De G.O.S. en de homofilie (1)

1980-08-15
  • Jaargang 24
  • nummer 30
"Na een week waarin de Gereformeerde Oecumenische Synode tegen veler verwachting in een opvallend mild gezicht getoond had tegenover haar (syn.) gereformeerde lidkerk uit Nederland, is het op de laatste avond van haar tweewekelijkse vergadering in Nîmes tot een aantal forse uitspraken gekomen inzake de kwestie van de homofilie"

- aldus het Nederlands Dagblad van zaterdag 26 juli 1980.

Wat deze verslaggever is opgevallen, heeft ook mij gefrappeerd.
Wat betreft het synodale lidmaatschap van de Wereldraad van Kerken en de leer van de theologen Kuitert en Wiersinga een gematigd reageren, maar ten aanzien van een ethisch onderwerp een zeer sterke veroordeling: alle homosexuele praktijk is zonde. Ik moest denken aan wat ik ooit eens aan mijn kerkeraad in Wageningen schreef in de dagen van het conflict rondom de Open Brief. Men, stelde mij toen op gegeven moment ten onrechte aan de gemeente voor als een woord-breker. Daarop reageerde ik met te stellen, "dat door dit zware woord aan de zaak tussen ons een zedelijke wending gegeven werd, wat uitgerekend dan pleegt te geschieden, wanneer men bang is, dat de godsdienstige argumentatie te kort zal schieten of bij de mensen niet genoeg weerklank zal vinden.
Voor een woord-breker vat men nu eenmaal eerder verachting op dan voor een ketter." Ik betreur het
dat de G.O.S. haar conflict met de Gereformeerde Kerken in Nederland op deze manier over de ruggen van de homofiele broeders en zusters heeft uitgevochten. In ieder geval heeft ze die schijn gewekt.
Is het niet zo in ons geloof dat de verhouding tot God vóór de verhouding tot de naaste gaat, en bijgevolg hetgeen geloofd moet worden vóór hetgeen gedaan moet worden?
Dit is ook een heilzame ordening.
Het betekent namelijk dat ook als we ten aanzien van het doen helemaal in de knoop zitten en wat krom is in ons leven niet recht kunnen krijgen, wij toch de toegang mogen hebben tot Gods vaderhart en vergevende liefde.
Nu is het mijn vaste overtuiging dat wat een man als dr Wiersinga zegt en leert die heerlijke toegang tot Gods vaderhart bemoeilijkt. Een mens kan volgens hem wel rot God vluchten, maar zijn geweten wordt door de Here niet ontlast. Dat laatste moet hij toch zelf doen. Dat is het gevolg als je niet meer wilt weten van een Lam Gods dat de zonden der wereld echt wegdraagt.
Van dr Wiersinga kan gezegd worden wat in de middeleeuwen Bernard van Olairveaux eens van de theoloog Abaelard zei: "De glorie van de verlossing heeft hij niet gesteld in de prijs van het bloed maar in de vorderingen van onze levenswandel" (boete, bekering). Dat een gereformeerde synode hiertegen in het geweer komt en op dit punt forse maatregelen neemt zonder zich door een kluitje mensen, studie-commissie geheten, in het riet te laten sturen, ja, dat spreekt mij meer aan dan een kordate beslissing op het gebied van de ethiek (geen homofiel-levenden aan het avondmaal). Ik heb maar zo het geloof dat wanneer je met z'n allen de weg naar boven open houdt, je ten aanzien van de weg naar opzij veel geduld met elkaar kunt hebben.
Op zichzelf ben ik niet bang voor een hard nee!, maar ik vrees dat het hier in een verkeérde richting gesproken is. Een moralistische beslissing dus die slachtoffers zal maken onder de zwakken, terwijl sterken als dr Wiersinga wel niet ongemoeid worden gelaten, maar voorlopig toch nog achtenswaardige gesprekspartners blijven.
Of wordt ook hun afhouding van het Avondmaal geëist?

Daar komt bij mij nog een indruk bij. Eerst het vorige jaar heeft de synodale synode inzake het vraagstuk van de homofilie een beslissing genomen. De andere zaken die stof tot . onenigheid geven tussen de G.O.S. en de Gereformeerde Kerken in Nederland, te weten lidmaatschap van de Wereldraad van Kerken en de theologie van de doctores Kuitert en Wiersinga, dateren beide uit een verder verwijderd verleden.
Is het misschien zo, dat het laatst beslotene steeds de meeste moeite geeft en dat men aan het verder terug liggende al wat meer gewend is? Dat zou aan het geheel van het G.O.S.-reageren iets oppervlakkigs geven. De schijn van een jacht achter de actualiteit aan.

Maar dit alles is natuurlijk geen reden om aan de beslissing zelf in Nîmes achteloos voorbij te gaan of haar niet serieus te nemen. Niet alleen immers zijn onze Nederlands Gereformeerde Kerken door het zenden van waarnemers (de heren en broeders A. de Boer en prof. E. Schuurman) bij deze zaak betrokken, maar daarbovenuit reikt het geestelijk gezag van een besluit dat door geestverwante kerken en gelovigen genomen is.
Men kan op dit laatste, dit geestelijke gezag, natuurlijk afdingen. Zo is mij opgevallen dat sommige afgevaardigden niet alleen de homofiele praktijk maar zelfs ook de gelijkgeslachtelijke aanleg voor onaanvaardbaar verklaarden, uit bijbels oogpunt. Dit betekent dus dat voor deze afgevaardigden (en hun kerken?) ook iemand als prof. Douma met zijn boek over homofilie een veroordeling verdient. Wie de zaak uitsluitend of overwegend kerkpolitiek wil afdoen, moet op dit punt het breekijzer in de beslissing van de G.O.S. zetten. De waarheid van het evangelie is daarmee echter niet gediend. Echte problemen zijn het waar om zonder inmenging van bijzaken benaderd te worden.

En homofilie is een echt probleem.
Zeker voor een christen die de voorschriften van Mozes en de beschuldigingen en waarschuwingen van Paulus in zijn hoofd en in zijn hart heeft. De lezer herinnert zich misschien dat ik me er zelf ook wel eens mee bezig gehouden heb.
In een preek nog wel, die ik zelfs nog gepubliceerd heb ook. Die heb ik er nog maar eens bij gehaald. Ik hoefde trouwens niet ver te weken, het boekje ligt binnen handbereik.
Dat komt omdat rk het nog wel eens in kijk, proevend, wegend: heb ik daarin wel recht gesproken of heb ik toen wat God bindt, ontbonden en de mensen aldus geleerd? (zie Matth. 5 : 19). Geëerde broeders hebben dat laatste gevonden en tegen mij gezegd. Wie zou zich daar niets van aantrekken?
Welnu, nog altijd ben ik blij en dankbaar dat ik de hoofd wissel op dit moeilijke trajekt goed genomen heb: homofilie is geen variant, maar een deviant; niet behorend tot de verscheidenheid die de Here God in de werkelijkheid gelegd heeft, maar een afwijking; niet dus op één lijn staande met linkshandigheid of blauwogigheid, maar een diep ingrijpende beschadiging, voortvloeiend uit het feit dat wij gevallen mensen zijn.
Ik besef dat dit bij betrokkenen hard kan overkomen. Let maar eens op hoe gehandicapten, ook wanneer hun gebrek zeer in het oog loopt, er voor vechten dat ze niet als afwijkend, maar als normaal worden beschouwd. Ze lusten ons medelijden niet, onze neerbuigende meewarigheid en onze goedkope deernis. En dat. is te begrijpen.
Toch wordt zo wel eens vergeten dat er ook goede vormen van medelijden zijn. Onlangs vertelde iemand in een rolstoel mij ontroerd dat iemand hem bezocht had, met wie hij samen had kunnen huilen over z'n hele toestand.
Ik hoor dat vaker, dat dat zo goed kan doen: iemand te vinden die samen met je huilt over ellende die je overkomen is. Hebben wij wel door dat we hier stuiten op een nieuwe als authentiek ervaren vorm van medelijden? Ik geloof er daarom niets van dat de moderne mens niet meer om medelijden zou vragen.
Zijn weerzin gaat tegen een goedkoop soort medelijden, tegen een medelijden dat tot niets verplicht.
En dat is terecht. Maar we moeten met het badwater het kind niet weggooien.
Welnu, in die zelfde preek waarin ik de homofilie een deviant, een afwijking noemde, heb ik daarom grote nadruk gelegd op de solidariteit, de eenheid van het menselijk geslacht voor God. De homofilie is een wond in het ene lichaam waartoe wij allen behoren. De voet kan niet zeggen tot de hand: ik heb er geen pijn aan. Zo geeft homofilie, samen met alle andere schades aan ons mens-zijn, ons reden tot gezamenlijke verootmoediging voor God. Slaan we deze weg in, dan ontmoeten we dáár de homofiel die een broeder in Christus is en die lijdt onder zijn euvel; die in zijn lijden en de wanhoop daaromheen wel eens naar protheses grijpt waar we ons hart. bij vast houden en die onze goedkeuring zeker niet kunnen hebben, maar die we, de nood waaruit ze geboren worden bij benadering kennend, ook niet durven laken - zeker niet met Schriftwoorden die op iets heel anders betrekking hebben zoals de bekende passage uit Rom. 1, waar de preek over ging.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief