Moeder onze kraai is dood
1981-06-19
- Jaargang 25
- nummer 24
Er wordt steeds meer gesproken en geschreven over de achteruitgang, de vervuiling van ons leefmilieu. Bij oudere mensen is dat onderwerp niet zo vaak aan de orde (Het zal mijn tijd nog wel duren) maar onder jonge mensen wordt dikwijls heftig over deze, toch wel heel ernstige zaak gediscussieerd. Dat is boot te begrijpen. Zij vragen zich af wat zij, en later hun kinderen, zullen gaan beleven in een land dat steeds meer verstedelijkt, waar de bossen plaats moeten maken Voor wegen, waar de grote rivieren steeds vuiler worden en de fabrieken hoe langer hoe meer giftige stoffen kwijt moeten.
Dat deze aangrijpende zaken ook dichters niet met rust laten is vanzelfsprekend.
Bij de uitgeverij "Kosmos" is een bundel uitgekomen met als titel: "Moeder onze kraai is dood" (ja kind we kopen een nieuwe).
Het hoofdonderwerp is, de achteruitgang van ons leefmilieu. Op de voorzijde van de omslag staat een heel knappe tekening van een kraai die aan een kruis is genageld en op bijna elke bladzijde staan onlder of naast de gedichten erg pakkende tekeningen, De gedichten zijn van Wil van Zijl, de tekeningen van Piel van der Veen.
Om U enig idee te geven van de wijze waarop dit, toch wel aangrijpende onderwerp wordt verwoord, laat ik nu eerst de dichter aan het woord.
klaaglied van een bioloog (psalm 151)
heer-
oudtestamentische rampspoed is over ons gekomen: ziekten en plagen als in de dagen der farao's
bezoeken ons en steeds opnieuw worden wij opgeschrikt
door berichten over onverklaarbare sterfte
onder planten dieren en soms mensen
heel uw schepping is aangetast door bederf
en middelen daartegen baten ons niet
steden der wereld verstikken door giftige dampen
en al onze waterwegen zijn tot open riolen geworden een verdorde woestijn - ja erger
staat onze kinderen te wachten
toch wil niemand zien
toch wil niemand horen
want allen kennen
maar één gedachte:
rijkdom en welvaart
en vermeerdering van bezit
tot in lengte van dagen
gij kent onze bekommernis
en slaat acht op onze wanhoop
gij ziet onze strijd
om het behoud van uw schepping
open de ogen van wie niet wil zien
open de oren van wie niet wil horen
opdat wat ons rest
niet verloren zal gaan
De titel van dit gedicht vind ik biezonder knap. Klaaglied van een bioloog, een man wiens studie gerucht is op al wat er leeft op aarde. De mensen, de dieren en de planten.
Zo'n mens heft een klaaglied aan als hij, telkens weer, niet wat er met de schepping aan de hand is Hij noemt dat klaaglied "psalm 151". Er is ook vandaag reden om een psalm aan te heffen die roept om hulp van boven, voor nu en de toekomst, Ook de plannenmakers, de "planocraten" komen aan de orde:
Planocratie
ze weten het zo goed
de planocraten
de heersers over regio
en dorp en stad:
ze meten het leven op
en delen het door ruimte
voor elke ziel
berekenen ze dat
dus zoveel delen lucht
voor 't ademhalen
en zoveel meter
om te liggen zitten staan
en zoveel om
wat heen en weer te lopen
om naar de snackbar
of de supermarkt
te gaan
Ook het probleem dat de steeds toenemende mogelijkheden om te studeren gaat opleveren, komt aan de orde. Zullen er straks nog mensen zijn te vinden voor het minder mooie werk? Zullen er nog vuilnismannen langs de deur komen?
Vuilnisman
wie wil in deze tijd
van iq-verering
en
universiteit-voor-iedereen gedachte
nog vuilnisman zijn?
gaat hij een cursus volgen
ivio-vorming van volwassenen -
of wordt hij door het
glanzend oog
van teleac gezien
dan is het uit
met de pet
Knap gezegd: Niet: uit met de pret, maar uit met de pet. Op de kortst mogelijke manier gezegd: Je krijgt straks niemand meer voor het éénvoudige werk.
Tot slot nog een vrij 'lang gedicht over de toekomst, Maar ik wil het U niet onthouden, omdat het tooh wel heel biezonder de bundel typeert
Eschatologisch
de witter - dan - wit was
ligt keurig in de linnenkast
maar niemand komt om verschoning
vergeler en grauwsluier
zijn niet langer neurotiserende factoren
op wasdag –
want alle reclame heeft afgedaan
in de gootsteen spelen
overjarige bacteriën 'witte tornado'
(die ene procent van vim - met - chlorax, vandaar)
meubelen-met-pledge
worden dof en doffer
en de vaponastrip - die van Shell
schommelt zacht boven het bankstel
met de fantasiefiguren
houtwormen doen zich te goed
dat wel
op de vensterbank zitten
kruipdoorsluipdoor
wanstaltige rupsen
nog net ontkomen aan malathion
en buiten staan brandnetels
als harige bomen
voor het verlaten open raam
het lieve - heers - beestje
mag na trouwe dienst
rusten pootjes omhoog
en geen luilekkerland meer
tussen de rozen
want:
het was morgen geweest
het was avond geweest
en het was zo doodstil
op aarde
dat god zich erover verbaasde
U bemerkt het wel, de dichter is niet bepaald optimistisch. De bundel zet je toch aan het nadenken. Blijft de vraag: Hoe voorkomen we de grote vervuiling?