Nabetrachting van het kernwapenvraagstuk (1)
1980-09-19
Ons blad is, aan de lezers nog iets verschuldigd, Aan het eind van de discussie over het kernwapenvraagstuk (zie de nrs. van maart en april) stelde ik de mogelijkheid open, persoonlijk te reageren op hetgeen door de gespreksdeelnemers was geboden.- Jaargang 24
- nummer 35
Naar vermogen en voor zover nodig zou daar dan door elk van hen op geantwoord worden. Er hebben er zich niet velen met vragen of opmerkingen aangemeld. In totaal twee die met nieuwe gezichtspunten of.
nog niet genoemde argumenten kwamen.
Een van hen die reeds op 8 april een tussentijdse reaktie leverde, wil ik zelf te woord staan, de ander zal door prof. Schuurman beantwoord worden.
Het verantwoordelijkheidsgevoel van het smalle deel gewogen
Met erg veel belangstelling volg ik in "Opbouw" de diskussie tussen Goudzwaard en De Jong. Vooral door wat de laatste schrijft in het nummer van 4 april voel ik me persoonlijk ter verantwoording geroepen.
De Jong heeft het daarin over "jongeren van de nieuwe levensstijl, de kritische jongelui, het alternatieve smalle deel van de frivole grote hoop". Onder hen treft hij degenen aan die bv, nee zeggen te,gen de militaire dienstplicht. Daardoor krijgen ze voor hem iets maatschappelijk en politiek onbruikbaars. Hij verwijt ze o.a. dat ze zich afzijdig houden van de samenleving en haar noden.
Omdat ik zelf nee gezegd heb tegen de militaire dienstplicht wil ik hier ingaan op dit verwijt "maatschappelijk en politiek onbruikbaar" te zijn.
Ik denk nl. dat je het omgekeerde zou kunnen stellen: omdat de maatschappij hen onbruikbaar vindt, omdat de samenleving gelooft in hun onbruikbaarheid onttrekt men hen aan de mogelijkheid als burger verantwoordelijkheid te dragen voor defensie.
Men zondert hen af in tewerkstellingsobjekten, zij mogen zich niet meer met defensie bemoeien.
Ik heb nee gezegd tegen de militaire dienstplicht en vervul momenteel m'n vervangende dienst op een arbeidsburo in den lande - op zich misschien wel zinvol, maar ik zou liever bezig zijn met defensie. Ik sta erg positief tegenover dienstplicht t.b.v., defensie. Alleen: ik heb gewetensbezwaren tegen onze vorm van defensie.
Ik stel me graag beschikbaar om me bezig te houden met de ontwikkeling van een alternatieve vorm van defensie.
Dat màg niet.
Hoewel ik best begrip kan opbrengen voor de achtergrond daarvan vind ik het wel erg wrang als- je dan toch wel maar eventjes een etiket opgeplakt krijgt van "afzijdige opstelling" .
Er zou nl. best wel eens wat meer nagedacht kunnen worden over een alternatief voor onze militaire defensie.
Persoonlijk vind ik de manier waarop velen op het (al dan niet nucleair-) militaire paard wedden als enige vorm van defensie onverantwoordelijk.
Ik zie het kwaad en het gevaar bij de huidige defensie niet alléén in de dingen, de wapens die gebruikt worden, maar óók in de mensen, juist omdat ik geloof in de Bijbelse openbaring aangaande het wezen van de (misschien nog zo verantwoordelijk voelende) mensen die deze dingen moeten gebruiken.
Onze bewapening veronderstelt dat er mensen zijn, halfgoden, die inzake de zich ontwikkelde waansituatie de juiste beslissingen rondom de eventuele dood van honderden miljoenen kunnen nemen zonder dat de situatie hen uit de hand loopt.
Dàt noem ik onverantwoordelijk!
En inderdaad, om met De Jong te spreken: deze onverantwoordelijkheid moet de wereld uit, te beginnen bij de Gemeente! Onverantwoordelijk noem ik het dat pas drie jaar geleden door de overheid een wetenschappelijk onderzoek is ingesteld naar mogelijkheden van zgn. "geweldloze konfliktoplossing" .
Gene Sharp, één van de leden van deze onderzoeksgroep presenteert zijn ideeën over geweldloze weerbaarheid als een wetenschappelijk verantwoord alternatief voor de bewapening (Hervormd Nederland, 5 april '80).
Hij is niet zozeer tot de keus van dat alternatief gekomen dooj een innerlijke overtuiging, hij is geen principieel tegenstander van het gebruik van geweld, maar hij kwam daartoe op grond van een afweging van allerlei faktoren waarbij het pogen zo min mogelijk slachtoffers te maken, de belangrijkste lijkt te zijn. Binnen onze kringen is hierover, voor zover ik weet, nog nooit serieus nagedacht.
Dit is onverantwoordelijk, om geestelijke, morele, financiële en veiligheidsoverwegingen.
Overigens heb ik er persoonlijk bezwaar tegen, geweldloosheid, ofwel ,-sociale verdediging, alléén maar te rechtvaardigen op grond van haar mogelijkheid méér sukses te hebben als strategie dan de (kern)bewapening.
In 1973 zeiden een aantal mensen binnen de Wereldraad van Kerken dat ze van mening waren dat geweldloze aktie de enige mogelijkheid van defensie is die verenigbaar is met gehoorzaamheid aan Jezus Christus. Zij erkenden dat deze leer hard is en dikwijls zonder sukses zal zijn. Vóór alles was geweldloze aktie voor hen een getuigenis, een weg des geloofs en in de 2e plaats een defensief middel. Inderdaad, een middel dat. als strategie kán falen, maar dat geldt ook voor de huidige afschrikkingsstrategie. Een middel dat niet vervalt in de stijl waarmee een tegenstander ons bedreigt, om met Goudzwaard te spreken. Een middel dat niet bij voorbaat de mogelijkheid uitsluit tot een positieve relatie met de ander te komen, een.
middel gericht op bekering en niet op vernietiging.
En misschien is het wel zo dat God van ons vraagt liever te lijden dan door massavernietigingswapens beschermd te willen worden.
Geref. Bonds-ouderling J. Haeck, lid van de generale synode der Herv. Kerk schreef vorig jaar in het R.D.: "Als we kiezen voor de weg die steeds meer wordt gewezen, eenzijdige ontwapening en de kernwapens de wereld uit, dan dienen we ons te realiseren dat we de woestijn ingaan, waar het martelaarschap ons kan wachten. Denk aan de lijdensweg van zoveel Christenen onder totalitaire regimes.
Maar heeft de geschiedenis ons niet met veel voorbeelden laten zien dat God daar Zijn Gemeente een tafel aanricht? Erger zou zijn dat we misschien in onze samènleving niet meer verdrukt worden, omdat aan ons zo weinig te zien is “dat we bij Jezus geweest zijn".
Misschien moeten we ons veel meer .gaan bezighouden met het specifieke lijden als kruisdragen van Christus, vanuit de wetenschap dat het een knecht niet beter zal vergaan dan zijn Heer: Paulus, de apostel in de gestalte van de Gekruisigde, kende de ervaring van "uitvaagsel van deze wereld te zijn, als aller voetveeg"
en hij schreef dat "allen die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, vervolgd zullen worden".
Jan Venderbos, Ermelo
Antwoord
Zoals ik heb geschreven, moet er in onze samenleving plaats zijn voor degene die gewetensbezwaren heeft tegen het vervullen van zijn militaire dienstplicht en om die reden ook dienst weigert. Gelukkig is dit in ons land ook het geval. Het gaat dan in de regel om mensen die het op geen enkele wijze met hun geweten in overeenstemming kunnen brengen, om wat voor reden dan ook, een evenmens te doden. Hun recht om in dezen naar de stem van hun geweten te luisteren is hun bij de wet gewaarborgd.
Iets anders is het, wanneer mensen geargumenteerd dienst willen weigeren.
Heeft een gemoedsbezwaar iets - persoonlijks, een argument bedoelt kracht van algemene geldigheid te hebben. Dat wil· zeggen: weigert iemand dienst, bijvoorbeeld onder het' argument dat hij niet mee wil doen aan de afgoderij met het militaire apparaat, dan heeft zijn redenering behalve een verdedigende ook een aanvallende strekking. Of hij het zich bewust is- of niet, of hij her wil of niet, of hij het met zoveel woorden zegt of niet zegt, hij stelt degenen die wèl in militaire dienst gaan, schuldig aan afgoderij .
Hij moet dan ook niet vreemd opkijken, als daar reaktie op komt; als niet alleen zijn mede-christenen zich tegen dit verwijt van afgoderij verdedigen -maar als van die kant ook tot de aanval wordt overgegaan en de dienstweigeraars worden aangesproken op de gevolgen die uit hun opstelling voortvloeien. Er is dan geen reden om verongelijkt te klagen dat men zo maar eventjes het etiket opgeplakt krijgt van "afzijdige opstelling" .
Natuurlijk heb ik de dienstweigeraars scherp aangevallen met mijn beweren dat 'ze voor mij iets maatschappelijk en politiek onbruikbaars hebben. Daar wil ik me ook helemaal niet onderuit praten. Alleen, realiseert de principiëel-politieke dienstweigeraar zich dat hij mij even scherp, zo niet nog scherper, aanvalt, wanneer hij dienst nemen in het leger afschildert als afgoderij? Of als hij zegt, dat geweldloze aktie de enige mogelijkheid van defensie is, die verenigbaar is met de gehoorzaamheid aan Jezus Christus? Realiseert hij zich dat hij mij daarmee raakt in het meest wezenlijke van mijn geloof, namelijk het Godsvertrouwen en het gehoorzaam volgen van de Here Christus?
Let wel, ik klaag daar niet over. Hij mag dat vrijelijk doen. Ik wil me er ook over verdedigen, geduldig en geargumenteerd, zoals ik gepoogd heb.
Maar wie kaatst, moet wel de bal verwachten.
Maar op het eerste gezicht hebben we hier met iets anders te maken dan principiële dienstweigering. "Ik sta erg positief tegenover dienstplicht t.b.v. defensie. Alleen, ik heb gewetensbezwaar tegen onze vórm van defensie. Ik stel me graag beschikbaar om me bezig te houden met de ontwikkeling van een alternatieve vorm van defensie. Dat mág niet."
Nu, het zou vreemd zijn als dat wèl zou mogen. Stel je voor, iemand zegt: ik ben een sportliefhebber. Ik zie ze daar
voetballen en nu heb ik me aangemeld om binnen die voetbalclub te ijveren voor een alternatieve 'sport, te weten handbal, en dat mág niet! Terecht zou dat niet mogen.
Maar wat wèl mag, dat is dat onze briefschrijver buiten het militaire dienstverband om nadenkt over en werkt aan alternatieve vormen van verdediging. Dat mag niet alleen, maar ik zou hem daarin willen stimuleren.
Het zou toch een heel ding zijn als er een methode gevonden werd die het mogelijk zou maken het vrije Westen effectief te verdedigen met een drastische beperking van het aantal slachtoffers. Ik heb dan ook, evenals hij, met grote belangstelling kennis genomen van wat de heer Gene Sharp gezegd heeft over geweldloze weerbaarheid, in het interview in Hervormd Nederland van 5 april jl.
Maar mijn teleurstelling hierover kan ik niet voor me houden. De enige concrete voorbeelden van geweldloze weerbaarheid die uit het werkelijkheidsvreemde verhaal van de heer Sharp naar voren springen, zijn Tsjecho-Slowakije en de (vroegere) hollandse waterlinie. Nu, wat Tsjecho-Slowakije betreft, het enige dat in Praag-1968 duidelijk is geworden, is dat Rusland er voorshands nog tegenop ziet om voor het oog van de wereld (de t.v.!) een opstand bloedig neer te slaan. Daardoor behaalden de diskussiërende in plaats van vechtende burgers daar een schijn van (overigens zeer kortstondig) succes. En wat de hollandse waterlinie betreft, is ook inundatie geen geweld middel ? Ze is bovendien slechts zinvol naast andere geweldmiddelen, niet in plaats daarvan.
Maar hoe onbeholpen deze uitkomsten tot dusverre ook zijn, het zoeken naar verdedigingsmiddelen die met zo weinig mogelijke toepassing van geweld een zo groot mogelijk rendement van veiligheid bieden, moet aangemoedigd worden.
Echter, mijn geachte briefschrijver zit niet op deze lijn, al wekt hij even die indruk. Want van taktische geweldloosheid à la Sharp stapt hij toch weer over op principiële geweldloosheid à la het pacifisme. En daarover behoef ik verder niet te schrijven. Zo min als trouwens over de verantwoordelijkheid t.a.v. de wapenhantering. Men herleze slechts de diskussie.
Wel nog dit. In het citaat van J. Haeck treft mij opnieuw de verwarring die er heerst omtrent de verhouding tussen kerk en staat. "Als wij kiezen voor· de weg die steeds meer wordt gewezen, eenzijdige ontwapening en de kernwapens de wereld uit, dan dienen we ons te realiseren dat we de woestijn ingaan ... Maar heeft de geschiedenis ons niet met veel voorbeelden laten zien dat God daar zijn Gemeente een tafel aanricht?" Men krijgt hier de indruk dat de christelijke gemeente tot dusver bewapend was en daarvan nu nodig àf moet.
Er gaat een belangrijk stuk helderheid van denken verloren, als we het inzicht opgeven dat kerk en staat elk een onderscheiden ambt hebben. We moeten het daar een andere keer nog maar een apart over hebben. Eerst evenwel luisteren we nog naar een discussie tussen een andere briefschrijver en prof. Schuurman.
Op het hem van te voren toegezonden antwoord van mij reageerde de heer Venderbos nog met het volgende: Zeer kort en bondig- puntsgewijs een reactie:
1. "Wie kaatst moet de bal verwachten" .
Ik maak ernstig bezwaar tegen het idee dat als iemand geargumenteerd dienst weigert, omdat hij als christen het voor zichzelf afgoderij vindt, hij hoe dan ook degene die wèl in dienst gaat beschuldigt" van afgoderij. Ik weet dat er dienstweigeraars zijn die dat doen, maar het gaat niet aan daarom generaliserend te spreken. M.i. heeft dit geen enkele zin, integendeel: belemmert het alleen maar het zo broodnodige gesprek tussen beiden.
(Dat neemt niet weg dat er binnen de Gemeente ruimte moet zijn om de ander op een gegeven moment te vrágen: pleeg je hier nou geen afgoderij?
2. De parallel van de sportliefhebber.
Om bij de vergelijking te blijven: je beschuldigt degene die buiten die voetbalclub aan handbal gaat doen er toch niet van dat hij geen sportliefhebber zou zijn? Waarom krijgt iemand die buiten de traditionele kaders om aan een alternatieve vorm van defensie wil werken dan het etiket “maatschappij-politiek onbruikbaar?”
3. De les van Tsjecho-Slowakije.
Ik heb blijbaar meer dan drs De Jong van deze les geleerd: nl. dat het geweldloos verzet enorm sukses had totdat…. Het bericht van de Tsjecho-Slowaakse regeringsleiders kwam, die in Rusland belangrijke consessies gedaan hadden.
Overigens: ook ik heb enorm veel vragen bij geweldloze weerbaarheid.
Ik heb er echter nóg meer bij militaire defensie!
4. Taktiek of principe?
Er is bij mij geen sprake van "overstappen" van de ene op de andere lijn.
Geweldloze weerbaarheid kies ik na een afweging van allerlei factoren.
Eén van die factoren is mijn christelijke levensbeschouwing. Echter, er zijn mensen, zoals Sharp, die kiezen voor geweldloze weerbaarheid op grond van louter rationele argumenten.
D.w.z. óók op grond van wetenschappelijke argumenten kun je daarvoor kiezen.
5. De verhouding tussen kerk en staat.
Deze laatste opmerkingen van De Jong begrijp ik niet. Een onderscheiden ambt betekent toch geen (Lutherse) twee-rijken-leer? De gevolgen daarvan hebben we gezien in de houding van sommige orthodoxe protestanten tijdens Hitler-Duitsland.
J. A. Venderbos
Naschrift. Zoals ik al zei: over dat laatste moet 't nog maar eens afzonderlijk gaan. Dat houden de lezers dus nog te goed.