De verstandigen zullen stralen als sterren
1980-09-12
Het moet in 1927 zijn geweest, dat mijn vader zijn zilveren ambtsjubileum mocht vieren. Het werd een ware kerkelijke feestavond, daar in Almelo: veel bezoek, veel bloemen, veel toespraken, veel geschenken. Met een heuse professor als conferencier en afvaardigingen van meelevende kerken.- Jaargang 24
- nummer 34
Onder die afvaardigingen was een jonge predikant, nauwelijks dertig, die een boodschap namens de kerk van Vianen kwam overbrengen.
Hoewel ik nog een knaap moet zijn geweest, herinner ik me die boodschap levendig. De predikant van Vianen zei dat mijn vader in zijn ambtsperiode aldaar zulk moeizaam en geduldig werk had verricht: gezaaid had onder tranen. En dat de spreker namens de kerkeraad als feestgeschenk mocht boodschappen: dat men in Vianen nu de vruchten van die moeizame arbeid met gejuich maaide!
Dat sloeg bij me in. Dat was nu eens geen toespraakje ter inleiding van een leeslamp, een luie stoel, een boek, een ditje of een datje. Dit was een geschenk van blijvende waarde, begreep ik. En die predikant bleef mebij, om zijn geestelijk geschenk.
Want vader had wel eens verteld, hoe het daar oudtijds toeging: dat de "gezelschappen" van bekeerde mensen hoger stonden aangeschreven dan de kerkgang en dat men krachtdadiglijk bekeerd moest zijn geworden, wilde men hoop voor de eeuwigheid hebben. Vader was daar vanuit de Bijbel nog al tegen aan gegaan: had met name op Gods verbond met Abraham en zijn gelovig zaad gewezen; vooral gewezen op onze verantwoordelijkheid tegenover Gods beloften, welke verantwoordelijkheid geen ruimte voor lijdelijkheid open laat. Vader had ook verteld, dat sommige ouders hun kinderen de boodschap gaven: wél naar catechisatie gaan, want al is de dominé zelf geen bekeerd mens - wat hij zegt is goed.
En nu kwam deze jonge predikant een oogstbericht brengen. Het roerde mijn vader ongetwijfeld. Het ontroerde mij. Ik zag als jongen mogelijkheden voor onze levensarbeid. En die jonge predikant was ds B. Telder.
Jaren later kwam ds Telder in Nunspeet preken, logeerde onder ons dak.
Kwam op de fiets uit zijn vakantieverblijf, was de eerste, die in grijs pak op de kansel stond. Ik herinnerde hem aan zijn boodschap uit 1927 of daaromtrent en wist die nog nauwkeurig weer te geven.
Dat vond hij fijn, want zo was er een band, nog voor wij elkaar nader leerden kennen. En spontaan vertelde hij, dat hij daar in Vianen eigenlijk door mijn vader gekomen was. Na zijn eerste beroep in 1925 had vader krachtige aandrang uitgeoefend, om hem te bewegen Vianen aan te nemen.
De motivering had daarbij' de doorslag gegeven en hij had er nooit spijt van gehad.
Hij vertelde me, dat hij de brief van mijn vader als een kostbaar stuk bewaarde, omdat deze mede zijn ambtelijk leven had bepaald. Bij een later bezoek bood hij zelfs aan, mij de brief te schenken. Ik antwoordde: ik zou die brief erg graag bewaren - maar voor u is die ook kostbaar.
Bewaart u hem dus goed en misschien wilt u op de omslag mijn naam schrijven, voor later? Dat werd afgesproken. Nog maar weinige jaren geleden herinnerde ik hem aan die afspraak en zijn lachend antwoord luidde: de brief ligt klaar, voor later!
In 1956 woonden we met enkele vrienden de begrafenis van broeder A. Janse bij, te Breda. Nooit ben ik op een begrafenis meer bewogen geweest dan onder de toespraak van ds Telder. De ernst van de dood, de blijdschap van het "met de Heer te zijn", de zekerheid van onze zalige opstanding op de jongste dag - het waren geen theologische begrippen, maar het was realiteit. Zo volgden we de baar "op de weg der vernedering" en zaaiden in tranen - wetende dat er straks in gejuich zal worden gemaaid.
Ds Telder had br Janse zeer hoog: als iemand die ons de Bijbel heeft leren lezen, zonder de gebruikelijke of ongebruikelijke vooroordelen; en die daardoor het denkend christendom tot een Schriftuurlijke wijsbegeerte heeft mogen brengen. Ds Telder citeerde uit Daniël: "en de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos".
Zulk een woord kwam op zijn eigen hoofd terug.
Later kwam hij vaker in Nunspeet preken, logeerde altijd onder ons dak.
Hij was een van de weinige predikanten, die steeds een kleine attentie voor zijn gastvrouw meebracht. Zulk een detail tekent het leven van een attente, vriendelijke, dankbare man. Zijn preken waren altijd ernstig maar eenvoudig en blijmoedig, vol van Gods goede boodschap voor mensen, die deze boodschap in geloof aannemen. En ten aanzien van "buitenstaanders"
en "andersdenkenden" was hij altijd voorzichtig: sprak liever van een heden der genade dan van eeuwige ondergang.
Eenmaal gingen we samen naar de middagdienst in Nunspeet. Vlak voor het Dorpshuis hield hij me staande: u gaf me zondag 22 op om over te preken; was die inderdaad aan de beurt? - Ik keek geschrokken mijn aantekeningen na en antwoordde: ja, inderdaad, die is vandaag aan de beurt. Schikt het u niet? - Jawel, zei hij, maar "toevallig" moest ik vorige zondag ook al ergens over zondag 22 preken - en ook daar was het naar mijn overtuiging zuivere koffie. - En waarom zou het geen zuivere koffie zijn? vroeg ik onnozel .
- Hij keek me vrolijk lachend aan, lang en diep. "Omdat deze zondag mijn testcase is", lichtte hij toe; "de zondag, waarop ik uitgegleden heet te zijn!"
Dat ik daar niet aan gedacht had. Een mens is vaak nog dommer dan hij zelf weet. Ik moest dat zien goed te maken. En na afloop, in de kerkeraadskamer, keek ik de broeders stuk voor stuk aan. In de komende stilte vroeg ik duidelijk: heeft een van u in de juist gehoorde preek iets van een ketterij opgemerkt? - Verbazing: móet dat dan? - Ik herhaalde: heeft niemand van u enig bezwaar op het geheel of een onderdeel van deze preek gevoeld? - Opnieuw ontkennende antwoorden, zelfs woorden van lof. - "Dan constateer ik", vervolgde ik tegen ds Telder, "dat de kerkeraad hier geen schriftuurlijke bezwaren tegen uw verklaring van onze dood en opstanding heeft in te brengen".
Dat was bepaald geen pak van zijn hart - maar zo was het ook niet bedoeld.
Het betekende wel dat een kerkeraad, die gewend was met de Bijbel in de hand te luisteren, zonder vooroordeel in staat was de stem van de Heer te herkennen in zijn preek.
Eens bediende hij te Nunspeet het avondmaal. Een feest, zoals hij dat deed. Sommige mensen hebben die speciale gave van vriendelijkheid, die naar Paulus' woord onder ons algemeen moest zijn. Hij liet ons weten en geloven: de eenheid van Christus' leden, de verbondenheid met onze Heiland.
Dankbaar gingen we uiteen.
Maar in de kerkeraadskamer was geen vrede. Daar was een jonge militair binnengekomen, die zonder aanzien van enige persoon onze gastpredikant met geladen woorden te lijf ging. Met groeiende ontsteltenis hoorden we aan, hoe deze de reeds bejaarde predikant verweet: dat deze "avondmaal durfde vieren, terwijl hij met bijna alle kerken in het land overhoop lag".
De kerke raad heeft dat eenzijdige gesprek gekapt. Die maakte duidelijk dat de jonge militair zelf gast was en dat ds Telder door de kerkeraad was uitgenodigd om Woord en sacrament te bedienen.
Dat hielp. Maar ds Telder maakte zich er hiermee niet van af. Die vroeg op innemende wijze: "vertel me eens, broeder,- heb ik een fout gemaakt bij de preek of het sacrament?" De jongeman antwoordde dat dit niet het geval was, maar dat ds Telder in ernstige broederstrijd was gewikkeld en beter het avondmaal kon overstaan.
De vriendelijkheid, waarmee ds Telder toen uiteen zette: dat niet hij aan een broederstrijd deelnam, maar dat hij zijn ambt probeerde waardig te vervullen en bereid was ieder te woord te staan, die met hem Gods Woord wilde verstaan ... Ik denk dat onze militaire gast de les van zijn leven heeft gekregen: begrepen heeft dat het koninkrijk Gods niet bestaat in gelijk hebben, maar in vriendelijkheid, zachtmoedigheid, liefde.
Ds Telder's opvolger in Breda vertelde me eens over een kerkelijke vergadering, waarin drie "galgen" voor ds Telder waren opgericht. Een breed rapport diende als grondslag voor de terechtstelling. Vergeefs werd verzocht, ds Telder zelf te mogen horen - daar was geen tijd, geen mogelijkheid en geen aanleiding meer toe. Totdat er een punt van .et agenda afviel en een vrije middag ontstond.
Ds Telder werd gevraagd zonder uitstel te komen en aan een niet officiele samenkomst deel te nemen. Hij kwam wél en meteen. Toen moet ds Telder uit het knappe rapport hebben voorgelezen en naast elk detail Gods Woord laten spreken. Hij verdedigde zich niet tegen aanklachtenschonk de vergadering alleen licht uit de Schrift. En het eind was, dat de vergadering geen keus uit de drie galgen heeft kunnen doen. "Dit werk is door Gods alvermogen, door 's Heren hand alleen geschied", zei zijn opvolger.
Bij een van onze vele gesprekken vroeg ik hem, of hij nog aan een boek bezig was. Hij had zijn tijd gehad, vond hij, de jongeren waren nu aan het woord. Dat was ik volstrekt niet met hem eens. Ik vroeg hem, regelmatig iets uit zijn pastorale praktijk te vertellen in ons goede blad; een wekelijks praatje, waar wij jongeren ons voordeel mee konden doen.
Het werd een vast cursief rubriekje, dat gelezen werd en voortgezet. Van tijd tot tijd polste ds Telder me of het nog de moeite waard was door te gaan. Uit de inkomende reacties kon ik hem blijven bemoedigen. En eindelijk zijn deze pastorale notities herdrukt in zijn "Als tot verstandigen gesproken". Hij stuurde me een exemplaar toe en schreef voorin: "Uit dank voor je zeer gewaardeerde brief van 14-1-78" . Laat me iets uit die brief mogen citeren - en daarmee besluit ik mijn mémoires over deze rechtvaardige.
"Je bent de man, die onder ons Christenvolk de gedachten aan een hiernamaals in Bijbelse zin gekuist hebt. Je hebt een "heilig" taboe doorbroken en hebt er voor geleden. Je hebt je werk in alle "eenvoudigheid"
zo getrouw gedaan als de engelen in de hemel (naar mijn mening) en in je grijze ouderdom draag je nog wekelijks vruchten, die graag geplukt en genuttigd worden. In al deze dingen, en nog meer in je bescheidenheid, ben je het type van de Christgelovige, voorbeeld voor ons jongeren. Laat dat eens geschreven worden als niemand het durft te zeggen".