De militair en de kerk (1)
1980-09-05
I. D e m i l i t a i r - Jaargang 24
- nummer 33
- naar aanleiding van vraag 1. "Kunt u enige informatie geven over de specifieke kenmerken van de betrokken groep?"
Om het onvermijdelijke generaliseren enigszins te beperken wil ik beginnen met onderscheid te maken tussen dienstplichtigen en beroepsmilitairen.
Beide groepen lopen qua leeftijdsopbouw sterk uiteen: de dienstplichtigen zijn meestal tussen de 18 en 21 jaar; de vrijwillig-dienenden variëren in leeftijd van 17 tot 57 jaar. Ze verschillen ook sterk wat samenstelling betreft: bij de dienstplichtigen zijn alle intellectuele, sociale, politieke en religieuze richingen en niveau's vertegenwoordigd; de diverse categorieën beroepsmilitairen vormen min of meer gesloten groepen, die elk bepaalde kenmerken vertonen, met name in sociaal opzicht - zowel de officieren als de onderofficieren hebben een 'eigen wereldje' met bepaalde normen en omgangsvormen - en in politiek opzicht - beroepsmilitairen zijn doorgaans zeer rechts en gezagsgetrouw (de meesten stemmen VVD, vermoed ik).
Een belangrijk verschil ligt ook in de motivatie van het militair-zijn dienstplichtigen zijn merendeels niet of negatief gemotiveerd - ze hebben hier niet voor gekózen, ze moesten, maar in hun hart blijven ze 'burger' -; de vrijwillig-dienenden kózen er bewust voor en hadden daar bepaalde motieven voor - ook al zullen die lang niet altijd goed-doordacht en zuiver-ideëel zijn -.
Behalve verschillen is er toch ook overeenkomst tussen deze twee groepen.
Ik wil als het wellicht belangrijkste dat ze gemeenschappelijk hebben noemen, dat alle militairen behoren tot het meest merkwaardige bedrijf dat er bestaat: een bedrijf, dat alles doet met de bedoeling en in de hoop dat het 'voor niets' is en nooit in praktijk behoeft te worden gebracht.
Militairen bereiden zich voor op en 'spelen' een werkelijkheid, die zo gruwelijk en afschuwelijk is dat men er maar liever niet aan denkt ...
Op allerlei manier vindt er een verdringingsproces plaats: een of andere mentale 'escape' om er niet onderdoor te gaan.
Juist zij, die aan zedelijke normen willen vasthouden en zich van hun verantwoordelijkheid bewust zijn, lijden onder de 'ethische paradoxaliteit' van het geweld met geweld, dus kwaad met kwaad moeten bestrijden. 'Het zóu eigenlijk niet moeten, maar we kunnen nu eenmaal niet anders'.
Dat geeft aan het militair-zijn een onoplosbare spanning, die - vaak zonder dat je je dat erg bewust bent - aan je kan vreten.
Er zijn nog veel méér frustrerende factoren te noemen, waardoor zowel voor dienstplichtigen als voor beroeps-militairen de arbeidsvreugde bedreigd en vaak vergald wordt.
Ik noem er enkele.
Het door de buitenwereld niet erkend en gewaardeerd worden.
Vroeger wàs je als militair wat en droeg je met trots en ere je uniform.
Tegenwoordig ben je nauwelijks meer in tel en word je van alle kanten bekritiseerd.
Het gevolg is, dat veel militairen zich afvragen: 'Waar doen we 't voor? De massa neemt het ons niet in dank af?!'
- Het voortdurende gebrek aan geld en middelen, waardoor het nooit zó kan als het vakkundig gezien zou moeten.
- De massale, logge en weinig-afficiënte organisatie, waarvan vaak een remmende en verlammende werking uitgaat.
Het beoordelingssysteem, dat met zich brengt dat zo ongeveer iedereen constant door anderen, hoger in rang dan hij, gecontroleerd wordt.
Het is bijvoorbeeld een heel gewone zaak dat een compleet onderdeel wekenlang alles op alles moet zetten om eraan mee te werken dat de commandant, die ook graag bevorderd wil worden, een goede beoordeling krijgt.
- Het plaatsingsbeleid, waardoor het kan gebeuren, dat een oudere en ervaren onderofficier elke één tot twee jaar een jonge officier, die carrière moet maken, boven zich gesteld ziet.
- De steeds verder doorgevoerde democratisering, waardoor met name de onderofficieren, die het vaak toch al zo moeilijk hebben met het feit dat de meeste dienstplichtigen een hogere school- of beroepsopleiding hebben dan zij, zich nog meer in een hoek gedreven voelen.
- De voordurende dreiging van de publiciteitsmedia en van sommige vakbonden, die er op uit zijn om elke fout en elke misstand met veel ophef in de openbaarheid te brengen.
De onrechtvaardigheid van het huidige dienstplichtbeleid: slechts één op de vier jongens moet in dienst en wordt gedwongen de schoolopleiding te onderbreken of een goed-betaalde baan op te geven voor oninteressant werk dat geen bevrediging geeft ...
- En wat de andere partij betreft: het moeten opleiden van 'onwillige honden' tot iets, dat in vredestijd nogal zinloos en doelloos lijkt en dat ze doorgaans dan ook helemaal niet zien zitten. . . .
Het klinkt wellicht erg negatief en pessimistisch, maar ik verzeker u dat het de realiteit is, die ik wanneer ik daarvoor de tijd had met heel wat voorbeelden uit eigen ervaring zou kunnen aantonen.
Genoeg echter, denk ik, om u duidelijk te maken, dat militair-zijn een nogal ondankbare, 'op de tocht staande', weinig arbeidsvreugde en veel frustraties gevende job is, waarvan de zin zo gemakkelijk is te duiden.
Ik geef u hiermee zeker geen volledig beeld van de militair.
Wel wil ik hiermee aangeven, waar voor deze groep de speciale problematiek ligt, die wij als geestelijke verzorgers voortdurend tegenkomen.
II. D e m ili t a i r en de k e r k
- naar aanleiding van de vragen 2 en 3: "Is er sprake van een bedreigde relatie tussen enerzijds de kerk en anderzijds de betrokken groepen?
Zo ja, wat zijn de kenmerken van die bedreiging C.q.
vervreemding en wat zouden de oorzaken daarvan zijn?
Liggen die oorzaken voornamelijk in de persoonlijke situatie van de betrokkenen, of is ook de maatschappelijke situatie in het geding?"
Is er sprake van een bedreigde relatie tussen de kerk en de militairen?
Wanneer ik deze vraag eerst mag beantwoorden ten aanzien van de dienstplichtige militairen, zou ik willen antwoorden: "mééstal niet!" ... om de eenvoudige maar tegelijk ontstellende reden, dat er bij het merendeel geen enkele relatie tot de kerk meer bestaat.
In dienst merken we pas goed, hoe massaal de onkerkelijkheid is geworden!
Niet altijd in forméle zin: velen zijn nog wel gedoopt en hebben "RK" of "PROT" op hun identiteitsplaatje staan.
Maar wèl in de praktijk: naar mijn (ruwe) schatting heeft driekwart geen enkele echte band met de kerk meer.
Op grond van jarenlange ervaring kan ik stellen, dat bij oefeningen - met name in Duitsland - doorgaans slechts 2% van de oefenende militairen naar de kerkdienst komt. Natuurlijk zijn er goede uitzonderingen. Er zijn ook diverse oorzaken voor (vermoeidheid, uitslapen, drempelvrees, afwezigheid van controle of dwang, andere bezigheden, geen zin hebben, de 'kater' na het 'stappen' op zaterdagavond en -nacht).
Niettemin is het naar mijn mening veelzeggend.
Het gros heeft de kerk gewoon niet meer nodig.
En ten aanzien van degenen, die voordat ze in dienst kwamen wèl een zekere band met de kerk kenden, kunnen we zeer zeker stellen dat er sprake is van een bedreigde relatie.
De oorzaak daarvan ligt niet rechtstreeks in de militaire dienst: de vervreemding van het merendeel der dienstplichtigen is die van de jeugd in het algeméén.
Wèl kun je zeggen, dat de dienst 'katalyserend' werkt: thuis wordt de verwijdering vaak door de controle van gezin, kerk en omgeving toegedekt, maar in dienst vallen veel van deze versluierende factoren weg: - ze worden losgerukt uit hun beschermd en beschermend milieu; - ze doen hun intrede in een heel andere, pluriforme wereld, die voor kritische vragen en uitdagingen stelt; ze ondergaan de verruwen de en afstompende werking van de militaire dienst - taalgebruik, groepsdwang, verveling, drankmisbruik e.d.
Kijk, dan komt er wel uit wat er in zit!
En als het er niet 'in' zit, ik bedoel: als het geloof geen 'eigen', existentiëelbeleefde zaak is, komt dat ook uit!
Wat zijn de oorzaken van deze verregaande vervreemding van de kerk?
Liggen die in de persóónlijke situatie of ook in de maatschàppelijke?
Ongetwijfeld in beide. De tijd ontbreekt nu om het uit te werken, maar laat ik heel kort enkele belangrijke oorzaken van de vervreemding tussen kerk en jeugd op een rijtje mogen zetten.
1e De oorzaken liggen bij de jongeren zèlf:
- de ontstellende onkunde, in het algemeen en dan vooral ook wat betreft geloofszaken;
- het geen oog en geen gevoel hebben voor andere waarden dan in geld of praktisch nut of genot is uit te drukken
- noem het de vermateriarisering van onze sterk-consumptief-ingestelde samenleving, waardoor er weinig plaats voor bezinning op levensvragen is;
- het taboe, dat er vaak ten aanzien van religieuze zaken bestaat, zeker bij jongeren in het 'moratorium', die doorgaans de neiging hebben om zich van de overgeleverde geloofsopvattingen te distantiëren en een kritische, afwachtende houding aan te nemen.
2e De oorzaken liggen ook bij de kérk als instituut, als ervaringsgegeven:
- de schijnvroomheid, waar jongeren vaak op afknappen - in de zin van: 'let wel op m'n woorden maar niet op m'n daden' - met alle halfslachtigheid, gespletenheid en schijnheiligheid, die daarmee gepaard gaat; de irrelevantie van wat er in de kerk wordt gezegd: ze hebben zo dikwijls het gevoel, dat het helemaal niet over hèn en over hun gewone, dagelijkse léven gaat; ze weten zich niet aangesproken, het raakt hen niet ...
het ontbreken in veel kerkelijk leven van existentiële ervaringen: velen beléven er nauwelijks iets bij en met name het persoonlijk contact en de gemeenschapsoefening wordt gemist; je hoort vaak de klacht, dat het in de kerk zo kil, zo formeel, zo onpersoonlijk toegaat.
Misschien valt het enkelen op, dat ik in dit - uiteraard incomplete - rijtje oorzaken niet heb genoemd de kerkelijke verdeeldheid.
Vaak wordt gedacht en gezegd, dat deze een van de belangrijkste redenen is, waarom mensen de kerk de rug toekeren. Wat wij horen en ervaren wijst daar echter niet op. Kennelijk vinden velen de verscheidenheid een nogal normale zaak. Wèl stoot men zich aan ruziemaken, onverdraagzaamheid, verkettering e.d. Je zou kunnen zeggen: de verdeeldheid is als blijk van innerlijk-tegenstrijdige, inconsequqente, onchristelijke levenshouding een reden om de kerk te bekritiseren.
Het is benauwend te merken, voor hoevelen de kerk een 'quantité négligeable' is geworden, waaraan ze de schouders ophalend voorbijgaan.
Er zijn maar zeer weinigen, bij wie het geloof werkelijk functioneert en die dan ook nog positief over de kerk spreken.
Kortom: de relatie tussen de kerk en de jongeren, die wij in dienst ontmoeten, is zeker een bedreigde en vaak een verbroken relatie.
Hoewel wat ik tot nu toe genoemd heb soms ook van de beroepsmilitairen - onder wie immers veel jongeren zijn - geldt, ligt er bij deze groep toch dikwijls een àndere problematiek t.a.v. de kerk, die in meerdere opzichten wèl rechtstreeks met het militair- zijn te maken heeft.
Daarbij spelen persoonlijke factoren een rol: De motivatie om beroepsmilitair te zijn kàn van die aard zijn - bijvoorbeeld wanneer bravour of carrièrejacht of avontuurzucht een overwegende rol spelen -, dat het van-de-kerk-vervreemden wel het logische gevolg moet zijn: daar kom je dan vanzelf niet meer aan toe ...
Er kunnen ook sociale factoren aanwezig zijn: het vanwege weekend-diensten en oefeningen veel van huis zijn; ook de veelvuldige overplaatsingen, waardoor men tekort in een kerkelijke gemeente is om er thuis te raken en aktief in mee te doen.
Maar ik denk, dat er meermalen vooral van principiële verwijdering sprake is.
Wat heeft de beroepsmilitair van de kerk te verwachten?
Wanneer men wèl aandacht voor hem heeft, is dat - zeker de laatste tijd - meer en meer in het negatieve.
Ik doel nu op het steeds sterker wordende anti-militairisme in veel kerkelijk spreken en handelen.
Men is niet meer tegen militairisme, dat is: de ideologie dat het militair geweld overal en altijd een (om niet te zeggen: de enige) oplossing gevonden kan worden, met als gevolg dat het geweld zonder meer goedgepraat en verheerlijkt wordt.
Maar men is tegen het hele militaire apparaat (het leger) en tegen het militair- zijn en acht dat alles zonder meer onzindelijk en verwerpelijk.
En vaak wordt deze opvatting op een nogal intolerante en onbarmhartige wijze gemanifeseerd.
Beroepsmilitairen staan aan hevige kritiek en verdachtmaking bloot.
Hun christen-zijn wordt in twijfel getrokken.
Hun beroep als ethisch-onaanvaardbaar verworpen.
Is het verwonderlijk, dat vele militairen zich in hun kerkelijke kring bedreigd, achteruitgezet, met de nek aangekeken en in de steek gelaten voelen?
Juist toen ik met de voorbereiding van deze lezing bezig was, kreeg ik een sterk staaltje van dit onbehagen bij kerkelijke militairen in handen: een brief van een gepensioneerd officier, waarin hij de Hoofdlegerpredikant vraagt of het mogelijk is, dat begrafenissen van oud-militairen geleid worden door een legerpredikant. Als reden hiervoor geeft hij op "de toenemende anti-militairistische houding van de heren predikanten", die hem bij een trouwdienst van een familielid - een dienstplichtig officier - weer duidelijk was geworden: "Dat de bruidegom kornet was, wat blijkbaar aanleiding voor de predikant om zijn preek met enige min of meer bedekte anti-NAVO-kreten te doorspekken, hierbij gesteund door een 'ambtsdrager' in geruit hemd en spijkerbroek, behangen met ban-de-bom-sieraden.
Mijn grote zorg is dat in het geval van mijn overlijden een eventuele rouwdienst ontaardt in een of andere demonstratie ... "
En de brief eindig: "Mocht het antwoord op mijn vraag negaief luiden, dan zal ik naar andere oplossing moeten omzien of afzien van elke kerkelijke bemoeienis bij mijn begrafenis".
Over een bedreigde relatie tussen kerk en militair gesproken!
Nu zal dit in onze kerken nauwelijks of niet het geval zijn: wij zijn over het algemeen niet in die zin pacifisten dat we erg tegen het leger zijn en alle militaire geweld afwijzen.
Maar dat betekent nog niet, dat wij beroepsmilitairen werkelijk tot stéun zijn.
Je kunt hen ook in de steek laten door hen maar klakkeloos na te praten of goed te praten, en hen niet op hun Christen-zijn aan te spreken - ook in kritische zin -!
Voorzover ik het kan bekijken is het zo, dat er in onze kerkelijke kring weinig aandacht is voor beroepsmilitairen.
Zelden wordt op hun problemen ingegaan.
Wie vraagt hen naar hun mening en denkt met hen mee, vooral nu de moderne bewapening en oorlogvoering hen en ons voor zoveel gecompliceerde en diepingrijpende vragen stellen?
Wordt er voorbede voor hen gedaan? Is er meeleven? Zijn we ons in de kerk bewust van het heel bizondere, ethisch-paradoxale en dus spanningsvolle van het beroep van militairen?
Ik vrees, dat de relatie tussen de kerk en de beroepsmilitair, voorzover deze nog aanwezig is, zeker in meerdere opzichten een bedreigde is.
(wordt vervolgd)