Zo was het (42)
1980-08-29
De uitdrukking "goede werken" kwam en komt blijkbaar in het woordenboek van gereformeerden van allerlei slag niet voor. In elk geval met kleine letters. In mijn jeugd werd in preek en onderwijs zelden aangedrongen op wat we kunnen noemen: de praktijk der godzaligheid. Ook in de opvoeding kwam dit zelden aan. de orde. Ik heb de indruk dat er sterk werd gewaarschuwd tegen wereldgelijkvormigheid. En wereldgelijkvormigheid was wat afweek van de zede der vaderen. De traditie speelde een grote rol. Tot de wereld behoorden: toneel en dans, kroeg en bioscoop. Naar de kermis mochten we niet. Dan even naar de poffertjeskraam om oliebollen te kopen.- Jaargang 24
- nummer 32
Kijken naar de jaarlijkse harddraverij mocht niet. Behalve wanneer een - kennis in de buurt woonde. Bij wie we op een platdak of bovenkamer de renners konden zien. Vooral op zondag was er weinig geoorloofd. Geen sport of spel. Niet zwemmen of fietsen. Behalve voor bezoek aan zieke of verloofde, Dat de zondag voor ons een feestdag was kan ik niet zeggen.
Van de preken kan ik mij niets herinneren. Dat lag voor een deel aan de preekheer. Voor een deel ook aan mij. M'n vriend was organist en ik z'n assistent. We zaten "op het orgel" zoals dat heette. Achter een gordijn.
Soms aan het repareren van het instrument. Wat natuurlijk niet bevorderlijk was voor de aandacht. We leerden trouw onze catechismus. Maar het onderwijs drong althans tot mij niet door. Met Paulus zou ik zeggen: ik leefde zonder wet. En ik was niet de enige. We schikten ons gewillig naar de traditie. Aan m'n jeugdjaren heb ik overigens aangename herinneringen.
We leefden vrij en blij. Op het platteland. Met al z'n zomer- en wintergeneugten.
Maar aan preek en catechisatie heb ik weinig gehad. De School was beter. Maar dat is een ander verhaal. Het gaat er mij nu om, dat ik mij niet herinner, dar ernstig werd aangedrongen op de "praktijk der godzaligheid".
Zo was de toestand volgens m'n' pastorale ervaring ook op de Veluwe. Een groot deel van de bevolking was kerks. En vrij trouw in het kerkgaan. De zondagsviering was streng. Wettisch. Zó streng dat sommige jongelui mij verzekerden: Als ik op eigen benen kom te staan, dan zien ze mij niet weer in de ,kerk. Van de zondag, een dag van lust, maakte men in brede kring een dag van last. En in de dagen der week leefde men bij de traditie. Geen toneel enz. enz. Maar in de dagelijkse handel en wandel, bij koop en verkoop, in zaken van geld en liefde, leefde men naar z'n natuur. Zeker waren er brs. en zrs. die de HERE kenden in al hun wegen. Maar over het algemeen ging men in "natuurlijke" zaken z'n gang. Dat moest eigenlijk niet.
Maar dat kon toch niet anders? De mens was toch verdorven, in ongerechtigheid geboren enz. enz. Dát werd in menige kerkdienst hun voorgehouden.
Het Evangelie is een kracht van God tot redding. Maar die Blijde Boodschap gold maar voor enkelen! Een uitverkorene hier en daar. Wat bleef er voor de schare anders over dan maar "z'n gang te gaan"? Nu was de geref. kerk naar men zei wel een oase in de woestijn van zogenaamde zware godsdienstigheid. Maar toch drong uit die woestijn ook wel zand in de oase door.
De Bijbel werd over het algemeen trouw gelezen. Ik heb mij vaak afgevraagd en vraag mij nog wel af: Hoe is het toch mogelijk, dat men de Schriften behoorlijk goed kent en toch van de praktijk der godzaligheid weinig terecht brengt? En van mening is, dat dit niet anders kan. En dat dit ook door voorgangers voorgehouden of toegestemd wordt. Ik kan niet anders concluderen, dan dat men bij een kleine Bijbel leeft. En dat men de talloze vermaningen "voor kennisgeving aanneemt". En overgaat tot de orde van de dag. En dat men zich verschuilt achter z'n onmacht. En zich troost met een vaak wankele hoop, dat Gods vergevende genade groot is.
In de rouwadvertentie staat dan vaak, dat hij of zij heenging "in de hope des eeuwigen levens". Die "hoop" is dan vaak een zweven tussen vrees en hoop.
Nu moet men mij goed begrijpen. Ik zeg niet, dat er weinig echte vroomheid was en is. Bij een slechte theorie kan goede praktijk voorkomen. Omgekeerd trouwens ook. Bij een goede leer, die men aanhangt komt soms een slechte praktijk. voor. Maar toch: al te zeer werd benadrukt de verdorvenheid van de oude mens. En te weinig leefde de overtuiging, dat de nieuwe mens-in-Christus veel vermag! Anders gezegd: Men dacht te groot van de macht der zonde en te klein van de kracht van Gods genade. Terwijl deze naar de Schrift veel machtiger is dan de duivel en zijn rijk der zonde.
In het vorige artikel heb ik trachten aan te tonen, dat de Here veel van zijn discipelen verwacht. Omdat Hij eerst hun alles geeft wat nodig is. Zijn juk is zacht en Zijn last is licht. En Gods geboden zijn niet zwaar. Het moest eigenlijk niet nodig zijn dit verder aan te tonen. Maar het schijnt wel nodig te zijn, gezien de praktijk van geloof en leven.
In Matth. 13 zegt de Heiland, dat wie het Woord hoort en verstaat vrucht draagt, honderd- of zestig- of dertigvoud. Dat dit niet vanzelf gaat spreekt vanzelf, voor wie de Schrift kent. "Wie oren heeft die hore", Uit de gelijkenis van het Koninklijk Bruiloftsmaal (Matth. 22) blijkt dat het nodig is een feestkleed te hebben. Toen één van de gasten dat kleed niet droeg vroeg de Koning, hoe hij zo was binnengekomen. De indringer kon zich niet verontschuldigen. Hij verstomde. Hij had zulk een kleed kunnen dragen. Daarvoor had hij moeten zorgen. Nu werd hij uitgeworpen. Hij was wel geroepen. Maar werd door eigen schuld niet uitgekozen, niet verkoren om altijd bij de Here te zijn. Of het er ook op aankomt zich te bekeren en zich te kleden voor het Feest.
In de gelijkenis van de talenten in Matth. 25 zegt, de Heer tot de trouwe slaven, die gewoekerd hebben met hun gaven: "Wel gedaan, gij goede en getrouwe slaaf. Over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten. Ga in tot het feest van uw Heer". In datzelfde hoofdstuk zegt de Heiland: "Komt, gij gezegenden van mijn Vader. Beërft het Koninkrijk dat u bereid is van de grondlegging der wereld af". Wat hebben zij dan gedaan? Honger gestild, dorst gelest, zieken bezocht, vreemdelingen onderdak verleend en aan gevangenen gedacht., Geen grootse daden. Maar wel goéde werken.
Nergens heeft de Heiland gezegd: "Gij hebt niet gekund". Maar wel: "Gij hebt niet gewild". Zo staat er ook in de gelijkenis van de Bruiloft: "zij, de genodigden, wilden niet komen". Hij wist wel wat in de mens was. Hij spreekt ook van "gij, die slecht zijt". Namelijk van natuur. Ook heeft Hij gezegd: "Zonder Mij kunt gij niets doen". Maar wie in Hem gelooft kan wél soms zonder Hem leven en doen. En dan gaat het verkeerd. Dat is ,echter niet normaal in hun leven. Zonder Hem houden ze het niet uit. Als de Here nergens zegt, in verband met Zijn bevelen, dat z'n discipelen onmachtig 'zijn, er niks van maken, waarom zullen wij het dan doen? Weten wij het beter? Er zijn inderdaad leerlingen, die wijzer zijn dan hun leermeester.
Naar de spreuk: "De meester in zijn wijsheid gist, de leerling in zijn waan beslist." Maar zo mogen dienaren van het Evangelie toch niet doen? Dat gebeurt echter menigvuldig.
Dat het strijd kost om naar aanwijzing van het Evangelie te leven is zeker.
Zoals Lukas 13 : 24 zegt: "Strijdt om in te gaan door de enge poort. Want velen, zeg Ik, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen". Als iemand wat triumfantelijk zou zeggen: dus toch niet kunnen! Dan is het antwoord: Het zal niet meer kunnen aan het einde der dagen! Als de heer des huizes is opgestaan en de deur gesloten heeft. Dán is het te laat. Maar wie nû strijdt om in te gaan zal in de dag van het oordeel mogen ingaan. De werkers der ongerechtigheid zullen buiten geworpen worden. Die alleen maar gezégd hebben Here Here. Die strijd om in te gaan is zwaar voor de oude mens.
Die wil er niet aan. Maar licht voor de nieuwe mens. Dat zal ieder ondervinden die er aan begint. En daarin volhardt. De Duitsers hadden het vroeger over de oorlog als "een frisse vrolijke strijd". Helaas. Maar de strijd tegen de duivel, de wereld en vooral tegen eigen vlees is fris en vrolijk. En leidt naar Gods belofte tot de overwinning.
Dat het aankomt op het doen van Gods wil is klaar als de dag voor ieder die de Schrift kent. Hoe zou het ook anders kunnen voor ieder, die in de Here Jezus gelooft en God liefheeft? We kennen allen de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Terwijl priester en leviet de halfdode vreemdeling met een boogje passeerden, verzorgde de Samaritaan hem zoveel als hij kon.
Hij verstond van wie hij de naaste was. En wat zegt de Heiland dan aan het slot? "Ga heen, dóe gij evenzo". Zó hebben wij nog te handelen.
Aan het begin van deze gelijkenis vraagt een wetgeleerde: "Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?" De wedervraag luidt: "Wat staat in de Wet geschreven?". Dat weet de Schriftgeleerde wel: God liefhebben en de naaste. Daarop zegt de Heiland: "Doe dat en gij zult leven".
Dat is, goed. verstaan, waar. Het kan ook worden misverstaan. Zoals de wetgeleerden meenden door uit de wet te leven, zonder Gods genade, het leven te verdienen! Dáar heeft Paulus zich tegen verzet. Wie uit eigen kracht probeert met dat grote gebod klaar te komen, bereikt z'n doel niet. Eerder vertelde ik al, dat iemand eens tegen mij zei, verwijtend: "V leert: doe dit en gij zult leven". Inderdaad leerde ik dat. Maar ik bedoelde niet een doen en leven uit de wet, maar een doen en leven uit genade. In de zin van Joh.
17 : 3: "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, alle Gij gezonden hebt". Kennen staat hier gelijk met liefhebben. Laten we het maar doen, God en de Here Jezus liefhebben. Dat is het leven in de volle zin van het woord.
Dat we met weten en zeggen niet klaar zijn, blijkt ook uit de geschiedenis van de voetwassing. Het verhaal zal ons allen bekend zijn. En anders lezen we het nog maar eens na. Het staat in Joh. 13. Daaruit blijkt, dat de discipelen nog lang niet de volmaaktheid hadden bereikt. Niet alleen uit dit verhaal trouwens. Ze waren soms kleingelovig, wat de Heiland hun verwijt.
Petrus wankelde op de golven. Of liever hij zonk weg in de kolkende zee.
Waarop de Here vraagt: Waarom hebt gij gewankeld? Ze vochten ook wel over de vraag, wie de eerste onder hen zou zijn. Allemaal kwalijke zaken.
Zoals zij in het leven der gelovigen nog voorkomen. Ik ben heus geen volmaaktheidsdrijver.
In de zin van: We zijn gearriveerd, we hebben het einddoel al bereikt. Ik ben het wél in de zin van: Laten we naar de volmaaktheid jagen! Daarmee bevind ik mij in goed gezelschap van de Here Jezus.
Die gezegd heeft: "Weest volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is". Maar nu dan de voetwassing. Niemand van de elf was bereid dat slavenwerk te doen. Dát was allen te min. Dan maar met vuile voeten aan tafel. Dan toont de Meester hoe het behoort. Hij is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Hij doet dan het vuile werk. Tot stomme verbazing van de leerlingen.
Dan neemt Hij het woord en zegt: Gij noemt mij Meester en Heer. Terecht.
Als ik dat dan ben, volgt mijn voorbeeld. Dat Ik u gegeven heb. Wast ook elkaar de voeten. Doet voor elkaar slavenwerk. Dient elkaar door de liefde.
En Hij eindigt met deze woorden: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, nog een gezant boven zijn zender. Indien gij dit weet, zalig zijt gij als gij het dóet."
'k Hoor iemand denken of zeggen: "Maar de ervaring leert ons toch, dat er van die goede werken weinig of niets terecht komt? Het zou wel zo moeten, maar het is nu eenmaal niet zo". Mogelijk heeft zo iemand wel gelijk.
God weet hoeveel er van terecht komt. Misschien wel meer dan "men"
klaagt. Maar zullen we God daarvan de schuld geven? Ligt het aan de armoede van Zijn Genade? Aan het gebrek van Zijn Liefde? Aan de onwil van de Heilige Geest? Wie dat durft zeggen moet wel niet bang zijn. Daaraan ligt het zeker niet. Nu kunnen we de schuld aan de duivel geven. Of aan de wereld. Die zitten of staan er wel achter. Maar de verleiding kan ook komen van vrome lieden. Ook wel van kanselredenaars. En van vrome schrijvers. Gelooft hén niet. Maar het Evangelie. Dat geloof jaagt de duivel weg. En overwint de wereld. Want: "Nooit kan 't geloof te veel verwachten".
Dat zingt men fris en vrolijk in de samenkomsten. Doet men er naar?
Doen wij er naar?