Wat voor een woord? Een biografie? Een necrologie? Een opsomming van zijn deugden met weglating van zijn ondeugden? Een beoordeling, een rouwklacht of een zaligspreking? Laten we iets over hem mogen vertellen. Want Hans de Vries was een begenadigd mens. Ook een interessant mens. Toegerust met een scherpzinnigheid en opmerkzaamheid, om jaloers op te worden.
Daarbij kunstzinnig, breed ontwikkeld, charmant en aristocratisch van karakter.

Kwam je bij hem na een buitenlandse reis, dan waren zijn vragen snel en trefzeker - alsof hij alles controleren wilde wat hij gehoord en gelezen had. Wie met een boek over de ijstijden bij hem kwam, of met een publicatie over de ark van Noach, met een artikel over de piramiden of een verhaal over de Chinese prahistorie, de Edda of de ecologie zijn oren stonden open, zijn ogen tintelden en zijn mond ging pas open wanneer de ander uitverteld was. Hij bezat de genealogie, die de afstamming van het Britse koningshuis uit het koningsgeslacht van David aantoont. Over vlinders, vogels, postzegels, fossielen en gesteenten had hij een onbegrijpelijke kennis.

Hij wist waar hij over sprak en wist vooral critisch te onderscheiden. Een man die onbevooroordeeld open stond voor Gods rijke schepping - maar vooral voor de Schepper zelf. Iemand die geen voet van het fundament van de apostelen en profeten zou prijsgeven voor een portie wetenschap; maar ook iemand die juist als gelovige gretig open stond voor alle wetenschap.
En daarbij een theoloog (ook dat) maar vooral een herder en leraar. Een Schriftgeleerde, die uit zijn voorraad oude en nieuwe schatten wist te delven - al wist hij zijn grote kennis nederig te bemantelen met een simpele verwijzing naar de Bijbel. Iemand, die opmerkelijke resultaten van persoonlijke Schriftstudie wist door te geven.

Wij spraken over de jaren waarin we hem leerden kennen; dat is vanaf 1970 ongeveer. Voor die tijd - och laat het maar even vermeld zijn. Hij was geboren 30 maart 1928 als zoon van de in onze kringen bekende majoor C. C. de Vries; zijn moeder is een Callenbach. Hij was een schoonzoon van de bekende ds Jan van Dijk van Schildwolde. April 1957 begon hij zijn ambt als predikant te Sneek, een maand na zijn huwelijk. Na vier jaar werd dat Veendam, na opnieuw vier jaar werd het Nijverdal - maar binnen vier jaar moest hij wegens een ongeneeslijke ziekte emeritaat aanvaarden.

Een mislukt leven? Alles behalve dat. Hij vestigde zich te Elburg, dat binnen de kerkelijke gemeente van Nunspeet valt. Daar floreerde zijn kleine gezin in zijn goede dagen - of leed met hem mee in de periodieke aanvallen van onzegbare hoofdpijnen. Hoofdpijnen, die hem het denken en spreken onmogelijk maakten. Hoofdpijnen, die hem deden verlangen naar de dag, waarop hij voorgoed van deze doorn in zijn vlees zou worden verlost. Bij ons voorlaatste bezoek, vier maanden geleden, werd de vraag: hoe gaat het? beantwoord met: "het gaat de góede kant uit, zij het niet de kant die de meeste mensen daarmee bedoelen". En nauwelijks hersteld van een aanval stond hij weer open voor de medemens; dankbaar voor elke gezonde dag. Klaar om te luisteren, zonder aandacht te vragen. Klaar om te steunen, zonder zelf steun te zoeken. Klaar om raad te geven, zonder anderen met zijn noden lastig te vallen. Klaar om te bemoedigen, uit de rijkdom van zijn christelijke levensmoed. Zo werden de bezoeken, bij hem doorgebracht, altijd een verrijking van je geest en je geestelijk leven. Van Hans ging een blijdschap uit, nauwelijks getemperd door zijn "gestadig sterven"; een blijdschap, die vooruitgreep op de komende vervulling van al Gods beloften.

Op 27 januari 1974 preekte hij te Nunspeet over de door Paulus genoemde "doorn in het vlees".
Wat dit dan ook geweest moge zijn - het was een belemmering voor Paulus, om onafhankelijk en hoogmoedig te worden. Zo ervoer Hans de Vries de hem opgelegde ziekte: hij "had er weet van". Zo werd hij bewaard voor hoogmoed - ook voor moedeloosheid; want zijn kastijding kwam uit een trouwe Vaderhand.

Paulus spreekt ook over christelijke fijngevoeligheid: die weet te onderscheiden waar het op aan komt. Een fijngevoeligheid die weet, waar de naaste moet worden ontzien; ook weet waar hij aangesproken, aangepakt moet worden. Want zachte heelmeesters mogen stinkende wonden maken een goede heelmeester doet alleen goed. Zo wist hij feilloos de broeder in Christus te onderscheiden van de schijnheilige huichelaar, van wie hij diepe afkeer had.

Daarbij was deze actieve christen een steunpilaar in de kerk; gelijk naar zijn mening alle oud-ambtsdragers behoren te zijn. Niet alleen klaar om catechisatie te geven, in de eredienst voor te gaan of een Bijbelkring te leiden - alles "ten dele" en onder voorbehoud dat zijn toestand het alsdan mogelijk zou maken - maar ook een toeverlaat voor hulpzoekende ambtsdragers en gemeenteleden, die hen bemoedigde, corrigeerde en met nieuwe blijdschap en moed heenzond.

Een helder licht, stralend in wijde omgeving, gevoed uit eeuwige bronnen. Wetend dat de tijd kort is: geladen, gewichtig, beslissend. Er moet nog veel gedaan worden. Hans heeft het zijne gedaan. Laten we God danken, die zulke sterren onder ons laat stralen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief