De christen in de politiek (4)
1981-05-22
Behalve dat ik nog in de schuld stond bij de heer Kadijk, had ik vorig jaar in het kader van het kernwapendebat in ons blad ook nog een belofte gedaan aan de schrijver Ivan een 'Ingezonden', de heer J. A. Venderbos. Deze had in zijn stuk een uitlating van de heer J. Haeck overgenomen, die ik hier verkort weergeef: "Als wij kiezen voor de weg die ons steeds meer wordt gewezen, eenzijdige ontwapening en kernwapens de wereld uit, dan dienen wij ons te realiseren, dat wij de woestijn ingaan... Maar heeft de geschiedenis ons niet met veel voorbeelden laten zien dat God daar zijn Gemeente een tafel aanricht?"- Jaargang 25
- nummer 20
Ik gaf daarop dit kommentaar: "Men krijgt hier de indruk, dat de christelijke gemeente tot dusver bewapend was en daarvan nu nodig àf moet. Er gaat een belangrijk stuk helderheid van denken verloren, als we het inzicht opgeven dat Kerk en staat eik een onderscheiden ambt hebben." De heer Venderbos schreef terug, dat hij deze opmerking niet begreep. "Een onderscheiden ambt betekent toch geen (Lutherse) twee-rijken-leer?
De gevolgen daarvan hebben we gezien in de houding van sommige orthodoxe protestanten tijdens Hitler-Duitsland." En toen ik weer in een naschrift: "Over dat laatste moet 't nog maar eens afzonderlijk gaan. Dat houden de lezers dus nog te goed." Ik zet me er nu toe, deze belofte in te lossen.
Bij al het foute en gebrekkige dat de Lutherse en ook meer in het algemeen de Middeleeuwse leer van de twee rijken aankleeft, wil ik toch eens hardop mijn bewondering voor de Kerk van destijds uitspreken, dat zij, toen daar eigenlijk zoveel aanleiding toe bestond, religie en politiek niet heeft laten samenvallen.
Aanleiding? Ja zeker, want Europa was volksgewijs gekerstend. Men is er wel eens na aan toe geweest om dat wèl te doen, maar steeds was er toch het besef dat dat twee onderscheiden grootheden zijn: religie en politiek. Ons, mensen van deze tijd, komt het wellicht vanzelfsprekend voor dat een Augustinus het verschil stelde tussen de Civitas Dei (de staat Gods) en de civitas terrena (het aardse bestel), maar ik denk dat het in de hoge middeleeuwen, toen de paus de duitse keizer op de knieën dwong, een uiterste krachtsinspanning gevergd heeft om bij dat verschil te blijven. Met bewondering stel ik vast dat men religie en politiek nimmer heeft laten samenvallen.
Terwijl men er in onze tijd, nu daartoe eigenlijk geen enkele aanleiding meer bestaat, steeds meer toe overgaat om de twee gemeden van godsdienst en politiek in elkaar te schuiven en re doen samenvallen. "U bedoelt nu zeker het politiek wonen van de religie in de laatste jaren?"
Zeker heb ik dat verschijnsel op het oog, maar belangrijker nog lijkt mij het omgekeerde dat de politiek steeds meer religieus wordt. Pseudo-religieus dan, wei te verstaan.
De ideologie van de zelfverlossing krijgt in toenemende mate vat op de politiek. Politieke leuzen zijn vandaag belijdenissen die van dat geloof in zelfverlossing getuigenis afleggen.
De lezer kijkt misschien vreemd op bij het vernemen van het opmerkelijke nieuws dat de politiek van vandaag zo religieus is. Is de politiek niet een min of meer neutraal veld, waarop niet-christenen en christenen elkaar met hun verschillende kijk en inbreng ontmoeten?
Dat is inderdaad nog niet helemaal over. Die betrekkelijke neutraliteit had het politieke veld overigens te danken aan het boven door mij met bewondering vastgestelde feit dat de middeleeuwen met hun bekende tweedeling enige terughoudendheid in de politiek betracht hebben. Het politieke was daardoor in het christelijke Westen weinig ideologisch gevuld. De scheiding tussen Kerk en staat voltrok zich daardoor in het tijdperk van de sekularisatie betrekkelijk gemakkelijk.
Maar aan die neutraliteit van de politieke wereld begint nu snel een einde te komen. Er zijn nu ideologieën in opkomst die veel meer aardsgericht zijn dat het bijbelse geloof en die daarom de betrekkelijke zelfstandigheid van het politieke bedrijf veel minder zullen ontzien.
De politiek stroomt vol met pseudo-religie en raakt ideologisch behekst; zij stelt zich tot taak de wereld te doen overleven en dat is zonder enige twijfel een religieuze doelstelling, Dat bedoel ik met het religieus worden van de politiek.
Mijn bezwaar is nu, dat veel chris tenen hierin argeloos meegaan. Zij stellen er zich niet langer tevreden mee dat de politiek in alle nuchterheid en zakelijkheid een beperkt doel heeft na te streven, namelijk het zo goed mogelijk in stand houden van deze wereld, - nee, ze gaan mee in die overlevinigs-ideologie en die zelfverlossingswaan en trachten van daaruit als om strijd aan te tonen, dat de bijbel ook best aardsgericht is en daarom in de ideologische behoefte van de huidige politiek ruimschoots kan voorzien. Zij zien daarbij m.i. volledig over het hoofd wat Paulus aan de Philippenzen (3 : 20), niet maar als een geïsoleerd 'teksie' maar als uitdrukking van een overal bij hem aanwezige besef, schreef: wij zijn burgers van een rijk in de hemelen. Oude mens èn nieuwe mens, deze eeuw èn de toekomende eeuw, - het zijn toch de scharnier-punten waarom Paulus' brieven draaien? Hoe kan men daar opeens zo aan voorbij zien? Wat is dat voor een verjoodsing van ons geloof?
Verjoodsing? Inderdaad doet mij veel christelijke politieke aktie denken aan de joodse vrijheidsoorlog tegen de romeinse dreiging in de eerste eeuw. Daar had je nu de vereenzelviging van religie en politiek ten voeten uit: een volstrekt hiernumalige overlevingsideologie, gedreven door religieuze motieven.
Had David ten tijde van de hoge middeleeuwen van Israël nog priesters naast zich en profeten (soms) tegenover zich, de fanatici in het Jeruzalem van rondom het jaar zeventig na Christus werden door niets geremd. Bij hen vielen religie en politiek geheel samen.
De christenen hebben zich in die dagen het woord van Jezus herinnerd: "Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is.
Laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen, en die op het land zijn, er niet binnengaan, want dit zijn de dagen der vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat" (Luk. 21: 20 v.v.). De opvolging van dit advies is hun door hun joodse volksgenoten zeer kwalijk genomen. Het betekende immers een breuk in de solidariteit?
Maar konden ze eigenlijk wel anders? De joodse overlevingsideologie vullen met hun geloof in Jezus Christus, zouden ze daarmee de nieuwe wijn van het Koninkrijk der hemelen niet gedaan hebben in de oude zakken van de politiek van deze wereld?
Dorothee Sölle heeft gezegd: Ich glaube an die Zukunft dieser Welt Gottes - ik geloof in de toekomst van deze wereld die van God is. Dit geloof is voor haar de moderne weergave van het laatste geloefsartikel in de belijdenis van Nicea: (ik geloof) het leven der toekomende eeuw. Hier vinden we de overgang die veel ohristenen de laatste tijd gemaakt hebben, op een korte, rake formule gebracht. De overgang van de verwachting der toekomende eeuw naar de hoop voor deze eeuw.
Tegen de achtergrond van deze zin van Sölle wordt veel duidelijk van wat zich vandaag als bij uitstek christelijke politiek aandient. Tevredenheid (de ekonomie van het genoeg), weerloosheid (de kernwapens de wereld uit), soberheid wind- i.p.v. kernenergie) en reinheid (alsof de aarde al nieuwe aarde is moet daaruit alle besmeuring door industriële of militaire projecten weggehouden worden) moeten deze wereld doen overleven. Niet dat men streeft naar beperking van het dreigende op genoemde gebieden is hier het kenmerkende (want daaraan moet elke verstandige politiek werken), nee, de ideologische vermenging van religie en politiek is op te maken uit de radikaliteit waarmee vermelde politieke issues gedreven worden. Religieuze waarden worden buiten het geloof om op de politiek geënt. Volgens dit recept dat ik eens opving (zag? las?) uit de mond van Martin Luther King (ik kan helaas niet meer letterlijk citeren): "Gegeven het feit dat de Amerikaanse bevolking in meerderheid niet meer in het evangelie gelooft, is mijn vraag wat ik dan tóeh nog met dat evangelie kan bereiken in de Amerikaanse samenleving."
Met deze vraag was de bekende dominee op een ongeoorloofde wijze tot politicus geworden: Martin Luther werd 'king' (= politieke figuur). Velen hebben hem dat nagedaan. Ik zeg niet dat door dit politiek worden van theologen of gelovigen de situatie is ontstaan, dat de politiek vandaag zo religieus wordt. Nee, dat laatste was eerst.
Het kan niet anders of de politieke wereld-in-nood wordt na een kortstondige neutraliteit (van de franse revolutie tot heden) pseudoreligieus.
Pas vervolgens hebben daaraan vele gelovigen zich aangepast door het evangelie politiek te gaan lezen.
Gelet nu op deze ontwikkeling acht ik de onderscheiding tussen religie en politiek vandaag meer dan nodig.
Reeds in de tijd dat Europa uit gekerstende volken bestond was deze onderscheiding zinvol. In toegespitste bruikbaarheid kwam zij naar voren gedurende het tijdperk van de sekularisatie, die een kortstondige neutrale staat heeft opgeleverd, gescheiden van de Kerk.
Maar nu in onze dagen zie ik het tussen de christelijke religie en de politiek op een scheiding uitlopen, in de mate namelijk waarin de politiek het instrument wordt van de overlevings-ideologie. Het advies van Jezus (zie boven) zal dan een nieuwe actualiteit krijgen.
Toch is het zover nog niet. Wij moeten rekenen met een tijd waarin de christen nog een eigenaardige taak in het politieke leven te vervullen krijgt. Maar daarover een volgende en laatste maal.