Maatschappelijke hulp en de kerk

1980-08-29
  • Jaargang 24
  • nummer 32
In dit en de komende nummers kunt u de inleidingen lezen die door de diverse sprekers tijdens de Opbouwjaarvergadering op 31 mei j.l. in Utrecht zijn gehouden.
U vindt in dit nummer onderstaande inleiding van mr. C. W. Bakker, voorzitter van de Stichting Anno 1970 voor Jeugdzorg en Maatschappelijk werk, in de komende nummers zult u achtereenvolgens inleidingen aantreffen van ds J. M. Smelik (legerpredikant), Ad Berger (werkzaam bij de stichting "Youth for Christ") en drs W. G. Rietkerk (lid van de redaktie).



Wat verwacht de maatschappelijk werker van de Kerk? Gezien de titels van de andere onderwerpen, spreek ik hier niet hoofdzakelijk over de maatschappelijk werker, maar meer over diegenen in de kerk, die voor een deel op zijn hulp en toewijding zijn aangewezen. Mijn verhaal gaat dan ook over de maatschappelijke hulpverlening in de kerk.
Wat is nu maatschappelijke hulp of maatschappelijk werk?
Maatschappelijke hulp kan worden omschreven "als het systematisch ontwikkelen van activiteiten gericht op opheffing van met name immateriële noden van personen, gezinnen en bevolkingsgroepen, welke noden een gevolg kunnen zijn van aanpassingsmoeilijkheden in eigen leefmilieu of van bedreigende dan wel vervreemdende tendensen in de samenleving."
Heef het onderwerp van de beide andere inleiders meer betrekking op een bepaalde categorie "militairen" of "jeugd", de maatschappelijk werker in onze kerken wordt met personen of groepen van personen geconfronteerd die in die zin niet onder één noemer zijn te brengen en slechts gemeen hebben, dat zij in nood verkeren en hulp nodig hebben.
Wanneer U de aan mij voorgelegde vraagpunten van dit onderwerp en mijn naam als inleider hebt gelezen, kunt U zich afvragen: "Wat heeft hij er als vertegenwoordiger van het kerkelijk maatschappelijk werk in onze kerk voor belang bij?" U zult misschien denken: "De Stichting voor Jeugdzorg en Maatschappelijk werk, die zo nauw bij de maatschappelijke hulp in onze kerken is betrokken, is toch op voorstel van de diakenen in het leven geroepen?"
Haar kerkelijke papieren liggen naar onze mening zo te zien niet slecht." "Hebben we niet gehoord, dat de diakenen op de C.D.C. te Bunschoten een aantal jaren geleden hebben gepleit voor het aantrekken van een maatschappelijk werkster naast de jeugdconsulent ?" "Heeft de stichting niet volop werk om aan alle vragen om hulp uit de kerken te voldoen, zodat zij niet eens geheel aan de uitvoering van andere taken toekomt?"
Toegegeven moet worden, dat dit allemaal zo is. En wat ook waar is, hetgeen mij op het ogenblik het meest verblijdt, is het feit dat de belangstelling voor ons werk en het inzicht in de nauwe verwevenheid daarvan met het christelijk dienstbetoon, groeit. Ik kan voorts nogal wat gemeenten noemen, waarmede een uitstekende samenwerking bestaat en waarvan ons bekend is dat de ambtsdragers en gemeenteleden zich inspannen om de noden van hun broeders en zusters te lenigen - indien nodig - in overleg met of door hulp van ons! Maar toch ... heb ik nog al eens twijfels.
Ik ben daarom met geen al te grote tegenzit) ingegaan op het verzoek namens de Persvereniging "Opbouw" gedaan, hier over dit onderwerp iets te zeggen. Ik belicht de zaak tegen de achtergrond van de Nederlands Gereformeerde Kerken aan de hand van een aantal mij voorgelegde vragen.
Wanneer U hierna ook wat kritische noten hoort, moet U niet denken, dat zij worden voortgebracht omdat het instrument waaraan zij zijn ontlokt, ontstemd is, maar dat zij verband houden met een minder goede acoustiek, die verbetering behoeft wat betreft de plaats van het instrument en de grootte van de ruimte.
Het zou fijn zijn, indien mijn betoog zou bijdragen tot het op gang brengen van een discussie over en bezinning op deze zaak in onze kerken. Ik hoop dat het soms door mij toch nog gevoelde wantrouwen tegen ons werk met betrekking tot de diaconale taak der kerk zal zijn weggenomen en dat er meer inzicht zal ontstaan in de noodzaak dit werk bij de taak van de kerk in deze tijd en in de wereld van nu te betrekken. Wij streven ernaar dat de diakonia intensiever en in ruimer verband wordt beleefd. Kernvraag is hier: "Behoort de leniging van maatschappelijke nood tot de diakonale taak der kerk?"
En wat zijn de redenen, dat wij er met zoveel nadruk op moeten wijzen dat het antwoord bevestigend is? .

Met welke maatschappelijke nood worden wij in. onze kerken geconfronteerd en waarop hebben de vragen om hulp en advies betrekking? Ongeveer de helft heeft betrekking op huwelijks-, gezins- en opvoedingsproblemen, verder zijn er verzoeken om hulp hij alcohol- en drugverslaving, bij problemen van onvolledige en gebroken gezinnen, bij psychische ontreddering en relatiestoornissen, bij geestelijke problemen van werklozen en arbeidsongeschikten, alleenstaanden al of niet met kinderen, lichamelijk- en geestelijk gehandicapten e.d. De verzoeken om hulp aan de "Stichting Anno 1970" zijn in ongeveer gelijke verhouding afkomstig van ambtsdragers en van de betrokkenen zelf inclusief hun familie of bevriende relaties. Deze verzoeken worden strikt vertrouwelijk behandeld en als het enigszins mogelijk is en de betrokkene daarmede instemt in samenspel met de predikant, diaken of enkele gemeenteleden.
Ik acht dit laatste de beste manier van werken.
Het kenmerkende van deze in nood verkerende mensen is: Nu eens dat zij zich in de steek gelaten voelen door hun medebroeders en -zusters, dan weer dat zij het normale contact met de overige gemeenteleden missen of dat zij gebrek aan vertrouwen hebben en meestal een groot schuldgevoel of minderwaardigheidsgevoel bezitten. Zij zien er tegen op om hun medebroeders en -zusters te ontmoeten. De kerkgang en andere ontmoetingen in de kerkelijke sfeer gaan zij mijden, waardoor de afstand steeds groter wordt. Hier is een liefdevolle opvang door de gemeenteleden nodig! Een nog niet zo oude weduwe zei mij eens: Dikwijls wordt tegen mij gezegd "Je bent van harte welkom." Maar ik moet als ik ergens heen wil eerst belet vragen. Bijna nooit komt iemand mij uit zichzelf bezoeken Ik kan eigenlijk ook zo moeilijk met ze praten over de opvoeding vàn mijn kinderen en de problemen die ik daarmee heb.
Een broeder met huwelijksmoeilijkheden hoorde ik eens zeggen: "Toen ik een opmerking maakte over iemands optreden tijdens een gesprek, kreeg ik ten antwoord: "Houd jij je mond maar, want bij jou is het ook niet alles O.K.!" Natuurlijk een dooddoener, waarmee de elke communicatie aan zijn eind komt. Veel hangt voor de hulpverlening in de gemeente af van de geest die er leeft. Kan men luisteren? Heeft men niet direct zijn oordeel klaar, zonder dat men de achtergronden kent? Kun je elkaar vertrouwen? Kun je wel eens iets aan je medebroeder en -zuster opbiechten, zonder dat men zó schrikt, dat de verhouding verbroken wordt of dat de inhoud van het gesprek verder wordt verteld?
Hier is een streven naar een zekere harmonie nodig. Geen strenge sociale controle, waarbij blikken naar iemands mooie hoedje of opvallende jurk de draagster in haar schulp doet kruipen, waardoor een verdere ontplooiing van de misschien wel innerlijko zo onzekere draagster verstikt. Aan de andere kant geen algehele vrijheid en vrijblijvendheid in de verhouding tot de ander.
De vrijheid in Christus zoekt juist die harmonie. In deze tijd waarin het individualisme hoogtij viert met zijn "kom op voor jezelf!" is de tendens sterk, dat de kerk uit losse personen gaat bestaan. Ook de recente kerkgeschiedenis van de vrijmaking en de daarop volgende scheuring en het ontstaan van onze kerken met zijn vele teleurgestelden kunnen een te ruim gevoel van bevrijding en algehele vrijheid buiten proporties aanwakkeren.Om die reden bezwaart het mij, dat ons lang niet uit alle Nederlands Gereformeerde kerken van ambtsdragers regelmatig verzoeken om hulp en advies op dit terrein bereiken .Wanneer dit een gevolg is van het feit, dat in die kerkelijke gemeenten dergelijk noden niet bestaan of dat zij ze zelf lenigen, kan ik daarover slechts verheugd zijn. Soms blijkt door een uitspraak of vraagstelling van een ambtsdrager uit de gemeente echter, dat hij de maatschappelijke hulp in het kader van de kerk niet ziet zitten. Maar juist uit die gemeenten komen nog wel eens vragen om hulp van gemeenteleden met het verzoek daarover niets aan de ambtsdragers te zeggen.

Uit een enquete die in 1977 werd gehouden onder 74 diakenen afkomstig uit het merendeel onzer kerken kwam o.m. als resultaat naar voren, dat in de eerste plaats van de 74 diakenen ongeveer 80% hulp had verleend bij financiële problemen (dus de traditionele hulp); in de tweede plaats iets meer dan de helft van hen in aanraking kwam met problemen van bejaarden, zieken, alleenstaanden, lichamelijk en geestelijk gehandicapten of onvolledige gezinnen, waarbij dus stellig ook financiële moeilijkheden een rol speelden; in de derde plaats minder dan de helft werd geconfronteerd met opvoedings- en huwelijksproblemen, waarbij het voor de hand ligt, dat hier nog minder financiële achtergronden dan bij de vorige groep aanwezig zijn; in de vierde plaats minder dan een kwart hulp had verleend aan mensen met psychische problemen, ingeval van alcohol- of drugverslaving en bij sexuele moeilijkheden.
Een zeer groot gedeelte van de diakenen was blijkens deze enquete bij de leniging van stoffelijke nood betroken, terwijl het percentage van het aantal dat bij echte maatschappelijke nood betrokken werd sterk terugliep wanneer het financieel aspect daarbij minder werd. En dat in een tijd, dat in ons land de sociale voorzieningen in materiële zin het best ter wereld zijn en anderzijds de gevolgen van de welvaart de materiële nood in het algemeen enorm deden toenemen. Een doorslaggevend bewijs op zichzelf dat er gemeenten zijn, waarin praktisch geen maatschappelijke hulp werd verleend is dit echter niet! Wel zou je kunnen zeggen dat een gedeelte der diakenen zich niet realiseren welke noden er zijn in deze tijd! Te dien aanzien kan verder nog worden gevraagd: "Onderkennen de diakenen waar maatschappelijke nood is?" "Zien zij en de gemeenteleden het als hun taak - en niet uitsluitend die van deskundigen - deze nood te lenigen?" "Hebben de diakenen het vertrouwen van hen, die in nood verkeren?"
"Hebben zij het gevoel, dat zij door de gemeente in hun ambt worden gedragen?" "Dragen zij daartoe bij of is hun werk ten opzichte van de gemeente, die misschien af en toe een financieel overzichtje te zien krijgt, iets geheimzinnigs?”

Het is duidelijk, dat soms de maatschappelijke hulp moeilijk van de grond kan komen in de kerk en wel omdat een gemeenschap niet te koop loopt met de problemen die ik hierboven heb genoemd (wanneer die er zijn) en het is begrijpelijk, dat zij die graag binnenskamers houdt. Dit geldt met name voor de kerk, waarvoor zo op het oog die problemen en de achtergronden daarvan indruisen tegen wat de leden hebben geleerd over het leven naar Gods geboden. Het ligt zo voor de hand, dat bij het constateren, dat die problemen werkelijk bestaan, wordt gezegd, dat bij de betrokkenen - het geloof ontbreekt en dat zij hun nood aan zichzelf te wijten hebben.
"Bid maar veel, dan gaat het wel over!" krijgt soms iemand in nood als enige troost en remedie te horen! Het gevaar is levensgroot aanwezig, dat de hulproepende elders bij een neutrale instelling zijn heil gaat zoeken en dat zo de band met de gemeente verder verloren gaat.
Verder speelt een rol dat het maatschappelijke werk inhoudelijk niet concreet voor onze mensen leeft, men vindt het dikwijls maar flauwekul dan wel acht men het te moeilijk om zich er in te verdiepen (eigenlijk specialistenwerk).
Een oudere zuster met psychische moeilijkheden vertelde mij eens, dat haar familie telkens tegen haar had gezegd: "Zet je toch over die onzin heen! Met behulp van een buitenkerkelijke psycholoog is zij toen van haar angsten losgekomen.
En het voor mij pijnlijke was, dat deze psycholoog de therapie was begonnen met de serieus gemeende raad (die toen kennelijk ook geholpen heeft): "Je moet je van die kerkmensen maar niets aantrekken!"
Hiertegenover staat dat wanneer het doel daarentegen in de ogen van de kerkmensen concreet is en als daarbij aan de misdeelden weinig schuld aan hun toestand in de schoenen kan worden geschoven, spontaan met bewogen hart en gulle hand gegeven wordt, bijv. voor het stichten van ziekenhuizen, kindertehuizen, voor acties ten behoeve van hongerende kinderen e.d.
Soms kom ik tot de teleurstellende ontdekking dat ambtsdragers - ondanks publicaties en' voorlichtingsavonden op dit punt - van de mogelijkheid dat in hun gemeente maatschappelijke hulp door de Stichting van de kerken wordt verleend geen gebruik maken. Het komt voor dat gemeenten in dit vlak samenwerken met regionale algem. christ. instellingen, omdat zij van die mogelijkheid niet op de hoogte waren. Zonder te willen stellen, dat de gemeenten niet vrij zouden zijn zich tot welke instantie dan ook om hulp te wenden, zie ik toch als groot nadeel, dat daardoor de kans wordt verminderd het eigene van de gemeenschap in de hulpverlening tot uitdrukking te brengen. Ook heeft dit tot gevolg, dat het nog minder duidelijk wordt, dat ook de maatschappelijke hulpverlening echt kerkewerk is. Een dergelijke' ontwikkeling kan onze betrekkelijk kleine groep kerken verder van elkaar af leiden. Kunnen wij juist door het verdiepen van de diakonia niet een duidelijker op de Schrift gebaseerde identiteit krijgen? vraag ik mij vaak af.
Naar mijn mening is dit een even belangrijke factor om de onderlinge band te verstevigen als het streven naar een hechte kerkelijke organisatie. In wezen zal onze visie op het waarlijk "kerk-zijn" de doorslag moeten geven!
In de Bijbel wordt de "kerk" meestal vertaald door "gemeente" - het lichaam van Christus genoemd. De gemeente is door God apart gezet opdat door haar Gods heil over de wereld verspreid wordt.
Evenals door het volk van het oude verband alle volkeren der aarde gezegend zouden worden is dit ook het geval met de gemeente: God heeft het Israël zwaar aangerekend, dat zij vooral op dit punt Zijn opdracht heeft veronachtzaamd. De gemeente is geen doel op zichzelf of een leuk onderonsclubje. Er dient in het samenleven van de gemeente iets zichtbaar te zijn van barmhartigheid en liefde.
Het beeld van de gemeente als "lichaam van Christus" zegt eerst iets over de band tussen de gemeente en Christus, maar betreft ook de onderlinge verhoudingen. Als een lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer te beurt valt, delen alle leden daarin. Dit duidt op een sterke onderlinge verbondenheid, op een hechte gemeenschap.
Iedere persoonlijkheid kan en moet tot volle ontplooiing komen als lid van de gemeente. Hiermee verband houdt de diakonia - het doen van barmhartigheid.
Dienen - en ook de maatschappelijke hulpverlening valt hieronder - betekent er voor zorgen, dat de ander krijgt waar hij recht op heeft; het is dus ook verbonden met gerechtigheid. Neerbuigende hulp, bedeling, waarop in de vorige eeuw dikwijls de diakonia neerkwam, is geen barmhartigheid. De barmhartigheid is vooral gericht op het helpen van hen die er alleen voor staan. Jezus Christus is hierin tot het uiterste gegaan.
Elke gelovige, maar ook de gemeente, heeft de opdracht tot diakonaal dienenen, in zonderheid betreffende de huisgenoten des geloofs, maar ook ten behoeve van álle mensen. De taak van de diaken in de gemeente is dan ook met name "De heiligen toe te rusten tot dienstbetoon!" Zij behoren het diakonale werk van de gemeente te stimuleren, te coördineren en te leiden.
De gemeente mag de diakonia niet aan haar ambtsdragers overlaten en de ambtsdragers behoren de gemeente geen diakonale taken uit handen te nemen. De maatschappelijk werker in de kerk moet worden gezien als een instrument waarmede een gedeelte, en tegenwoordig een belangrijk deel, van de diakonale taak beter en doeltreffender kan worden uitgevoerd.

Ik heb reeds gezegd wat het leven overeenkomstig de hierboven weergegeven visie op het lichaam van Christus voor gevolgen heeft op de gemeenschapsoefening en het dienstbetoon en waar we in dit opzicht naar moeten streven. Gaat de Geest van Christus leven inde gemeente, dan krijgen de leden (meer) oog voor elkaars noden en voor de noden van diegenen, die zij op hun weg naar de kerk zien. In de verkondiging van het Evangelie zal de gemeente ook meer moeten worden opgeroepen zich dienovereenkomstig te gedragen en zich uit haar isolement los te maken, om zich nog meer open te stellen voor de dikwijls onbegrepen en ongevoelde nood van anderen; ook op dit punt is bekering nodig!
Het gebed tijdens de dienst zal in vele gevallen meer en directer op diegenen, die in maatschappelijke nood verkeren moeten worden betrokken, zodat ook ons "medelijden met" en "mededragen van" hen die in nood verkeren intenser wordt gevoeld en doorleefd.
Het is mijns inziens zeer nodig, dat er in de gemeente goede voorlichting over de mogelijkheden tot maatschappelijke hulpverlening wordt gegeven dat deze hulpverlening wordt ingepast in de diakonia en dat de gemeenteleden leren zien, dat zij met of in hun nood niet alleen staan.
Belemmeringen om tot een verdere ontplooiing van de maatschappelijke hulpverlening in de kerk te komen, zijn stellig aanwezig: Als zodanig zie ik: Een verstarde levenshouding (waarover ik zo juist sprak), de neiging tot restauratie (de luist om alles bij het oude te laten) en soms kerkpolitieke overwegingen (we moeten niet te veel veranderen ten opzichte van gelijkgerichte kerkgenootschappen).
De belemmeringen moeten door het levende Woord worden opgeruimd.
De beantwoording van de vragen over onze identiteit dient uit Gods Woord te worden geput.
Ik hoop dat ik hier een klein elementje van die identiteit heb aangedragen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief