Pleidooi voor een federatief kerkverband (1)
1980-09-19
In het vorige artikel heb ik uiteengezet hoe er onder ons twee visies leven op de vorm van het kerkelijk samenleven.- Jaargang 24
- nummer 35
De een ziet een verbond van kerken onder een artikelsgewijze kerkenordening als het ideaal, de ander kiest voor een federatie van kerken.
In dit artikel wil ik nader op deze twee idealen ingaan. Ik doe dit pas nà de twee vooropmerkingen die ik de vorige keer gemaakt heb en ook zonder dat ik iemand wil kwetsen of mijn standpunt als het enig ware wil voordragen. Ik geef mijn beschouwingen ter overweging in de hoop en met het gebed dat het de gemeenschap van onze kerken opbouwt en de meningsvorming bevordert, welk ideaal Opbouw steeds voor ogen houdt. Daarom ben ik blij dat ds G. Janssen op mijn artikelen een reactie zal schrijven, zodat u zelf kunt meedenken en zowel zijn als mijn standpunt wilt overwegen in het licht van de Schrift.
Hoe is de stand van zaken op dit moment?
Zoals u weet is er in de achter ons liggende jaren van 1974 tot 1980 druk gewerkt aan de vorming van een kerkelijk accoord. Er is bij mijn weten maar één kerk die zich aan alle meningsvorming om te komen tot een kerkelijk accoord onttrokken heeft en dat is de kerk van Oegstgeest. Op zichzelf genomen is dat helemaal niet erg, omdat deze kerk samen met ons gemeente van Christus is en inhoudelijk met ons op dezelfde weg staat - alleen wat betreft de vorm van. ons samenleven zich zeer uitgesproken opstelt: nooit meer terug naar iets dat zelfs maar riekt naar de oude Dordtse kerkenordening.
De overige kerken zijn ondanks Oegstgeest toch de weg ingeslagen van de vorming van een kerkelijk accoord. Toch moet niemand zich op deze betrekkelijke eensgezindheid verkijken, want er is geen discussie gevoerd over de twee verschillende idealen die twee groepen van onze kerken bezielen op dit punt. Het lijkt alsof er eensgezind gebouwd wordt aan een kerkelijk accoord, maar dat is schijn.
Zolang er alleen nog maar gepraat wordt over afspraken die in beider kraam te pas komen - om het wat oneerbiedig uit te drukken - worden wij het wel eens: daarom zijn artikelen als art. 31, 32, 33, 36 en 38 met nièt al te veel discussie aanvaard.
Zij bestaan uitsluitend uit een herhaling van de praeambule (art. 31) en een bundeltje afspraken over het "waar", "hoe laat" en "hoe vaak", die nu eenmaal bij iedere contact oefening - in de vorm van een verbond, Of van een federatie - nodig zijn. Maar zodra er een artikel aan de orde komt waarin een meer principiële uitspraak moet worden gedaan over de vorm waarin wij samenleven, zoals art. 34, dan blijkt dat de gevoelens hoog oplaaien en de meningen scherp tegenover elkaar staan.
Zonder nu op deze meningsvorming direct in te gaan die een zaak is en blijft van de kerkelijke vergaderingen, zou ik nu in dit artikel deze op de achtergrond liggende verschillen eens willen doorspreken.
a. Is het ideaal om van onze 93 kerken een verbond van kerken te maken een juist - door de Schrift geboden - ideaal? Ik zelf meen van niet. Het opvallende van het N.T.
is dat de vorm van kontaktoefening tussen de plaatselijke kerken minimaal was - (wij lezen van een "meerdere vergadering" alleen één keer in Hand. 15) en wij lezen in geen enkele brief van Paulus, gericht aan deze plaatselijke gemeenten ook maar één woord in die richting. Nergens zegt Paulus: letten jullie er wel op dat je regelmatig elkaar opzoekt en je gemeenschappèlijke agenda afhandelt ...
Integendeel: wij ontmoeten in het N.T. zeer verschillende gemeenten, zodat je in iedere gemeente weer iets anders aantreft van de veelkleurigheid van Christus herscheppend werk: in Efeze zijn de ambten heel belangrijk - in Corinthe spelen de geestesgaven een belangrijke rol en je treft in geen van deze brieven een model aan waaraan iedere gemeente moet voldoen.
Wel roept Paulus iedere gemeente op om Christus gestalte te vertonen, te wandelen in de Geest, een licht te zijn, in de wereld en elkaar in liefde te dienen.
Nu kan ik mij voorstellen dat iemand mij biblicisme verwijt: de situatie van de gemeenten in het N.T. kan je niet zomaar overbrengen op de situatie van de Nederlands gereformeerde kerken. Er was in die tijd geen contactmogelijkheid tussen Efeze en Corinthe er was geen vervoer; de afstanden waren groot etc. Dat is waar.
In de tweede plaats lezen wij nergens een verbod dat plaatselijke kerken zich gezamenlijk niet mogen organiseren in één verbond of federatie en tenslotte: de bovengenoemde argumenten keren zich ook tegen een kerkverband .in de vorm van een federatie. Men had in de N.T.ische tijd nl. ook geen federatief verband. Er was in het begin in het geheel geen georganiseerd verband. Dat is pas later gegroeid na ± 200.
De conclusie moet zijn: het N.T. leert ons niets over de vorm waarin plaatselijke kerken onderling zich gezamenlijk organiseren, Het wordt aan de vrijheid van de gemeenten onder leiding van de Heilige Geest overgelaten.
b. Toch kunnen wij uit het N.T. wel enige dingen leren die in ieder geval van toepassing zijn voor het samenleven van kerken.
1. Hun onderlinge gemeenschapsoefening moet een gemeenschapsbeoefening zijn in Christus. Ze moet worden beheerst door het Woord, het gebed, wederzijds dienstbetoon, gemeenschappelijke toerusting. Overal waar er intergemeentelijke kontakten plaatsvinden lezen wij van zo'n soort kontaktoefening.
Rond de genade van Jezus Christus (Hand. 15: 11) en openheid voor de leiding van Zijn Geest (15 : 28) en gebed (15 : 40), wederzijdse steun (1 Cor. 8) en toerusting (Col. 4 : 16). Het lijkt totaal overbodig om dit nog eens op papier te zetten en te benadrukken, maar toch is het vandaag voor onze omgang zeer actueel. In toenemende mate worden onze inter-gemeentelijke kontakten weer juridisch en steriel. Ik heb sinds 1970 geen juridische verklaring meer mee hoeven nemen naar een intergemeentelijke vergadering, maar toen ik vorig jaar weer eens een vergadering bezocht in de regio Utrecht bleek het weer opnieuw nodig om een juridische verklaring in te dienen waarin stond dat ik officieel was afgevaardigd door de gemeente in Utrecht. Weer opnieuw worden wij bezig gehouden door inter-gemeentelijke vergaderingen die zich uren en uren bezig houden met artikelen en formuleringen en juridische aangelegenheden - zonder dat de vergaderingen ons opbouwen in het geloof, zonder werkelijk gebed, zonder wederzijds dienstbetoon of onderlinge toerusting.
Zo'n ontwikkeling benauwt mij verschrikkelijk en ik weet niet wat ik er mee aan moet. De éne keer onttrek ik mij er innerlijk (en uiterlijk) aan, dan voel ik mij weer schuldig omdat onttrekking toch ook geen oplossing is, en ga ik maar weer een keer er naar toe om toch de gemeenschap niet op te breken. Maar een wijziging ten goede kan ik toch ook niet aanbrengen.
Daarvoor moet je met meer gelijkgezinde mensen samenzijn.
Nu probeer ik weer op deze wijze via dit blad om op een zo eerlijk mogelijke manier en oog in oog met een oudere broederpredikant verantwoording af te leggen van wat. in mij leeft.
Ik heb er in een vorig artikel ook wel eens over geschreven onder de titel "Wijnzakken" dat ik mij niet aan de steeds sterkere indruk kan onttrekken dat zulke juridisch opgezette inter-gemeentelijke vergaderingen oude wijnzakken zijn die niet geschikt zijn voor de nieuwe wijn van de Geest van God - heus niet alsof ik over die nieuwe wijn zou beschikken en die anderen niet. Ik geloof dat wij allen in onze tijd na een pijnlijke scheuring in 1970 mogen rekenen met en leven uit de nieuwe wijn van Gods Geest die in 1980 anders geschonken wordt dan in 1618 of 1834 of 1944.
Hoe ook: die oude wijnzakken van een juridische kontaktoefening onder een kerkenordening die als een soort wet moet functioneren - met eventuele uitstoting uit het verband als straf op je zonde en met - opnieuw, zij het onder andere namen zaken als credentiebrieven, ratificatie-
recht etc. etc. - zij zijn naar mijn vaste overtuiging niet door de Schrift geboden en met vele zonden bevlekt. Er staat m.i. geen andere weg open dan hier een duidelijk neen te laten horen.