Hoe de kerk opnieuw missionair kan zijn

2011-12-23
  • Jaargang 55
  • nummer 25
Matthijs Vlaardingerbroek heeft een opmerkelijk boek geschreven. Hij is onder meer missionair werker en gemeentestichter in een achterstandswijk in Den Haag. Waar veel kerken missionair willen zijn door allerlei acties te bedenken en activiteiten te doen, zit de auteur op een heel ander spoor. En wil hij de kerken een spiegel voorhouden. Zijn stelling is: ‘Om anderen te winnen, moet je binnen beginnen.’

Bij het binnen beginnen is volgens hem de eerste, fundamentele vraag: ‘Wat is de unieke door God gegeven identiteit van een gemeente?’ Op de inspirerende conferentie ‘Grensverleggend missionair’ eind november poneerde hij bij deze stelling dat je altijd een huidige identiteit hebt en een gewenste. Maar die twee –ook die tweede! – hoeven niet de unieke door God gegeven identiteit te zijn. Naar die laatste moet je volgens hem op zoek gaan, hartstochtelijk. In veel kan ik hem volgen. Ik ben ook zeker enthousiast over het boek. Het zet je echt stil en dwingt je na te denken over wie je als gemeente bent en wie je wilt zijn. Wat betekent de gemeente waarvan ik lid ben, die ik dienen mag, voor onze omgeving?

Doen en denken
In Utrecht worstelen we nogal met deze vraag. En ik proef een zekere onmacht.
Natuurlijk, er gebeurt van alles, al is het grotendeels intern en voor elkaar. Maar naast alles wat we voor elkaar doen en betekenen, is er absoluut de wens om iets te betekenen voor de samenleving. Maar hoe?
Is het voldoende om jaarlijks een VBF (VakantieBijbelFeest) te organiseren?
En mensen uit te nodigen voor de kerstavond- en kerstochtenddienst?
Wat betekent het dat we als Jeruzalemkerk een straatpastor in dienst hebben? Alleen al door het boek te lezen word je gedwongen over je eigen leven en gemeente na te denken.
Naast dat het gemakkelijk leest, is de charme van het boek ook de eerlijkheid van de schrijver. Hij vertelt niet alleen maar succesverhalen.
Open benoemt hij ook mislukte projecten.
En dat maakt het ook een reëel boek.

Vragen
Toch heb ik wel wat vragen. Niet bedoeld om het boek daarmee weg te zetten. Zeker niet! Het is voor iedereen die wenst dat de christelijke kerk op z’n minst iets voor de omgeving wil betekenen van waarde. Lezen dus!
Dat neemt echter niet mijn vragen weg. Ik geloof zeker dat een gemeente een identiteit heeft. Mijn belangrijkste vraag hierbij is: Hoe kun je weten wat jouw unieke door God gegeven identiteit is? Het klinkt alsof dat, met flink wat zoeken, wel duidelijk is. Ik vraag me het af.
En daarbij heb ik ook wel andere vragen.
Als een gemeente dan een bepaalde identiteit heeft en denkt te weten wat de door God gegeven identiteit is, wie zegt dat dat niet juist een heel menselijke gedachte en wens is?
Het komt op mij voor een deel over als: wat goed bij mij en bij ons past, dat is of wordt onze identiteit. Wat doe je dan met je ‘zwakke’, minder goed ontwikkelde kanten?
En met de stelling over een door God gegeven identiteit, is nog iets aan de hand. Door het zo te stellen, suggereer je – en meer dan dat – dat iedere kerk of groep die er is, er terecht is.
De reden van ontstaan lijkt er niet toe te doen. Dat is mij eigenlijk net iets te gemakkelijk.

Missionaire kringen
Na de vraag naar de identiteit komt in het boek de vraag: Wat is onze missie als gemeente? Je missie vloeit immers voort uit je identiteit. Als je dat helder hebt, kun je verder vragen: Wat gaan we onze leden en onze omgeving beloven in het tot stand komen van onze missie? En als je dat hebt beantwoord, kun je kijken welk model voor jou werkt om de beloftes waar te maken. De droom van Vlaardingerbroek is dat elke gemeente uit een aantal missionaire kringen bestaat.
De mensen uit zo’n kring doen geen gemeentelijke taken, maar vormen een gemeenschap op zichzelf, die zich op anderen richt. De schrijver is er zeer van overtuigd dat het goed is dat mensen met elkaar zich toewijden aan een bepaalde doelgroep – bijvoorbeeld hangjongeren, Marokkaanse vrouwen, dak- en thuislozen, yuppen, hoogopgeleiden enzovoorts.
Hij voert dus het pleidooi om de mensen van zo’n missionaire groep vrij te stellen van taken binnen de gemeente.
Met het risico, dat hij ook zelf onder ogen ziet, dat de gemeente uit allerlei groepen bestaat, die uiteindelijk nog maar weinig met elkaar delen. Behalve de passie voor Jezus!
En daar gaat het om, dat geloof ik zeker. Tegelijk gaat het mij net wat te gemakkelijk om de gemeente zelf deels te amputeren, zo lijkt het wel.
Ieder doet zijn eigen geloofsmatige ding, maar de gezamenlijkheid, zeker in de diensten, wordt daarmee ook wel wat prijsgegeven, lijkt mij. Terwijl ik dat als een van de mooie dingen van de christelijke kerk ervaar. Dat je in geloof in Christus met mensen verbonden wordt, met wie je anders niet te maken zou hebben.

Onze betekenis
Tegelijk moet ik toegeven dat de theorie, het principe, anders is dan de praktijk. Veel kerken – de NGK niet in het minst – bestaan vrijwel geheel uit hoogopgeleide, welgestelde, blanke mensen. Wat is het moeilijk om als niet-hoogopgeleide, arme, niet-blanke je in een NGK thuis te voelen! Accepteren we dat stilzwijgend?
Zijn wij niet al blij als we de boel een beetje bij elkaar houden? Dat is al moeilijk genoeg. En verdwijnt daardoor niet de aandacht voor al die mensen die buiten de gemeente leven… Op mij doet het boek een dringend appel om het hier niet bij te laten.

Tips
Iets anders dat op de conferentie naar voren kwam, is dat je de identiteit van een (missionaire) gemeente nooit los kunt zien van de context waarin je leeft. Je kon in het middagdeel van de conferentie kiezen uit een aantal workshops. Ik koos voor het missionaire werk in de PKN. Daar stelde ds.
Hans van Ark, die zowel gemeentepredikant is als vrijgesteld voor een landelijke werkgroep die kerkenraden helpt bij het nadenken over vragen rond missionair zijn, dat het bij missionair-zijn om deze punten gaat:
1) Identiteit: ‘Wie ben je?’ Met deze tip. De vraag: ‘Wie zijn wij in ieder geval niet?’ kan hierbij helpen.
2) Leiderschap, dat niet moet hangen aan één persoon. Laat het een groepje mensen zijn die op een open manier leiding leven aan het proces, onder wie de predikant.
3) Gastvrijheid: mensen moeten zich welkom weten. Niet alleen bij de ingang van de kerk(zaal), maar ook in de kerk zelf.
4) Communicatie met betrekking tot beleid, allereerst intern, maar ook extern. Wees open en helder in wat je doet en wat je wilt.
Dit zijn de vier ‘officiële punten’. Van Ark voegde er op persoonlijke titel nog twee aan toe:
5) De muziek moet goed zijn.
6) Samen eten.

Zes belangrijke punten, zeker inderdaad ook de laatste twee! Belangrijk, ergens zo vanzelfsprekend. En tegelijk, zo ervaar ik, zo moeilijk. Heeft het niet vooral, zo zit ik te denken, met de vraag: Aan Wie wijd je je toe?
Staat Jezus werkelijk centraal in het leven van ieder van ons en in ons bestaan en doen als gemeente? Bij het lezen en overdenken van het belangrijke en mooie boek had ik nogal eens de vraag: ‘Heb ik hiervoor wel genoeg geloof?’ Wie durft op te staan?

N.a.v. Vlaardingerbroek, M. (2011), Grensverleggend. Hoe de kerk opnieuw missionair kan zijn. Heerenveen.
ISBN 9789063536374.

Mark Janssens is predikant van de NGK Utrecht (Jeruzalemkerk).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief