Zo was het (40)
1980-06-27
In m'n verhaal van de vorige maand schreef ik: "Aan de opdracht van de Zaligmaker: "Leert hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb", heb ik mij trachten te houden. Zodat sommigen zeiden: Hij is een beetje remonstrants!- Jaargang 24
- nummer 26
Iemand maakte eens bezwaar tegen m'n preken met de opmerking, dat ik aan de gemeente de regel van de wet voorhield: "Doe dit en gij zult leven". Achteraf kan ik dat misverstand wel verstaan. Waarschijnlijk heb ik te weinig nadruk gelegd op het feit, dat de genade van Jezus Christus almachtig is". Daarop borduur ik nu nog even voort.
Waarschijnlijk ontstond dit misverstand bij sommigen, omdat ik nog niet duidelijk zag en het dus ook aan de gemeente niet duidelijk genoeg maakte, dat ook onze goede werken behoren tot de verlossing. Mogelijk heb ik de indruk gewelkt, alsof de gelovigen min of meer uit zichzelf, uit eigen kracht, wel zouden onderhouden "alles wat de Redder of Zaligmaker geboden heeft". Dat bedoelde ik niet. Het is vanzelf ook niet waar. Maar die indruk kán wel gewekt zijn.
Naar ik meen stond Ignatius van Loyola eens voor een schilderij van de gekruisigde Christus. Met het onderschrift: "Dat deed Ik voor u; wat doet gij voor mij". Dat greep hem zo aan, dat hij de orde der Jezuïeten stichtte.
Zó is het tenminste in mijn geheugen blijven hangen.
Dat onderschrift kan de indruk wekken van: vóór wat hóórt wat. Alsof Jezus Christus en de gelovigen twee van elkaar onafhankelijke partijen vormen. Hij had alles voor ons over, leed en stierf voor ons. En nu zouden wij, gelovigen, van onze kant uit dankbaarheid alles voor Hem over moeten hebben.
Dat is wel waar, dat wij heel ons leven in zijn dienst hebben te besteden.
Maar het is niet waar, dat wij dat doen, althans moeten doen, onafhankelijk van Hem. Dán zou er niets van terecht komen. Maar dat leert ons het Evangelie niet. Het Evangelie verkondigt ons een volkomen Zaligmaker.
Een volmaakte Redder. Die ons bevrijden kán en wil en zál van alle ongerechtigheid. Dat is het einddoel van Zijn werk. Dat wordt in ons leven, hier en nu, niet volkomen bereikt. Maar naar dat doel hebben wij wel te jagen. Nog eens: niet onafhankelijk van Hem. Integendeel. In volstrekte afhankelijkheid van zijn almachtige genade. Hij redt ons. Hij werkt in ons leven "het willen èn het werken", zoals Paulus schrijft. Alle roem voor ons is uitgesloten. Die komt toe aan Gods welbehagen. Maar Hij doet het door ons. Wij worden in dat verlossingswerk ingeschakeld. Hij werkt het geloof, maar wij hebben te geloven. Hij werkt bekering, maar wij hebben ons te bekeren. Hij werkt de vernieuwing van ons leven. Maar wij staan op tot een nieuw leven. Heel het stuk der dankbaarheid, waarvan de catechismus spreekt, is een stuk, dat bij de Verlossing behoort. Zo zegt Paulus het in Ef. 2: 8-10: "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme. Want Zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus (of door Christus Jezus) geschapen om goede werken te doen, die God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen". Wij zijn een werkstuk van God door Jezus Christus. Maar omdat wij dat zijn zullen wij goede werken doen. Daarin wandelen of leven. Wij worden ingeschakeld bij onze verlossing.
Het "stuk der dankbaarheid" behoort dus tot de Verlossing. Maar daartoe behoort ook de kennis der ellende. Het is niet zo, dat elk mens van nature z'n ellende wel kent. Een zondaar is er wel ellendig aan toe. Maar wat z'n eigenlijke ellende is weet hij niet. Dat weet hij of zij alleen, die de HERE kent. Dat mag ons wat vreemd in de oren klinken, maar toch is het waar. We mogen de drie stukken van ellende, verlossing en dankbaarheid niet uit elkaar halen. Aan dit bekende drietal gaat zondag 1 vooraf! Zo staat het ook bijv. in Psalm 130. In vers drie zegt de psalmist: "Als Gij, HERE, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Here wie zal bestaan?" Als iemand nu zou zeggen: Het eerste is dus dat we onze ongerechtigheden kennen; dan kan vers één ons leren, dat het eerste is: dat we de HERE kennen. Daar lezen we immers: "Uit de diepten roep ik tot U, 0 HERE". Hij kent dus de HERE. En daarom kent hij z'n ongerechtigheden.
Hij heeft tegen Hem gezondigd. Dat is de ellende.
Maar nu terug naar het "onderhouden van alles wat de Heiland geboden heeft? Over het algemeen leeft de overtuiging, dat daarvan weinig of niets terecht komt. Dat zegt niet alleen de wereld. Maar van vele kansels werd dat gepredikt. En dat gebeurt nog. Het is er ingehamerd, dat wij slecht zijn. We kennen dat wel: "Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad". Enz. enz. Dat wij mensen slecht zijn en dat onze oude mens helemaal niet deugt, weet ik ook. Maar ik ben zo vrij te ontkennen, dat onze "nieuwe mens" slecht is. Ik ontken dat een christen alleen maar slechte gedachten heeft en slechte woorden spreekt en slechte daden verricht.
Als ik in een preek hoor zeggen: "Wij zondigen allen aan de lopende band", dan blijf ik wel zitten. Maar dan ben ik wel geneigd om op te staan en daartegen te protesteren. Als wij oprecht in de Here Jezus geloven zondigen wij niet aan de lopende band! Als dat waar zou zijn, dan zouden wij ons haastig daarvan moeten bekeren. Om ons leven! Als wij daarmee zouden doorgaan zou de Here aan het einde der dagen tot ons moeten zeggen: "Gaat weg van mij, gij werkers der ongerechtigheid". Dan zouden wij naar het woord van de Heiland niet ingaan in Gods Koninkrijk.
Sommige prekers op de Veluwe (of moet ik zeggen vélen) hielden de hoorders voor: Wij zondigen dagelijks zwaar tegen al Gods geboden en wij houden geen daarvan. Met die "wij" waren dan de kerkmensen bedoeld.
Die zich toch nog wel christenen wilden noemen. Meenden die prekers dat echt? Dat zal wel. Ik mag toch niet onderstellen, dat zij maar wat kletsen. Meenden zij dat ook van zich zelf? Dat moet ik ook wel aannemen.
Mogelijk stelden zij daar hun eer in, dat zij zo diep overtuigd waren van eigen ellende. Men kan ook roemen in eigen ellende en de kennis daarvan. Wie ernst maakte met zulk een prediking kwam in Ermelo terecht.
Of sloeg de hand aan eigen leven. Want er was volgens hun voorgangers maar heel weinig kans om uit die ellende te geraken. Een dubbeltje op z'n kant. Een lot uit de loterij. Daarover was voor eeuwig al beslist, En het was een heksentoer om daar achter te komen. De meeste hoorders trokken zich er niets van aan. En leefden vrolijk, naar hun natuur, verder.
Zo gek zullen het de meeste predikanten nu wel niet maken. Ook de "zware" niet. Maar de gedachte dat wij, christenen, er niet veel van maken is nog springlevend. Naar aanleiding van een preek heb ik eens een dominee gevraagd: "U zondigt dus zwaar tegen al Gods geboden? U hebt daar geen van gehouden?" Z'n antwoord was bevestigend. Zo was het!
Mijn weerwoord was, dat zo de werkelijkheid van z'n leven niet was. Dat dit een aangeprate theorie was. Dat ik anders niet begreep hoe hij vrolijk verder kon leven. Het mocht niet baten. Hij bleef bij z'n uitspraak Waarom hebben velen van ons dat zich laten aanpraten? Waarom durven we nooit eens zeggen, dat wij trouw zijn geweest? Dat wij dit of dat goed hebben gedaan? Dat er veel mensen naar de kerk gaan, die het "wel geloven", zonder dat ze echt geloven zal wel waar zijn. Hoeveel het zijn weet God alleen. Dat veel kerkmensen precies zo leven als de ongelovigen, kan ook wel waar zijn. Maar daarom is het toch niet van allen waar?
Zo spreekt de Schrift toch niet over de gemeente van Christus. Zo spreekt de HERE toch niet over Zijn volk?
Psalm 51 wordt vaak aangehaald: "Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in uw ogen.... Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.... Schep mij een rein hart, 0 God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest; verwerp mij niet van uw aangezicht en neem uw heilige Geest niet van mij. . .. Red mij van bloedschuld, 0 God, God van mijn heil". Zo noemt David de HERE toch ook nog. Zelfs na zijn diepe val: God van mijn heil. Dát wordt niet zo vaak aangehaald denk ik.
Dat is dan ps. 51. Maar zou David die psalm dagelijks gezongen hebben?
En niets anders? Gelove wie het wil. Ik denk het niet. Er was toen voor David toch alle aanleiding om zo te klagen en te bidden? Het was niet niks wat hij had uitgehaald: Bathseba aan Uria ontstolen. Met een slimmigheid zich van de schuld afmaken. En Uria laten vermoorden! Zo kan een christen soms diep vallen. En is psalm 51 hem uit het hart gegrepen.
Maar moeten we altijd en overal zó bidden en klagen? Of mogen we ook eens spreken naar psalm 18. Ook een psalm van David! Ik haal enkele verzen aan: "De HERE deed mij naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid van mijn handen vergold Hij mij. Want ik heb de wegen van de HERE gehouden en ben niet goddeloos afgeweken van mijn God. Want al zijn verordeningen stonden mij voor ogen en zijn inzettingen deed ik niet van mij weg, maar ik was onberispelijk voor Hem en wachtte mij voor ongerechtigheid.
De HERE heeft mij vergolden naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid mijner handen voor zijn ogen ... Met U immers loop ik op een legerbende in en met mijn God spring ik over een muur". Mag een christen nooit zo spreken? Waarom dan niet? Vermogen wij dan niet met Christus alle dingen? Dat zegt Paulus wel. Wij niet?
Volgens Psalm 1 is er een diepgaand verschil tussen rechtvaardigen en goddelozen. Hoort maar: "Welzalig de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen; die niet staat op de weg der zondaars; noch zit m de kring van de spotters; maar aan de wet van de HERE heeft hij welgevallen en die wet overpeinst hij wel dag en nacht". Is dat verschil er nu niet meer? Is het niet meer zo, dat de HERE de weg der rechtvaardigen kent, terwijl de weg van de goddelozen vergaat?
De psalmen zijn vol van klachten over de zonden. En vol van gebeden om vergeving. De rechtvaardigen waren niet volmaakt. En dat is nog zo.
Het lijkt me niet nodig dit aan te tonen. Dát is ons wel ingeprent. Maar er zijn ook vele psalmen met een andere inhoud. Bijvoorbeeld psalm 19.
Daar roemt de dichter het onderwijs van de HERE. Groot is Gods heerlijkheid, die uitstraalt van Gods schepping. Maar heerlijker nog is de Wet of het onderricht van de God des verbonds. Dat onderwijs IS de dichter meer waard dan goud. Het is hem zoeter dan honing. Hij laat zich er door vermanen. En hij vraagt: "Behoed ook uw knecht voor overmoed, laat die over mij niet heersen; dan ben ik onberispelijk en vrij van grove overtreding.
Mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn. °HERE, mijn rots en mijn verlosser."
Moet ik nog meer water naar de zee dragen? Zeker, de psalmen zijn vol van gebeden om vergeving. Maar ook vol van de zekerheid, dat de HERE graag vergeeft. En ook vol van. verklaringen van eigen oprechtheid en onschuld en reinheid van hart en lippen. Was David in psalm 26 overmoedig en hooghartig? Toen hij als volgt sprak: "Doe mij recht, HERE, want ik heb in onschuld gewandeld. Op de HERE heb ik vertrouwd zonder te wankelen. Toets mij HERE, en beproef mij, keur mijn nieren en mijn hart. Want uw goedertierenheid houd ik voor ogen en ik wandel in uw waarheid. Bij de valsaards zit ik niet neer, met de huichelaars ga ik niet om; ik haat het gezelschap der boosdoeners en bij de goddelozen zit ik niet neer. Ik was mijn handen in onschuld, en maak de omgang om uw altaar, 0 HERE. Terwijl ik luid een loflied doe horen en al uw wonderen vertel ... Ik echter wandel in onschuld - verlos mij en wees mij genadig. Mijn voet staat op een effen baan - in de samenkomsten zal ik de HERE prijzen." In de samenkomsten prijzen wij de HERE wet Waarom durven we nooit zeggen dat we goed gedaan hebben en naar aanwijzing van het Evangelie hebben geleefd? Of doen we dat nooit en te nimmer?
Niet alleen de psalmen zijn vol van de oprechtheid der vromen. Ik denk ook aan Job. Ik lees in hoofdstuk 29: "Ik redde de ellendige, die om hulp riep, de wees en die geen helper had ... Tot ogen was ik voor de blinde en tot voeten voor de kreupele; een vader was ik voor de armen en het rechtsgeding van mij onbekenden onderzocht ik." En dat was niet het enige, wat Job aan goed werk deed. Was dat ijdele zelfroem? Maar het boek begint met de woorden: "Job was vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad."
Nog een andere figuur uit het O.T. komt mij voor de aandacht. Nehemia.Toch ook een mens als wij allen. In hoofdstuk 5 wordt verteld, welke maatregelen hij nam ten bate van de armen. Andere landvoogden mergelden het volk uit. Nehemia zegt: "Doch ik heb zo niet gedaan uit vrees voor God", vs. 15. Hij werkte zelf mee aan de muur. De werkers aten aan zijn tafel. Hij bidt in vs. 19: "Gedenk mij mijn God ten goede, alles wat
ik aan dit volk gedaan heb". Mochten Job en Nehemia en de Psalmisten zo niet spreken? Dat had de HERE ons dan wel mogen vertellen in Zijn Woord. Laten we daar maar eens een maandje over denken.