Nederig?
2012-01-07
Het is in onze tijd niet zo best gesteld met de status van de dominee.- Jaargang 56
- nummer 1
Hoorde hij vroeger bij de notabelen van dorp of stad, vandaag doet hij er goed aan de zin van zijn bestaan vooral te zoeken in een zo nederig mogelijke houding. Maar zijn we daar niet wat in doorgeschoten? Is het langzamerhand niet tijd voor een herwaardering?
In het Christelijk Weekblad van 25 november schrijft Jan van Butselaar erover, op een ietwat luchtige toon, maar de zaak is de aandacht wel waard:
Het overkomt je van tijd tot tijd: je moet voor een medisch consult naar een ziekenhuis. Het is er een drukte van belang, de wekelijkse markt is er niets bij. Je zoekt je weg, je vindt je poli. En dan komt de dokter.
Ineens viel het me op: het lijkt wel een hofritueel! Eerst moet je audiëntie vragen, meestal op grond van een aanbevelingsbrief van de lokale adel. Daar moet je natuurlijk wel enige tijd op wachten. Met vreze en beven ga je het medisch paleis binnen, waar je naast een aantal andere lieden die om audiëntie hebben gevraagd op een bank wordt gezet die duidelijk maakt wat je plaats is. Na lang wachten, hetgeen je nog meer vervult met ontzag (zag je net niet een koninklijk figuur van de ene kamer naar de andere schrijden, neerziend op het wachtend volk?), mag je eindelijk naar binnen.
Daar zit hij of zij. Aarzelend maak je duidelijk wat je vragen zijn. Al snel wordt het woord je ontnomen: het is al duidelijk, er zijn er zoveel voor je geweest die hetzelfde verhaal hadden. Als je nog eens probeert je mond open te doen, wordt er een emmertje medische hoftaal over je uitgestort, hetwelk de oneindige afstand tussen vorst en onderdaan nog wat versterkt. () Enigszins verbijsterd zit je even later aan de koffie die je overigens in deze paleizen zelf moet betalen. Dát is wel een verschil met de koningin...
Artsen vormen, zegt Van Butselaar, één van de laatste beroepsgroepen die het kan wagen zich zo ‘vorstelijk’ op te stellen.
Vroeger waren er nog veel meer van die beroepsgroepen, die op zo’n voetstuk stonden: de burgemeester, de notaris.
Edoch, de burgemeester blijkt ook te sjoemelen en de notaris doet ook kwaaie zaakjes. Nee, natuurlijk niet allemaal, het is maar een minderheid die dat doet, maar daarmee valt de hele beroepsgroep van zijn voetstuk. Trouwens, niet te vergeten: de dominee. Die stond hoog aangeschreven en werd geeerd.
Toen ik naar Zeeland vertrok als predikant zei een buurman tegen mijn vader: “Een goede keus, daar worden predikanten nog hoog geacht”.
Nu heb ik het goed gehad in Zeeland, maar om te zeggen dat er ergens een voetstuk klaar stond, nou nee. Eerder lagen pen en papier klaar of rinkelde de telefoon als een woord verkeerd was gevallen. Inmiddels is er nergens meer sprake van een hoog aanzien van de dominee. Een paar jaar geleden zei iemand al tegen me in de trein: “Wat, dominees, zijn die er nog?” Ik heb de indruk dat die verandering in de cultuur (waar je al dan niet blij mee kunt zijn) ook zijn weerslag heeft gekregen op de mentaliteit van veel dominees.
Er zijn er maar weinig meer die zich ‘vorstelijk’ gedragen, velen zijn zo onder de indruk van wat er wordt geroepen over geloof, de kerk en haar dienaren, dat ze driedubbel onderdanig zijn geworden - op een enkeling na, natuurlijk, die rare dingen in een boekje schrijft en dat vervolgens met haast gereformeerde hardnekkigheid verdedigt. Maar de meesten buigen het hoofd als mensen met zotte meningen over God en gebod op hen afkomen, buigen het hoofd bij de meest onzinnige verhalen over schuld van de kerk in het verleden, buigen het hoofd zelfs als er nog geen woord gevallen is, uit voorzorg.
Het heeft iets moois: dienaren die zo onderdanig zijn. Dat moet natuurlijk ook. Alleen, laten we wel even de verhoudingen in het oog houden. Dominees heetten vroeger wel Verbi divini minister, dienaar van het goddelijk woord: v.d.m. En wie het evangelie van Johannes kent, weet dat dit meer wil zeggen, dan simpelweg dienaar van woorden te zijn. Vervolgens is hij of zij dienaar van de mensen - maar om hen met dat woord te dienen! Daar past niet altijd onderdanigheid bij, daar hoort soms ook een voornaamheid bij, die aangeeft wie je dient: een koning, wiens rijk komt.
Daarmee hoef je niet te worden als die medici die hierboven gechargeerd zijn beschreven. Maar iets van die zelfbewustheid, van ‘wij weten waar we het over hebben’ zou niet gek zijn. Tenslotte zijn zij het die hebben gehoord waar de redding van deze wereld voorhanden is. Tenslotte zijn zij het die zich hebben verplicht God en de mensen daarmee te dienen.
Drs. Menko Biewenga is predikant van de NGK Enschede.