LEVEND WATER

1981-06-05
  • Jaargang 25
  • nummer 22
Als u eens in Voorburg bent moet u bepaald binnenlopen in de gereformeerde Fonteinkerk. U ziet daar, behalve een piekfijn Flentrop-orgel in een modern arastick interieurveen kleine vijver aan de voet van de preekstoel.
Daarin een fontein van levend water. Zo ongeveer op de plaats waar u een doopvont zou verwachten.

In die vijver stroomt water, bewegend water, levend water. Als er gedoopt wordt is het water zelfs, geleid langs de verwarmingsbuizen, minder kil dan verwacht wordt. Het levende water in Voorburg spreekt van de doop tot afwassing van onze zonden, sterker dan een verchroomd glanzend bekken op eiken piedestal kan doen. En waarom?

Reeds in de woestijn, gaande van Egypte naar het Beloofde Land, is aan het volk Israël geleerd een rein volk te zijn. Gods genadige uitverkiezing verplichtte het, om heilig, rein, kosjer te leven. Vandaar dat wassen van handen en voeten voor het eten, die wassingen na verontreiniging. Een reeks van strenge voorschriften werd zo nauwkeurig beoefend, dat de oorspronkelijke bedoeling - onze heiligheid omdat God heilig is - langzamerhand werd vergeten. En toch zat achter die reiniging zulk een stuk genadeverkondiging, dat allen die in stilstaand water gedoopt zijn er wel eens aandacht aan mogen geven.

Lang voordat Johannes aan de Jordaan doopte was de doop in levend water al bekend. U kent natuurlijk de proselietendoop. die bekeerde heidenen bij het Jodendom inlijfde en hun de naam van Sions kinderen deed dragen.

Maar de secte der Essenen aan de NW.oever van de Dode Zee wonend en bekend geworden door een bibliotheek, die in de vijftiger jaren als de Oumran-rollen werd ontdekt, kende de doop in een zeer bizondere betekenis.

Die Essenen woonden daar vanaf de tweede eeuw voor Christus tot het jaar 68 n.C. en men had daar een dubbele doop, (In 68 n.C. zijn ze met medeneming van een deel der rollen naar Masada gevlucht, waar ze het verzet tegen de Romeinen nog drie jaar volhielden.)

Welnu, in die Oumran-ruïnes is een doophuis ontdekt, dat uit twee baden bestond. Het eerste bevatte stilstaand water en diende tot de bekende reiniging van banden en voeten; een uitwendig waterbad zogezeid. Het tweede bad kreeg levend water, dat vanuit het heuvelachtige achterland werd aangevoerd. Dat tweede bad had geestelijke betekenis: was een teken van bekering omdat het koninkrijk der hemelen nabij werd geacht te zijn.
Die tweede doop werd pas bediend aan wie zijn zonden beleed en zich van ganser harte tot God de Heere bekeerde.

Ook in Masada, de Zuidelijke vesting waarheen de Essenen met de Zeloten zijn gevlucht, trof men in de vijftiger jaren een doophuis aan, zelfs met drie waterbassins. Het eerste was om het schaarse regenwater te bewaren, dat als 'levend water mocht worden beschouwd. Het tweede bevatte stilstaand water en diende voor de gewone wassingen, als door de wet voorgeschreven. Het laatste was voor de (doop door onderdompeling in levend water. Voorafgaand aan de doop werd een verbinding tussen het reservoir met "levend water" en het doopbad even opengezet, waardoor het weinige 'levende water het gehele doopbad zou zuiveren. Op een kurkdroge rots in de felle zonneschijn werden dopen bediend, als door de orde voorgeschreven. Rituele Joden hebben de maten opgenomen en vastgesteld, dat het doopbad aan de verordeningen voldeed en verreweg het oudste rituele Joodse doopbad is geweest. (Later is op Masada zelfs nog een tweede doophuis ontdekt, van dezelfde samenstelling.)

Toen Johannes de Doper optrad bracht hij in feite dezelfde boodschap als waardoor de Essenen waren bezeten: bekeert u want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. En wie zijn zonde beleed, zich metterdaad en van harte tot de God des hemels bekeerde, werd gedoopt tot afwassing van zijn zonden. Dat was als een voorbereiding tot Gods 'koninkrijk Een doop met levend water, bewegend water, zuiver water.

Tegen de Farizeeërs, die zich door Johannes wilden laten dopen - ronder enige hinder van zondebesef, alleen om geen enkele religieuze nouveauté te missen - is Johannes uitgevaren met het scheldwoord: addergebroed!
Wie heeft je geraden op deze wijze de toorn van God te ontlopen?

Geen wonder dat wel eens beweerd wordt, dat Johannes zijn opleiding in het nabijgelegen Qumran, bij de orde der Essenen zou hebben genoten.
De inhoud van zijn preek was dezelfde als van de Essenen; die inhoud was goed, want werd door de Heiland direct overgenomen, nadat Johannes gedood was. Maar ... Johannes ging verder dan de Essenen. Die Essenen verwachtten het koninkrijk Gods in de nabije toekomst, maar Johannes wees het Lam Gods met zijn vinger aan: Die daar neemt de zonden der wereld pas werkelijk weg. Hij wees het doel van zijn doop - de
betekende zaak van het sacrament, zeggen onze theologen - aan: ziedaar de Redder der wereld. De doop van Johannes was geen theologische twistappel, maar de klaroenstoot voor ons heil in Christus.

Terug naar het levende water. Reeds eeuwen eerder hadden de inwoners van Jerusalem de beschikking over levend water: door de waterleiding van Hizkia werd beekwater van ver buiten de stad door een ondergrondse tunnel binnengevoerd. Het kwam in de Koninklijke paleis tuin en in het bad van Siloam. De stad, het heiligdom, de woning van God, de allerhoogste Koning, werd in haar muren t'allen tijd door beekjes der rivier verblijd. De waterleiding bestaat nog en er is maar weinig vertoop (áls er water genoeg is) zodat de wateren van Siloam "zachtkens vloeien", naar Jesaja zei. Toch - zachtkens of snel- het water vloeide, was lévend water.
Dit in tegenstelling tot stilstaand water, dat door vervuiling en vegetatie spoedig troebel wordt. En van stilstaande poelen zegt de Bijbel niet veel goeds.

Jesaja en Jeremia hebben herhaaldelijk gesproken van Gods heil - als het heil van waterbeken, van levend water. Psalm 23 beweegt zich om een beek. Psalm 1 spreekt er van. De profeet Ezechiël zag in een visioen een rivier stromen uit de tempel - zoals Johannes het zag in de Openbaring.
Geen wonder dat ook de Heiland meermalen sprak van levend water: bijvoorbeeld tegen de vrouw uit Samaria. En vooral is zijn uitspraak op het loofhuttenfeest (Joh. 7 : 37, 38) belangrijk.

Op de laatste dag van het loofhuttenfeest, de "grote dag", riep Jezus deze woorden: "die in Mij gelooft, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien". - Zeven dagen aaneen hadden de Joden water geplengd, als herinnering aan het water dat God in de woestijn uiteen rots deed stromen; daarbij waren Jesaja's woorden uitgesproken: "ge zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heiis". En op de achtste dag riep Jezus, dat wie in Hem gelooft geen consument van levend water meer zal zijn - maar zei! het levend water zal produceren!

Dát was groot nieuws! Tegen de Samaritaanse vrouw had Jezus ook al gesproken over water des levens, dat tot een eeuwigdurende fontein zou worden voor wie het genoot. Maar nu was het openbaar, in het religieuze centrum van een religieus volk, dat Hij zijn boodschap uitsprak. Vlak voor zijn dood, als een testament. Dat was geen woordenspel, geen omkering van een thema. Dat zei Hij, zegt Johannes later, sprekende van de Geest.
Die Geest, uitgestort door de Vader en Zoon tesamen, zou de ontvangers activeren tot geestelijke mensen, daders des woords, die geestelijke daden zouden verrichten.

Zo belangrijk is levend water, water des levens. De mens heeft in zijn zoeken naar wijsheid, goud en eeuwig leven, de alcoholhoudende dranken gevonden. Gisten geest zijn van huis uit dezelfde woorden. Spiritus betekent aloohol en betekent ook geest. De sterke drank wordt in diverse talen dan ook water-des-levens genoemd: eau-de-vie, wodka, aquavite, akvavit, uisge beatha (whisky). Genoeg om aan te geven, dat allerlei volkeren naar het water des levens hebben gegrepen. Ze grepen mis - want hun producten brengen niet het eeuwige leven, hebben niets gemeen met de Geest met een hoofdletter.

Maar het enige levende water, water des levens zonder accijns en omzetbelasting, zonder prijs en opcenten, wordt door Gods Geest geschonken.
Het maakt ons tot springaders van de Geest, tot levende werktuigen, tot uitdelers van Gods vele genadegaven, tot mede-arbeiders van zijn koninkrijk.

De doop is daarom zulk een veelbelovend symbool. Laat een volk zijn doop verstaan en het is behouden, zei een vader van de Afscheiding. Dat hebben ze in Voorburg goed begrepen. De doop is de illustratie bij Gods Woord; maakt duidelijk wat in woorden was vervat, En het levende water (zonder de doop uit een doopbekken tot een niet-volle doop te reduceren) toont duidelijker dan ooit, dat alleen het levende water van Gods Geest ons wast van elke zonde, ja van zondebesef.

De doop is meer dan een theologische twistappel, een shibboleth om tot het juiste groepje te mogen behoren. De doop is de dood voor onze zonden, ons opstaan tot een nieuw leven: om doorstroomd te worden van Gods Geest, die ons beloofd is. Zo worden wij zelf tot fonteinen van heil voor een wereld, die van dorst versmacht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief