In memoriam dr Jan Wit
1980-09-12
In de laatste week van augustus heeft het God behaagd de dichter Jan Wit tot Zich te nemen.- Jaargang 24
- nummer 34
De meesten onder ons hebben, misschien zonder het te weten, weleens een gedicht van hem gezongen. Er staan er n.l. ruim vijftig van Jan Wit in het Liedboek.
Jan Wit is zes en zestig jaar geworden. Hij was van kindsbeen af volkomen blind, maar heeft desondanks ontzaggelijk veel van zijn leven gemaakt.
Aanvankelijk studeerde hij voor organist en heeft ook vele malen in de Hervormde kerk de Gemeentezang begeleid.
Tijdens de oorlog ging hij theologie studeren en was daarmee klaar in 1947. Daar hij echter Waals predikant wilde worden, studeerde hij nog een jaar in Parijs.
In 1948 werd hij beroepen als dominee door de Waalse kerk in Nijmegen, waar hij tot 1967 heeft gestaan. In 1971 werd hij aan de Rijksuniversiteit te Groningen benoemd tot hoofdmedewerker voor het vak Hymnologie, de wetenschap van de kerkzang en de kerkmuziek.
Jan Wit had een buitengewone intelligentie en was vooral vol van de liefde voor de woordkunst. Zijn eerste gedichtenbundel kwam uit in 1950, onder de titel "Rites de passage" (Voorbijgaand kerkgebruik) maar dit boekje heeft weinig bekendheid gekregen.
Zijn volgende bundel "In den metalen stier", in 1954 verschenen, is bekender.
Hij werd bekroond met de Karel de Grote-prijs.
Uit deze bundel wordt, in elke bloemlezing waarin iets van Jan Wit staat, dit gedicht overgenomen:
Dit is de tijd
Dit is de tijd. Je mag zeven keer raden.
Zeven maal zeventig keer heb je tijd
om gissend en missend, door schade en schande
wijs, te ontkomen aan de kwade
droom van de wenteltrap eeuwigheid.
Dit is de tijd, de tijd om te zorgen,
zorgende staan met je rug naar het vuur,
bloot aan de dood, in het leven geborgen,
lezen de schaduwen van morgen
spelender-, spellenderwijs op de muur.
Dit is de tijd. God zelf staat zonder
zich te verroeren andersom.
Dit is de tijd. Er gebeurt geen wonder,
maar Hij telt langzaam van één tot honderd,
tot honderdtien ... en dan: "Ik kom".
Meer bekendheid nog kreeg Jan Wit door zijn medewerking aan de bundel "Het landvolk". Hij was, toen dat boekje uitkwam, al vijf jaar lid van de groep dichters die, in opdracht van de Synode van de Hervormde Kerk, werkte aan een nieuwe psalmberijming.
De leden kwamen elk jaar drie weken, of langer, bij elkaar voor dat werk. , Zij raakten er geweldig geïnspireerd door en van vijf van hen is er een gezamenlijk geschreven gedichtenbundel uitgekomen, die, ik noemde de naam al, "Het landvolk" als titel meekreeg.
Van Jan Wit staat daar o.a. dit gedicht in:
Genesis "X"
Wanneer de wind de woorden blaast,
kan men nog wel gedachten vinden
en staat, al hoort men in den blinde,
over hun samenhang verbaasd.
Maar als de vloed stijgt van 't gevoek
moeten wij onze woorden zoeken
om niet tot in de verste hoeken
stilaan te worden overspoeld.
Doe er het zwijgen toe. De Geest
zal over de oppervlakte zweven,
totdat het woord wordt aangeheven
dat in de aanvang is geweest.
Dit gedicht is wel heel typerend voor het werk waarmee de groep bezig was. Het zegt op een prachtige wijze dat niet de dichter bij de psalmberijming aan het woord moet komen, maar de Geest die in de psalm spreekt.
In die kring van psalmberijmers was Jan Wit wel een centrale figuur. Dat blijkt heel duidelijk uit het boekje "Witboek voor een vijftiger" dat is samengesteld door een groep vrienden als geschenk voor zijn vijftigste verjaardag en waarin buitengewoon waarderend over deze blinde "ziener" wordt geschreven.
Tenslotte nog iets over de bundel geestelijke liederen die Jan Wit publiceerde, met name "Ministeriale" .
Daar staat een voorwoord in van Tom Naastepad, de dichter van Lied 300, "Eens als de bazuinen klinken" uit het Liedboek.
Hij zegt in dat voorwoord over de titel: "Hier is dan eindelijk Jan Wit, en hij geeft aan zijn bundel een naam die doet denken aan een zwaar register in het orgel: "Ministeriale" , wel wetend dat hij, minstreel en minister beide, als dichter niet minder maar méér ambtsdrager is in de gemeente, en ook dat hij als ambtsdrager niet minder maar meer dichter is."
Uit de bundel "Ministriale" wil ik nog graag doorgeven:
Nieuwjaarslied
God heeft het eerste woord.
Hij heeft in den beginne
het licht doen overwinnen,
Hij spreekt nog altijd voort.
God heeft het eerste woord.
Voor wij ter wereld kwamen,
riep Hij ons reeds bij name,
zijn roep wordt nog gehoord.
God heeft het laatste woord,
Wat Hij van oudsher zeide,
wordt aan het eind der tijden
in heel zijn rijk gehoord.
God staat aan het begin
en Hij komt aan het einde.
Zijn woord is van het zijnde,
oorsprong en doel en zin.
Zo is het. God heeft het eerste en het laatste woord. Ook voor de dichter Jan Wit gold en geldt dit.