Kerk – huis van mensen

2011-12-23
  • Jaargang 55
  • nummer 25
‘Kon je het weer niet laten?’, zegt mijn vrouw, zittend op de trappen voor de kerk. Ik zet mijn hoed op tegen de zon.
‘Nee,’ zeg ik, ‘ik kon het niet laten.’ Ook afgelopen zomer heb ik weer veel kerken en kerkjes gezien. Kathedralen, kleine dorpskerkjes, kloosterkerken, een kapelletje ergens op een heuvel. Ik kan ze me zelfs lang niet meer allemaal afzonderlijk herinneren. In mijn herinnering vloeien ze samen tot één kerk, één gebouw, één beeld. Ik ben er niet alleen. Het is er druk.

In de vloer bevindt zich een mozaïek van het hemelse Jeruzalem.
Het ligt er al eeuwen en is door de tijd beschadigd. Maar nog is erin herkenbaar de idealen en hun dromen van mensen, en alles waar ze naar hunkeren, waarnaar ze hartstochtelijk verlangen.
Ik sluit me bij hen aan in hun verlangen en laat me inspireren door hun droom die ook de mijne is: stad en land waar het leven goed is.

Aan de zijkant is een kapelletje. Er branden kaarsen. Terwijl ik daarnaar kijk steekt iemand een kaarsje aan, gebed zonder woorden. Er is immers zoveel in een mensenleven, waarvoor woorden niet toereikend zijn. De ervaring van het gemis van een geliefde. Angst voor de toekomst. Zorgen over je gezondheid. Verdriet vanwege een stukgelopen relatie en wat al niet. Moeiteloos voeg ik me en brand ook mijn kaarsje om wat ik niet zeggen kan, maar in al mijn hulpeloosheid en machteloosheid voor God neerleg. Het kaarsje lost niets op, maar het helpt wel.

Aan de wand hangen bordjes en schildjes. Soms met een datum. De data bestrijken meer dan honderd jaar. Achter elk bordje gaat een verhaal schuil, een gezicht van iemand die in nood verkeerde of vastgelopen was, van iemand die niet meer wist hoe het in zijn leven verder moest. En elk bordje is een getuigenis, dat aan nood en dood het laatste woord niet is. Mensen hebben dat ervaren en beleefd en hun verwondering en dankbaarheid daarover in steen gebeiteld.
En ik verwonder me met hen en zeg ook stil een ‘dankjewel’. In gedachten hangt ook mijn bordje daartussen.

Deze kerk is een huis van mensen. Mensen hebben er geleefd en daarvan de sporen nagelaten. En dat gaat maar door tot op de huidige dag. Ze hebben er gehoopt, gewanhoopt, gerouwd, gefeest, geloofd en getwijfeld. Deze kerk, een huis van mensen.

Collega legerpredikant Paul Brouwer schrijft over de kapel in het Nederlandse kamp bij Tarin Kowt (Uruzgan). Het is een (niet door kerkelijke autoriteiten) gewijde plek. Een plek van stilte en bezinning, van ontmoeting, een plek van verlangen en hoop. Een sobere plek met een icoon, een bijbel, kaarsen. Iedere zondag in gebruik voor de dienst van bezinning.
‘Drie weken later moeten we de kapel als condoleanceruimte inrichten. Mark en Jeroen zijn gesneuveld. Aangrijpende beelden staan op mijn netvlies gebrand. In het Pinksterweekeinde is de kapel opnieuw ingericht voor het afscheid van Luc. Opnieuw ben ik dankbaar dat juist in de kapel mensen hun verdriet en frustratie kunnen uiten.’ Deze kapel, een huis van mensen, gelovig en niet gelovig.

Ik denk aan de vele verschillende Nederlands Gereformeerde kerken, aan de multifunctionele ruimten, de zaaltjes en de aula’s. Wat is er terug te vinden van het leven van gewone mensen? Van hun verlangen en hun hoop, van hun geloof en hun twijfel, van hun dankbaarheid en teleurstelling?
Kunnen ze er terecht met hun verhalen?

Want een kerk die geen huis van mensen is, kan geen huis van God zijn.

Ds. Kees Smit is legerpredikant.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief