Het noemen van de Naam in de politiek
1980-09-05
In het vorige artikel schreef ik de volgende zinnen: "Het specifiek christelijke in het behartigen van deze belangen (betrouwbaarheid, waarheid, eerbaarheid enz.) zal dan moeten bestaan in het duidelijke en publieke noemen en aanroepen van Gods Naam als garant van deze waarden." En: "Het christelijke in de politiek bestaat namelijk vooral hieruit dat ter versteviging van deze humane waarden hun religieuze verworteling genoemd en beklemtoond wordt, door woord en daad." Ter toelichting van deze zinnen publiceer ik nu een meditatie die ik in de laatste lijdenstijd op schreef. Daarin laat ik ten aanzien van één van die humane waarden, namelijk de waarheid, zien, hoe voor mij die religieuze verworteling ligt. En hoe ik daarom het noemen van de NAAM niet kan missen bij het verdedigen van de waarheid in het publieke en politieke leven.- Jaargang 24
- nummer 33
Hier volgt het toen overdachte.
Waarheid ...
Op het beslissende moment in Jezus' leven op aarde, dat wij op Goede Vrijdag herdenken, horen we onze Here zeggen, dat Hij hiertoe in de wereld gekomen is, om voor de waarheid te getuigen. Met dat woord legt Hij uit, in welke zin Hij een koning is: Koning der Waarheid is Hij. (Joh. 18 : 37, 38).
De andere deelnemer aan het gesprek, Pilatus, zegt bij deze gelegenheid: "Wat is waarheid?" en loopt weg. Pilatus ontpopt zich met die vraag als de cynicus, de man die méér aan zijn hoofd heeft het bewaren van de orde in een zeer onrustig stukje van het Romeinse rijk. Hij kan zich niet veroorloven om zich met zulke schimmige dingen als de waarheidsvraag bezig te houden. Intussen is het wel zo dat wij dat grote Romeinse rijk in zijn voegen horen kraken bij die cynische vraag van Pilatus: wat is waarheid? Als het politieke leven denkt, zich op deze manier van de waarheidsvraag te kunnen afmaken, dan vergist het zich. En het zal die vergissing ook merken. Het leven komt niet om de waarheidsvraag heen.
Ja, zegt u, dat zal wel, maar daar heeft het Evangelie toch niet veel mee te maken? De waarheid kan toch wel op haar eigen benen staan? Heeft ze het wel nodig, dat Jezus in de wereld komt om aan haar "getuigenis te geven"? Zit de waarheid op dat getuigenis van Jezus Christus te wachten? Wij zouden eigenlijk een tussen-standpunt tussen Jezus en Pilatus in willen nemen. Pilatus zouden we willen zeggen dat hij met zijn vraag: wat is waarheid? erg onverantwoordelijk spreekt.
Zo kom je er niet, Pilatus.
Ook het politieke leven moet kiezen voor de waarheid, anders ververvalt ze in handen van de ideologie, dat is de gemaakte waarheid, die het op dit moment "doet".
Maar tegenover de Here Jezus zouden we willen zeggen: de waarheid getuigenis geven? Gaat u daarvoor sterven? Is dat de zin van Uw komen in de wereld? Maar betekent dat niet, dat er een speciaal-christelijke waarheid is, of beter: dat er alleen maar christelijke waarheid is? Dat gaat toch te ver? Waarheid is toch iets dat je met of zonder geloof kunt beamen? Waarheid heeft toch een eigen kracht van bestaan?
Zoals onlangs een journalist tegen me zei: ik geloof niet dat er christelijke journalistiek is. Er is alleen goede en slechte journalistiek, maar niet: christelijke en niet-christelijke.
Daar zit ook de gedachte achter dat de waarheid het getuigenis van de Christus eigenlijk niet nodig heeft.
Ik heb tegen die journalist gezegd: Voordat je die twee nu van elkaar los maakt: het Evangelie en de waarheid waarover u in de kranten schrijft, moet u er toch nog eens over nadenken, waar in onze cultuur eigenlijk de waarheidsliefde vandaan komt. Is waarheidsliefde niet een vrucht van het Kruis?
Hangt die niet ten nauwste samen met de liefde tot Hem die gezegd heeft: Ik ben de Waarheid?
Hoe sterk de liefde tot de waarheid is, zal blijken in crisistijden. In onze tijd maakt onze cultuur een zeer zware crisis door. En bij velen is het uit met de waarheidsliefde.
Speciaal ook bij veel kranten. Die beginnen te liegen om het leven.
Het uur der waarheid is het uur der leugen.
Hoe bedoel ik dat? Dissen ze platte leugens op? Dat niet. Maar ze schrijven verbloemend over de ernst van de situatie heen. Je kunt 't merken aan de luchtige toon waarop over werkelijk zeer verontrustende dingen wordt geschreven.
Bijvoorbeeld over. wat door de kraak-groepen in deze stad wordt gedaan. Symptomen worden behandeld alsof 't incidenten zijn.
Waarom? De waarheid zeggen kan niet lijden. Kranten mogen wel overmatige kritiek oefenen. Dat is zelfs mode. Maar tegelijk en ten diepste moeten kranten organen zijn die er de moed in houden.
En behalve van de kranten is dat ook de functie van de kansels, volgens de opvatting van weer anderen.
Die moeten niet de waarheid zeggen, die moeten niet de eigenlijke werkelijkheid van het mensenleven bloot leggen. De wereld zou onder de werkelijke waarheid bezwijken.
Nee, van de kansels af moet bemoedigd worden. Het liefst blijmoedig.
De profeet Jesaja heeft 't heel scherp onder woorden gebracht, die zei van het volk Israël: "Want het is een weerspannig volk, leugenachtige kinderen, die de wet des Heren niet willen horen; die tot de zieners zeggen: - Gij zult niet zien, en tot de schouwers: - Gij zult voor ons de waarheid niet schouwen, spreekt voor ons aangename dingen, schouwt begoochelingen, wijkt af van de weg, buigt af van het pad, doet de Heilige Israëls weg uit onze ogen - " (Jes. 30 : 9-11) Gij zult voor ons de waarheid niet schouwen, zeiden ze tot Jesaja.
Bah, man doe niet zo somber! Je kunt toch nog wel iets anders zeggen?
Kunnen wij de waarheid aan? U weet, 't probleem doet zich ook op kleiner schaal voor, in de ziekenkamer, waar het steeds zeldzamer wordt dat de patiënt tegen de dokter zegt: Dokter, zeg mij de waarheid, zonder omwegen! De dokter aarzelt. Hij heeft dat vaker gehoord en daarna gezien hoe de patiënt toch inklapte onder het geweld van de waarheid. En dus liegt hij. Tenzij de patiënt hem geen keus laat. Maar hoe weinigen zijn er die de waarheid echt aankunnen!
Alleen een verlost mens kan de waarheid aan. Wie niet verlost is, kan wel waarheidsliefde veinzen.
Hij kan zelfs die schijn wel een tijd volhouden. Maar uiteindelijk legt hij een vlonder over het ravijn van de waarheid. De laatste waarheid ontloopt hij. Dat doet een mens die dodelijk ziek is. Dat doet ook een cultuur die dodelijk ziek is.
Daarom is waarheid die zich los maakt van Christus en van de NAAM gedoemd om tot leugen te worden, eerst subtiel, maar steeds openlijker. Dat gaan we nu zien om ons heen.
Christus is gekomen om aan de waarheid getuigenis te geven. Dat wil zeggen: Hij heeft op aarde steeds zo gesproken dat Hij de volle werkelijkheid recht deed en liet gelden. Hoe zwart die werkelijkheid ook was. Hij kón die ook onder ogen zien, - vanwege de verlossing die Hij bracht, door Zijn dood heen. Ik denk hier aan wat Hij tot de Joden zei: "Gij hebt de duivel tot vader, en wilt de begeerte van uw vader doen. Die was 'n mensenmoorder van den beginnen en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en een vader der leugen". (Joh. 8 : 44) "Maar omdat Ik u de waarheid zeg - Mij gelooft gij niet" (: 45).
Dit is aan de waarheid getuigenis geven, dat wil zeggen: de werkelijkheid zoals die is, openleggen.
En het is geen wonder dat we op 't eind van het gesprek waarin de Here Jezus zulke dingen zegt, lezen: "Zij namen dan stenen op om naar Hem te werpen." Hij eindigde met deze waarheid aan het kruis.
Deze waarheid konden ze niet aan.
Deze waarheid kunnen we ook alleen maar aan, wanneer de Zoon ons heeft vrijgemaakt. Hij heeft dat gedaan door Zijn zoendood, door Zijn betalend sterven heen. AIs wij daaraan geen deel hebben, dan hebben wij teveel belangen uit staan in deze wereld. Dan mag het éne belang wel ondergraven worden, maar niet tegelijk allemaal, want dan zakken we weg. En dus, als er op iets felle kritiek geuit wordt, moet er tegelijk op ander gebied weer bemoedigd worden, waarmee dan ook, en als die bemoediging uitblijft, dan moeten we ons van die kritiek af kunnen maken door te zeggen: doe niet zo somber.
Wel, tegenover dit alles, dit gehannes met de waarheid, zeg ik: de waarheid is in deze wereld nergens anders thuis en veilig dan bij het kruis van Christus. Daar hoeft niets meer verbloemd te worden, daar kan de werkelijke werkelijkheid getoond worden, daar kan alles onder de ogen worden gezien, omdat er verzoening is door het bloed des kruises. Christus heeft vanuit het kruisoffer dat hij bracht aan de waarheid getuigenis gegeven, en alleen wiens leven door dat kruisoffer is toegedekt, is voor dat getuigenis toegankelijk. Anders stop je er de oren voor dicht.
Dat is het ontstellende, dat als je niet gelooft, je - juist als 't er op aan komt, - gedwongen bent te liegen. Je kunt dan de waarheid niet liefhebben. Je moet haar haten en vlieden. Zo sterk is het verband tussen de waarheid en het kruis.
Zo christelijk is de waarheid verankerd en verworteld. Zo leunt de waarheid op de NAAM.
Pilatus wil dat niet begrijpen. Hij vertegenwoordigt een macht die op haar toppunt staat, die van het Romeinse rijk. Wat heeft dat rijk met de waarheid te maken? Het Romeinse rijk blijft echt wel bestaan, al kibbelen de mensen rondom de waarheidsvraag. Vandaar dat hij cynisch zegt: wat is waarheid?
Geef mij maar een zwaard. En geef mij maar brood en spelen. Dan blijft dat Romeinse rijk wel bestaan.
En natuurlijk, binnen dat bestaande Romeinse rijk mogen mensen zich dan wel met de waarheidsvraag bemoeien als ze daar zin in hebben. Ieder z'n meug. Maar nodig is het niet. Nu, hij zal er achter komen. Straks komt het Romeinse rijk in de crisis. En dan is de waarheidsvraag opeens brandend actueel. Maar dan zal de propaganda naar de leugen grijpen.
De waarheid is te erg. Zo gaat dat in de wereld.
Weet u hoe 't in onze cultuur gegaan is? Onze beschaving is geboren uit de waarheid van het evangelie, de waarheid van zonde en genade. Toen die cultuur eenmaal groot geworden was begon ze te zeggen: dank je wel evangelie, de waarheid van ons stelsel is nu wel zo sterk dat ze op eigen benen kan staan. Daarna kwam het stadium van Pilatus: wat is waarheid? De mening dus dat men vrijblijvend de waarheidsvraag om en om kan gooien. En dan breekt de crisis aan.
En weg is de neutraliteit. De waarheidsvraag gaat knellen en wordt met leugens beantwoord: men gaat liegen uit lijfsbehoud. De moderne levensbeschouwingen krijgen het karakter van een noodleugen.
In dat crisisuur blijkt dat alleen die door Christus behouden zijn, toegankelijk blijven voor de echte waarheid. Ook als die voor onze cultuur zeer hard is. Daarom geloof ik dat we vandaag op een nieuwe wijze de actualiteit zien van het gesprekje tussen Jezus en Pilatus.
Hoe Jezus de zenuw raakte van het Romeinse rijk en van elk politiek bestel, toen Hij over de waarheid begon te spreken. De tijd van de verveelde vraag van Pilatus: wat is waarheid? is voorbij. Zenuwachtig begint onze cultuur te liegen bij het leven. Nerveus wordt er gedokterd aan ideologieën die ons moeten geruststellen en die ons moeten doen overleven.
Christus zegt: wie uit de waarheid is, hoort Mijn stem.
Zeker, die ziet wel, dat Jezus met zijn getuigenis voor de waarheid de dood in ging. Maar die ziet ook een opstanding en die weet: Uiteindelijk heeft de waarheid een ark nodig om door de zondvloed heen te komen. Anders wordt zij in ongerechtigheid ten onder gehouden (Rom. 1: 18). Dit besef zal altijd op de een of andere manier moeten doorklinken als we het over de waarheid hebben: Zij kan inderdaad niet op eigen benen staan.