Zo was het (41)
1980-07-25
In m'n pastorale praktijk heb ik gemerkt, dat vele broeders en zusters graag van de kansel hoorden verkondigen, dat zij slecht waren. Zo in het algemeen: de mens is slecht. Maar dat mocht ook gerust van gelovigen gezegd worden. Bepáálde zonden wilde men liever niet zien aangewezen.- Jaargang 24
- nummer 28
Maar dat ook de christenen weinig of niets van hun leven terecht brachten, stemde men graag toe. Al te graag dunkt mij. Dat heeft mij niet weerhouden om mij te houden aan de opdracht van Jezus Christus: Verkondig de Blijde Boodschap. Maar dan ook: Leer hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. We moeten niet scheiden wat door de Here samengevoegd is. Ik ging er vanuit, dat er verschil is tussen goddelozen en rechtvaardigen, En dat allen, die in de Here Jezus geloven er ook voor moeten zorgen, dat dit verschil er in hun leven is. En dat zij anders niet zuilen ingaan in het Koninkrijk der hemelen.
In m'n voorgaand artikel heb ik trachten aan te tonen, dat de rechtvaardigen in het O.T. Zich bij gelegenheid en als het nodig was, wel durfden beroepen op hun oprechtheid van hart en vroomheid van wandel. Nu zou men kunnen tegenwerpen: maar dat was een zekere wettische vroomheid.
Behorend bij het Oude Verbond. Zoiets is mij wel eens overkomen, als ik mij wel herinner. Waar haalt men zulk een onderscheid vandaan? Ik vind het in de Schrift nergens. Maar stel eens dat er enige waarheid in school, waarom spreekt het Nieuwe Testament dan op dezelfde wijze als het O.T.?
In Lukas 1 : 6 lees ik: "Zij (Zacharias en Elisabeth) waren beiden rechtvaardig voor God en leefden naar alle geboden en eisen des Heren, onberispelijk."
In Lukas 2 : 25 dit: "Deze man (Simon) was rechtvaardig en vroom, hij verwachtte de vertroosting van Israël en de heilige Geest was op hem". Kan dit ook niet gezegd worden van Anna, een profetes? Van haar wordt gezegd: "Zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag." Zij zullen de enigen wel niet geweest zijn in die dagen. De meerderheid zal wel schijnvroom en schijnheilig zijn geweest.
Zoals de Here Jezus dit van Schriftgeleerden en Farizeeën zegt. En de "schare, die de wet niet kende", zal zich wel nergens wat van aangetrokken hebben. Maar rechtvaardigen waren er toch ook. Zouden die er nu niet meer zijn?
En laten we eens horen wat de Heiland in de zaligsprekingen van zijn leerlingen zegt. Naar Hem moeten we toch luisteren? Dat is niet niks wat Hij van hen zegt, die in Hem geloven en Hem volgen. Hij noemt hen in Matth. 5 : 3 v.v.: Armen van geest. Zij kunnen zichzelf niet redden, verwachten alles van Gods genade. Hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zij treuren. Hebben verdriet van allerlei ongerechtigheid. Zij zullen vertroost worden.
Zij zijn zachtmoedig, niet brutaal. De brutalen mogen de halve wereld hebben, naar het spreekwoord zegt. Maar zij zullen de nieuwe wereld erven.
Zij hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Midden in de ongerechtigheid van deze wereld. Zij zullen verzadigd worden van de gerechtigheid van het Koninkrijk Gods.
Zij zijn barmhartig, met ontferming bewogen, hun zal barmhartigheid geschieden.
Zij zijn rein van hart. Daarom zullen zij God zien. Bij de HERE wezen.
Ze zijn vredestichters, zoeken vrede met alle mensen. Zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
Zij worden vervolgd om de gerechtigheid. De onrechtvaardige wereld verdraagt de rechtvaardigen niet. Maar hunner is het Koninkrijk.
Ais de wereld de discipelen smaadt en verdrukt en van allerlei kwaad beticht, omdat zij Christus volgen, dan mogen zij zich verblijden. Want hun loon is groot in de hemelen.
Als de Here Jezus zulke heerlijke dingen van z'n leerlingen zegt, zullen wij dan het tegendeel beweren? Want van tweeën één: Dit is waar of niet waar. Niemand van ons zal zeggen, dat de Heiland geen waarheid sprak.
Maar dan geldt dat vandaag toch ook nog? Of moeten we zeggen, dat de gemeente alleen maar bestaat uit brutalen en ruziemakers en onbarmhartigen en onreinen van hart en mensen, die hoog van de toren blazen en zichzelf wel kunnen redden? Als dat waar zou zijn, laten we dan "de tent maar sluiten". Laten we dan maar ophouden met preken van het Evangelie.
Dan zou het geen kracht zijn tot redding. En laten we dan ook maar ophouden met het bekend maken van alles, wat de Here Jezus geboden heeft.
Om alle misverstand te voorkomen: ik heb nooit verkondigd dat wij evenals alle mensen, nooit brutaal zouden zijn. En geen ruzie zouden maken. Enz. enz. Wij christenen, gelovigen, heiligen en rechtvaardigen, zijn van natuur geen haar beter dan wie ter wereld ook. Maar ik heb wel verkondigd, dat het Evangelie een kracht Gods tot redding is. Dat de Redder der wereld door Woord en Geest nieuwe mensen maakt. Van allen die het leven en de zaligheid van Hem verwachten. En ik heb daarbij verklaard, dat er in het leven der gelovigen niets vanzelf gaat. Maar dat wij hebben te strijden om in te gaan. En als wij dat niet willen, dat we dan geen deel hebben aan het Koninkrijk Gods.
Laten we nu verder luisteren naar wat Jezus in de Bergrede zo hier en daar heeft gezegd. Psalm 87 bevat, berijmd, de volgende zin: "Men spreekt van u zeer heerlijke dingen." Dat doet de Heiland ook van zijn volk.
Zijn discipelen vormen het zout der aarde. Het licht der wereld. Allen, die in Hem geloven krijgen de opdracht: "Laat uw licht schijnen voor de mensen opdat zij uw goede werken zien. En uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken".
Zij zullen niemand doden. Maar wat meer is, niet in toorn met een broeder of zuster leven. En niemand uitschelden voor dit en dat.
Zij zullen niet alleen geen echtbreuk plegen. Maar ook de hand afkappen, die tot zonde verleidt. En het oog uittrekken, dat onze begeerlijkheid wekt.
Zij zullen na een slag op de rechterwang ook de andere toekeren. Niet terugslaan. Maar wel rekenschap vragen van de man, die slaat. Zo iets als: Heb ik die slag verdiend, sla dan maar verder. Zo niet, waarom sla je dan?
Zij zullen vijanden liefhebben. Voor vervolgers bidden. Dus meer dan het gewone doen. En dan dat ontzagwekkende en toch heerlijke: "Gij dan zult volmaakt zijn. Gelijk uw hemelse Vader volmaakt is".
We zulten onze gaven geven zó, dat de linkerhand niet weet wat de rechter doet. En dat niet om door mensen geprezen te worden. We zullen ook niet bidden en vasten "voor het oog van neêrlands volk", zo zei men dat in mijn jeugd.
We zullen geen schatten op aarde bij mekaar schrapen, maar schatten in de hemel verzamelen.
We zullen niet zo maar oordelen. Denkt om de splinter in het oog van uw br. en zr. Maar vergeet vooral de balk in eigen oog niet.
Hoe zullen we onze naaste behandelen? Zó, zegt onze Heer en Meester: "Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus.
Want dat is de wet en de profeten".
Hij laat ons ook weten, dat dit alles ons niet aanwaait, om zo te zeggen.
Hij zegt immers, dat we moeten ingaan door de enge poort. En dat We moeten wandelen op de smalle weg. Want de wijde leidt naar het verderf.
Dat er velen zijn, die op de brede weg gaan, mag ons niet hinderen om de smalle weg te kiezen.
Als we dit alles overdenken is het dan niet om te schrikken? Het is inderdaad ontzagwekkend. Maar ook heerlijk. Dit laatste toch ook!
In een vorig praatje heb ik al verteld, dat één van. m'n leermeesters - een achtenswaardig en vroom man - mij heeft willen bijbrengen, dat die Bergrede alleen maar bestemd was om ons tot rondekennis te brengen. Ze zou geen regel voor een christelijk leven zijn. Had die broeder gelijk?
Laten we horen wat de Here Jezus Zelf gezegd heeft: "Niet ieder die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen ingaan. Maar wie doet de wil van mijn Vader, die in de hemelen is. Velen zullen op de dag der oordeels tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? Dan zal ik hun publiek zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij daders van ongerechtigheid".
Het komt er op aan, dat we de woorden van de Here horen èn doen. Wie ze niet doet bouwt op zand. Wie ze doet bouwt op een rots.
Dat is wel wat anders dan: Jullie zullen er toch wel niets van maken! Dat er altijd weer vele hoorders zijn, die de wil van de hemelse Vader niet doen is geen reden om te zeggen: Dan zal ik het ook maar laten. AI zouden er in zekere tijd maar 10 zijn of maar 5 of niemand anders dan zou het mijn en uw taak nog zijn naar het doel te jagen: "Onderhouden alles wat de Heer geboden heeft." Hopend op de genade van Jezus Christus, D.w.z. op de kracht van Zijn genade rekenend. Want dat is de betekenis van het bijbelse hopen: Met zekerheid verwachten!
Zijn wij daartoe onmachtig? Ja, even onmachtig als de verlamde uit Matth. 9. Hij kon geen lid verroeren. Uit zichzelf niet. Maar de Heiland zei tot hem: "Sta op, neem uw bed op en ga naar huis." Toen heeft die man geloofd en gedacht: Als Hij daar het zegt, dan kan ik het. En hij deed het. Als die lamme bij zichzelf gezegd had: "Ik zou wel graag willen opstaan en het zou ook wel moeten, maar het kan nu eenmaal niet", dan had hij daar om zo te zeggen nog gelegen! Dat is dunkt mij ook de toestand van velen, die alleen maar over de menselijke onmacht spreken. Ze zeggen dan en menen dat het erg vroom is: "Het is wat, te moeten en niet te kunnen!" Maar als we geloven in de kracht van het Evangelie en de macht van de Geest van Jezus Christus, dan staan we op tot een nieuw leven. Door de kracht, die God geeft. Dan piekeren we niet over de verhouding van Gods werk en ons werk. We begrijpen zelf niet hoe dat in mekaar zit. Maar dan doen we wat we kunnen. En meer vraagt God van niemand.
En nog sterker voorbeeld van de macht van het bevel des Heren is de geschiedenis van Lazarus. Die reeds dagen in het graf was. Groter onmacht is wel niet denkbaar. Maar op het woord van Jezus Christus stond Lazarus op! Woord en Geest van Christus zijn nog machtig om ons op te wekken tot een nieuw leven. Dat Woord is een "zaad der wedergeboorte"
of bekering. Daarbij moeten we niet denken aan een geheimzinnig scheppingswoord, buiten het Evangelie om, dat God inwendig tot onze "ziel" spreekt. Maar het is zoals we lezen in 1 Petrus 1 : 23 en 25: "..wedergeboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God ... Dit nu is het woord, dat u als evangelie verkondigd is".
Ik ben nogal veel in aanraking gekomen met mensen, die in hun omgeving als zeer vroom werden geëerd, die "de weg" als onmogelijk zwaar voorstelden.
Een bekende uitdrukking in die kringen was: het gaat zo makkelijk niet! Maar de Heiland spreekt van voorgangers, die lasten opleggen, te zwaar om te dragen. Wie zich daaronder bogen werden er doodmoe van. De meerderheid van het volk begon er maar niet aan. Het was toch wat men noemt onbegonnen werk. Maakt de Heiland der wereld het z'n hoorders zo zwaar als de Schriftgeleerden? Geen sprake van. Hij roept hun toe: "Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op en u wordt mijn leerlingen. Want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. En gij zult rust vinden voor uw zielen (in uw leven). Want mijn juk is zacht en mijn last is licht". Matth. 11 : 28-30.
Ik weet wel, dat men kans heeft gezien ook deze nodiging in z'n tegendeel te veranderen. Op deze manier: 0, wat moet en mens er zwaar onderdoor gaan. Hij moet eerst doodmoe worden van z'n zondenlast. Eerst moet hij om zo te zeggen helse smart gevoeld hebben. Eerst dán mag zulk een zwaar belaste de uitnodiging van de Heiland aannemen. Zó heeft men ernstige zoekers tot vertwijfeling gebracht! Goed bedoeld? Dat zal wel.
Maar slecht gedaan.
Laten wij er maar bij blijven: We mogen, zó als we zijn, tot de Heiland der wereld komen. In Hem geloven. En zijn juk op ons nemen. Dan zullen we gewaar worden, dat zijn last licht is.