ARBEID EN SABBAT

1980-08-22
  • Jaargang 24
  • nummer 31
Het valt te begrijpen, dat er nogal eens over arbeid wordt geschreven.
Denk alleen al aan het feit, dat arbeid een belangrijk deel van ons leven in beslag neemt. Er zijn zelfs mensen, die zeggen dat het juist de arbeid is, die een mens tot mens maakt. Hoe het zij, iedereen weet dat je opbloeit wanneer je boeiend werk hebt, en dat afstompend werk ook niet langs je zelf heen gaat.
En als je werkelóós bent, kun je het idee krijgen, dat het niet uitmaakt wàt voor werk je hebt, àls je maar werk hebt.
Wanneer er in christelijke kring over arbeid wordt nagedacht, wordt er nogal eens een verbinding gelegd met de bijbelse notie van de mens als Beeld Gods. In Gen. 1: 16 lezen we immers, dat God zei: Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Dat draagt de Here God de mensen die Hij geschapen heeft ook op: onderwerpt de aarde en heerst over haar. De mens ontvangt hier de opdracht om de aarde te ontdekken en te benutten.
En dat betekent dan tegelijk een opdracht tot arbeid.
In deze geest schreef prof. dr. W.H. Velema onlangs een artikel onder de titel "Uitgangspunten voor een bijbels arbeidsethos" * . Hij doet dat in de eerste plaats als weerlegging van de gedachte van een 'arbeidsloos inkomen', wat zou neerkomen op een gegarandeerd inkomen voor alle burgers, geheel afgezien van de vraag of men werkt.
Prof. Velema laat daarom zien, dat de arbeid een opdracht van God is, en verder dat er volgens de Bijbel een fundamenteel verband is tussen arbeid en het voorzien in eigen levensonderhoud. Vervolgens laat hij zien hoede contouren van de arbeid liggen in dienst aan God, dienst aan de naaste en dienst aan de arbeidende mens zelf. We hebben hier voor ons een heel positieve kijk op arbeid, vanuit de notie van de mens als Beeld Gods.
Ik herken veel goeds in deze benadering. Inderdaad kun je zo vanuit de Bijbel ingaan tegen een vrijblijvende houding ten opzichte van werk. Maar ik vind een manco van deze benadering, dat je zo moeilijk kunt laten zien, wat er in de Bijbel te beluisteren is aan relativering en corrigering van de menselijke prestaties. Laat ik een vergelijking trekken. In de Bijbel wordt vruchtbaarheid als een zegen van God gezien. Maar als je bij het spreken over vruchtbaarheid je uitgangspunt exclusief in Gen. 1 : 28 neemt ("Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde") dan kun je er nog zo alle kanten mee uit.
Dan dreig je uit het oog te verliezen bijvoorbeeld dat de Here tot teken van zijn verbond nu juist de besnijdenis zette. Een hele insnijding in de vruchtbaarheid. En dat op belangrijke punten in de geschiedenis een zoon geboren wordt, juist uit een verstorvene. En zo zijn er meer lijnen in de Schrift, die relativerend en corrigerend over de vruchtbaarheid spreken.
Nu, zo denk ik dat het ook met de arbeid is. Zeker, de arbeid mogen wij zien als een opdracht van God.
Maar wanneer je het uitgangspunt voor een bijbels arbeidsethos zoekt in de opdracht: onderwerpt de aarde en heerst over al het geschapene, dan kan men nog alle kanten uit.
En als je arbeid tekent als voortvloeiend uit het Beeld Gods zijn, dan loop je het gevaar dat je daarbij in gaat vullen eenvoudig wat men altijd al gedacht heeft over arbeid. En daarom denk ik, dat er als aanvulling nog een andere bijbelse notie nodig is. Daarbij denk ik aan dat àndere teken van het verbond: de sabbat (Ex. 31: 13).
Toen de HERE Israël gebood om op alle zeven dagen één dag rust te houden, was dat een insnijding in de arbeidsproductiviteit. Nu wijst prof. Velema er wel op, dat ook de rust een ordening van God is, en dat daarom de mens niet kan opgaan in zijn arbeid op straffe van ongehoorzaam te zijn aan het gebod om te rusten, maar hij laat niet zien wat dit voor onze arbeid betekent.
Graag wil ik hiervoor de aandacht vragen.
Ik wil daarbij drie bekende teksten bespreken die over de sabbat gaan: Ex. 16, Deut. 5: 12-16 en Ex. 20 : 8-11.
Brood uit de hemel In Exodus 16 lezen we voor het eerst, dat de Here zijn volk gebiedt om de sabbat te houden. We kennen dit hoofdstuk als de geschiedenis van het manna. Israël had de spectaculaire bevrijding uit Egypte pas achter de rug.. en men mocht verwachten dat het dankbaar en vreugdevol zou voorttrekken onder de hoede van zijn Bevrijder. Maar zodra de honger kwam, werd er geroepen: had ons maar in Egypte gelaten! En dat betekende niets minder, dan dat ze bij hun Bevrijder vandaan wilden. Dan lezen we van Gods genadige antwoord: "Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen". Met een majesteitelijke, ja Goddelijke eenvoud lost de Here het probleem op. Maar dit manna Bloest méér zijn dan proviandering-voor-het-moment. Israël moest er de les uit leren, dat het nooit uit bezorgdheid om eten of drinken zijn God de rug mocht toekeren. Maakt u niet bezorgd wat gij eten zult, of waar gij u mee kleden zult, want uw hemelse Vader weet, dat gij dit nodig hebt. Dat vertrouwen is onmisbaar in de dienst aan de HERE. Anders blijven we in de macht van het produceren en geld verdienen. Het belang van dit vertrouwen reikte verder dan alleen het voortgaan op de reis door de woestijn. Het is namelijk de basis voor heel het leven uit de thora, uit de wet van God. Daarom verbond de Here een proef aan het manna. Het volk moest elke dag precies voldoende voor één dag verzamelen, en op de zesde dag voor twee dagen. En de zevende dag moest iedereen dan ook binnenblijven, en niet weer gaan zoeken.
De Here stelde deze regel "opdat Ik het op de proef stelle, of het al dan niet wandelt naar mijn thora" (Ex. 16 : 4). Wat een teleurstelling was het voor de Here, dat er toch weer mensen waren die het vertrouwen niet op konden brengen om dagelijks uit zijn Vaderhand het brood uit de hemel te ontvangen.
Er waren mensen, die de Here voor de dag van morgen niet vertrouwden, en manna opspaarden voor de zekerheid - tot een stinkend getuigenis.
van hun ongeloof. En anderen vonden op de zevende dag dat méér nooit kwaad kon. Op de dag, waarvan de Here gezegd had: een rustdag, een heilige sabbat is het voor de Here.
Wat we in dit hoofdstuk over de sabbat lazen, is niet alleen dat we op z'n tijd (op Zijn tijd!) moeten rusten. Nee, het gaat juist om het wèrk, om de broodwinning. Het was de bedoeling van de Here, dat deze geschiedenis een onderwijzing voor de latere geslachten van Israël zou zijn. Daarom moest er een kruik met manna gevuld worden om het voor de komende geslachten te bewaren. Dan konden zij het brood zien, waarmee de Here hun vaderen gevoed had toen Hij hen uit Egypte leidde (Ex. 16 : 32). Zo kon deze geschiedenis ook in Kanaän nog bijdragen tot het arbeidsethos.
Je werkt wel hard - en dat is ook goed! - maar vergeet daarbij niet: alle dagen is ons brood brood uit de hemel.
In Deuteronomium 8: 3 en 16-18 lezen we, hoe Mozes bij deze geschiedenis aanknoopt. Hij haalt daar op, dat de Here het manna gaf "om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat". De Here heeft het volk zelfs in de woestijn gevoed.
"Zeg dan niet bij uzelf: mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verworven. Maar gij zult aan de HERE, uw God den geeft om vermogen te vérwerven, ten einde het verbond gestand te doen, dat Hij uw vaderen gezworen heeft - zoals dit heden het geval is".
Dit is het eerste, dat we vanuit de sabbat leren over ons werk. Het knakt de trots op de prestaties van arbeid en techniek, maar het leert ons ook dat we om de broodwinning de dienst aan de Here niet mogen verlaten. Zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid, en dit alles zal u bovendien geschonken worden.

Voortgaande bevrijding

Voor we in Exodus gaan lezen in het sabbatsgebod in hoofdstuk 20, wil ik eerst nog aandacht vragen voor Deuteronomium 5: 12-15.
Zoals bekend lezen we daar een andere motivering bij het sabbatsgebod dan in Exodus 20. Er staat: want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm; daarom heeft u de HERE, uw God, geboden de sabbatdag te houden.
Hier wordt de sabbat getekend als voortgaande bevrijding. De Here heeft Israël bevrijd uit Egypte, dat huis van slaven. Maar daarmee was zijn bevrijdend werk niet afgelopen.
Nee, daarvan moest ook wat te zien zijn in de hele Israëlitische maatschappij.
De Here had zijn volk niet bevrijd uit het slavenhuis om hen nu voortaan eindeloos te zien sloven! De sabbat blijkt zo een uitdrukking te zijn van Gods heilswil voor Israël. Dat kunnen we natuurlijk onmogelijk begrijpen wanneer we bij 'sabbat' denken aan: niet breien, niet fietsen, niet zwemmen.
Maar wanneer we in Deuteronomium zelf lezen (hoofdstuk 15 en 16, vgl. ook Lev. 25-28), dan begrijpen we wat een stroom van bevrijding dit voor een Israëliet meebracht.
Om eens iets te noemen:
- iedere zeven jaar kwijtschelden van schuld aan de arme naaste
- met mildheid geven, zonder daarover verdrietig te zijn- een slaaf na zes jaar vrijlaten
- ieder jaar drie grote feesten voor de HERE En zo zou er meer te noemen zijn.
We kunnen dat samenvatten met: recht doen aan de naaste (of juister nog: hem mildheid bewijzen) en eer en dank brengen aan God.
Ook in Deuteronomium gaat het sabbatsgebod dus wel over de rust, maar meer nog zegt het heel wat over de houding in de arbeid. We kunnen eruit leren, dat werk niet automatisch heilzaam is.
Prof. Velema wijst erop, dat ná de zondeval (Gen. 3: 13) voorarbeiden het zelfde woord wordt gebruikt als in de paradijstoestand Vóór de val (Gen. 2: 5, 15). Dat is terecht. Inspanning is niet een gevolg van de zonde. Maar door de zonde komt er wel iets dubbelzinnigs in. Datzelfde woord uit Genesis wordt óók gebruikt voor de knechtschap in Egypte. En we hebben het sabbatsgebod nodig om ons daarvoor te bewaren. Te gemakkelijk kan door de arbeid de gerechtigheid tegenover de naaste en de eer aan God in de knel komen.

Gods werkweek model voor de onze

Tot slot kijken we naar Exodus 20.
Daar zien we weer een andere kant aan het sabbatsgebod, en daar kunnen we nog meer leren over onze arbeid. Het motief voor het sabbatsgebod luidt daar: Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die.
Dit is misschien wel het hoogste, dat over onze arbeid gezegd kan worden. Gods werkweek model voor onze werkweek! Er wordt hier een vergelijking getrokken tussen Gods majesteitelijk scheppingswerk en onze arbeid. De Here, die de aarde formeerde, het licht tevoorschijn riep in de nacht en de wateren hun plaats wees, en... ons dagelijks werk. Onmiskenbaar klinkt hier die hoge roeping door die God de mens gaf: Beeld Gods te zijn. In de ontplooiing en het beheer van de aarde iets te laten zien van Gods zorg voor de aarde en alles wat daar leeft en allen die daar wonen. Dit is inderdaad een heel hoge kijk op de arbeid. Onze arbeid wordt weggerukt uit de sfeer van alleen maar bezorgdheid om het dagelijks brood, en geplaatst in het grote perspectief van Gods zaak. En dat is inderdaad de allerdiepste zin van de arbeid: een bescheiden deel te mogen zijn van Gods gang met de geschiedenis.
Dan komen de contouren van de arbeid in het blikveld: dienst aan God, dienst aan de naaste en dienst aan de natuur. Goed werk doen, om iets mee te kunnen delen aan de behoeftige.
Intussen: al wordt Gods werkweek hier model gesteld voor de onze, het gààt natuurlijk in de eerste plaats om de rust. dat moeten we terdege en voortdurend bedenken, wanneer we gehoor geven aan Gods opdracht om de aarde te beheren.
Dat de Here rustte op de zevende dag, is de Goddelijke garantie dat Hij het al in handen heeft. Zijn werk is àf, Hij staat garant voor de uitkomst. Zijn werken zijn van de grondlegging der wereld af gereed (Hebr. 4: 3).
Dit moet er wel bij gezegd worden, wanneer we over de menselijke arbeid spreken als het ontplooien en beheren van de aarde. Want naast de onderwaardering van arbeid waartegen professor Velema schrijft, is er vandaag ook een óverschatting van de arbeid. Te gemakkelijk kunnen we ertoe komen..
te denken dat onze arbeid toch het Koninkrijk moet brengen.
Dat kan zich uiten in een activisme waar je overspannen van wordt Of in een cultuuroptimisme à la Readers Digest: er zijn grote problemen, maar als we alle krachten van techniek en wetenschap inspannen, komen we er uit.
Ik denk, dat het sabbatsgebod ons kan leren: de hoge roeping en de bescheiden plaats van onze arbeid.
De hoge roeping is, dat ons werk een afbeelding mag zijn van Gods werk. En de bescheiden plaats is deze: als wij maar eenvoudig wandelen de wegen van zijn wet, is dat voldoende. Dat zo uiteindelijk het Rijk Gods komt, kunnen we gerust aan Hem overlaten. Zijn werken zijn van de grondlegging der wereld af gereed.
Ik heb in dit artikel geprobeerd duidelijk te maken, dat de sabbat een wezenlijke kritische kanttekening is bij het werk. De sabbat is meer dan een schaftuur in het werk. Willen we werkelijk sabbat vieren, dan vergt dat geloof in God en zijn toekomst. We kunnen onszelf ermee toetsen (predikanten niet in het minst!): geloven we dat het eraf kan, die rust? Dat Gods werk dan wel door gaat?
Ik wil besluiten met op te merken, dat ik geloof dat uiteindelijk het vieren van de sabbat geen belemmering van onze arbeid zal zijn, maar juist de grote stimulans .

*) Velema, W. H. 'Uitgangspunten voor een bijbels arbeidsethos'. Thwlogia Reformata 23 (1980), nr. 2, pag.
93-111.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief