"Wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus"

1980-06-27
  • Jaargang 24
  • nummer 26
Rijken en armen
Bijna tegelijkertijd kwamen me twee artikelen onder ogen.
Het ene was van ds H. Amelink (in "Opbouw" van vorige week) in de rubriek "Kerkelijk Leven". Daaruit citeer ik het volgende: "Gelukkig heeft de Here niets tegen rijke mensen, tegen aanzienlijken en tegen de mensen van het intellect. Maar dan moeten deze rijken wel arm zijn om door God rijk te zijn in Jezus Christus. Dan moeten de aanzienlijken toch ellendig zijn. Dan moeten de intellectuelen toch mensen zijn die zich geen raad weten als ze denken aan hun zonden en aan hun stand en staat voor God." Een en ander in verband met het feit, dat ook in onze kerkengroep veel leden afkomstig zijn "uit de wat betere middenklasse" " .. ; relatief veel intellectuelen ... ".
Daarnaast een artikel uit "Elseviers Magazine" (19-4-'80) van de hand van Rex Brico. Daarin commentaar op een nog te verschijnen nieuw rooms-katholiek weekblad uit de behoudende hoek, geleid door de heren Ten Brink en Oostveen. Ik citeer: "In dit verband is het interessant te constateren dat de heren die de stichting Communicare vormen, in leeftijd variëren van 50 tot 59 jaar. Een groep "nieuwe Vijftigers" dus, zij het dat ze met de oude Vijftigers waarschijnlijk niet veel meer delen dan hun gevoel voor romantiek. Revolutionair à la Lucebert en Campert zijn ze bepaald niet. Wat veel katholieke vijftigers in deze tijd vooral kenmerkt is dat ze gekweld worden door zonen van twintig jaar en ouder die met meisjes samenwonen zonder getrouwd te zijn, door dochters die de pil gebruiken, door kinderen die vaak helemaal niet meer naar de kerk gaan en hun kroost ook niet meer laten dopen, kortom door een nageslacht dat de kerk van zijn voorvaderen heeft doorgesneden ...
Waarschijnlijk komt daar nog een stuk schuldgevoel bij vanwege het materialisme dat menige vijftiger meer in de greep heeft dan enig existentiëel geloofsbesef . .. Hennie ten Brink verwoordde deze hele problematiek toen hij zei dat zijn blad "duidelijkheid zal moeten verschaffen in wat wel en wat niet mag en wat waar is en wat niet". Mag sex vóór het huwelijk nou of niet? Is het waar dat Sodoma en Gomorrha niets met homosexualiteit te maken hadden?
Kiest Jezus wel partij voor de armen? Enz. enz.? ... Katholieken hebben altijd moeten vragen wat mag en wat moet. Hetgeen overigens minder geldt voor de intellectuelen onder hen. En helemaal niet voor de (intellectuele) jongeren.
Voor hen zal Communieare dan ook geen blad maken.
Zij hebben de Tijd, aldus Hennie ten Brink."

Eén wet
Wat mij o.m. opviel was het oneigenlijk gebruik van de woorden "arm" en "rijk" bij collega Amelink, in de zin: "dan moeten deze rijken wel arm zijn om door God rijk te zijn in Jezus Christus." 't Lijkt mij bijbels verantwoord (vgl. 2 Cor. 8 : 9 bijv.).
Daarnaast bij Rex Brico de vraag "kiest Jezus wel partij voor de armen"? Een vraag inzake een veelgehoorde stelling: Jezus kiest stellig partij voor de armen - zie de bergrede, Matth. 5: 1 V.v.;Luc. 6: 20 V.v. Bij Rex Brico wordt het woord armen beslist niet in oneigenlijke zin gebruikt: 't gaat in de vraagstelling wel degelijk over paupers en verpauperden. In die geest vat men tegenwoordig vaak de zaligspreking m.b.t. de armen (de armen van geest) op.
Dan wordt het een maatschappelijke, eventueel een politiek-sociale kwalificatie.
Nu valt niet te ontkennen, dat armoede ook binnen Israël tot het dagelijks levenspatroon hoorde: "de armen hebt ge altijd bij u" horen we Jezus zelf zeggen (Mt. 26 : 11). Maar betekent dat, dat die armen per definitie toegankelijker zijn voor het evangelie?
Die vraag heeft goed recht: het is toch niet geoorloofd één groep, één categorie uit het geheel van de zaligsprekingen, laat staan van de bergrede los te maken? Heet een arme (van geest) zalig omdat hij arm is of is hij het pas dan als hij Jezus' woorden "hoort en ze doet" (Mt. 7: 24 v.v.)?
Is er wel ooit in de Schrift sprake van bevoorrechting van welke groep ook? Zou dat niet "aanzien der persoons" zijn?
Je kunt zeggen: Israël als volk was bevoorrecht (Rom. 9 : 4, 5). Maar dat bracht ze onder de klem van de thorah en de vreze des HEREN.
Wanneer alle rijken hun overwicht gebruikten om armen klein te houden, nam God die laatsten in bescherming.
Accoord: maar daarmee hield de thorah niet op te bestaan voor de arme. Trouwens in de thorah valt te lezen: " ... gij zult den arme niet begunstigen en den aanzienlijke zult gij niet voortrekken" (Lev. 19 : 15).

Eén weg
De vreze des HEREN, het onderhouden van "de wet en de profeten" blijft eis voor ieder. Dat is het gewone.
Het lijkt mij onjuist de bergrede uit het geheel te lichten als "meer dan het gewone". Temeer daar Jezus zelf waarschuwt: "meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden" (Mt. 5: 17). Het "gewone" is Gods woorden horen èn doen.
Het gewone is - helaas - ook, dat deze levenshouding verzet en haat oproept. Jezus deed wat God zei en dat bracht Hem aan het kruis. Zoals Israël de (echte) profeten van Abel tot Zacharia had gedood (Mt. 23 : 35). Gezien deze gang van zaken in de bestaande wereld, is het geen wonder dat Jezus' leer uitmondde in: "zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil ... zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.
Verblijdt u en verheugt u ... want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd." (Mt. 5 : 10-12).
Verblijdt u en verheugt u: "thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd ... ", aldus Paulus in Col. 1 : 24. Hij herkent de oorsprong van zijn lijden: " ... en vul ik in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente".
De weg die het God belieft te nemen door de wereld, is er een van lijden, een via dolorosa. Wie Hem wil dienen en Jezus wil volgen (Joh. 12: 25, 26) mag zijn leven niet liefhebben, op de eerste plaats zetten. Hij heeft zich ondergeschikt gemaakt aan Gods rijk, Gods wil, Gods weg. De verbondenheid met Christus èn Zijn gemeente brengt risico's mee - nu eens hier en voor de een, dan weer daar en voor de ander. Het is die ondergeschiktheid en die verbondenheid, die bepalend is voor wie zalig worden gesproken.
Geen categorie apart, arm of rijk, maar die categorie, uniform, die zich er toe zet, in Jezus' voetspoor, om de wet en de profeten te vervullen - dat is het gewone. Zalig zijn zij!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief