Overdenkingen bij het avondmaal (4)
1980-09-26
Waar kunnen we met onze schuld naar toe?- Jaargang 24
- nummer 36
Wijlen ds Buskes vertelt in één van zijn boeken dat hij op een vergadering van het Humanistisch Verbond met een leider van dit Verbond eens een gesprek voerde over humanisme en christendom. De voorman van de humanisten kreeg toen uit de zaal de volgende vraag van een man op leeftijd: "Zeg me eens wat ik met mijn schuld moet? Hoe dichter ik de dood nader wordt dit voor mij een brandende vraag: wat moet ik met mijn schuld?" Deze man was humanist, geloofde niet in God. Met schuld bedoelde hij dus zijn schuld tegenover de medemens en zijn schuld tegenover het leven. Hij kon er eerlijk niet omheen dat schuld een werkelijkheid is en geen bedenkseltje van de kerk.
Het antwoord luidde: Schuld moet je vereffenen, weer goed maken. Ja, schrijft ds Buskes dan, wat moet een humanist anders antwoorden? Maar daarmee is ook de armoede van het humanisme duidelijk geworden. Want wat moet je met zo'n antwoord bij een sterfbed, waarop iemand worstelt met de vraag: Wat moet ik met mijn schuld?
Klinkt het dan niet wrang en schrijnend om te zeggen: Die moet je nog goed maken!? Wanneer dan?
Dat we onze schuld moeten vereffenen, ongedaan moeten maken, dat is het laatste woord dat buiten het evangelie om over schuld kan worden gezegd. Maar het is wel een verpletterend woord voor ieder, die beseft dat we elke dag onze schuld niet kleiner, maar groter maken. Dat we ook met het meest toegewijde leven van vandaag aan onze schuld van gisteren niets veranderen. Dat we heel ons leven belast blijven met ons verleden, dat juist omdát het verleden niet te veranderen is! Schuld is niet te vereffenen!
Gedane zaken ...
En toch is het niet nodig om onze schuld dan maar te verdringen, angstvallig verborgen te houden of te ontkennen.
God komt tot ons met een bevrijdend woord. David heeft het duidelijk zo ervaren. Het was voor hem uiteindelijk een opluchting aan zijn schuld te worden ontdekt. Nu hoefde hij niet langer boven zijn morele stand te leven.
En dan weet God verrassend van een andere weg: schuldvergeving en schuldverzoening. Ja, volkomen onbegrijpelijk!
Maar dit is het evangelie: Gód ruimt het kwaad uit de wereld. Hij doet de schuld van mij weg. Wij moeten ons als kinderen in bad laten doen. We moeten toegeven dat we te klein zijn om ons zelf te wassen en aan te kleden. Christus wast ons in Zijn bloed en doet ons het witte kleed van zijn gerechtigheid aan. En zo mogen we fris en schoon bij Hem aan de avondmaalstafel komen.
Is het een wonder dat David anderen de weg wijst die hemzelf zo in de ruimte heeft geleid? In de vss 6 en 7 prijst hij iedere gelovige het gebed der schuldbelijdenis aan: "Daarop bidde iedere vrome tot U ten tijde dat Gij U laat vinden."
Wel, God laat zich aan het avondmaal vinden in Woord en Sakrament. Daar is Hij aanwezig met zijn schuldvergevende liefde. Aarzel daarom niet Hem dan konkreet uw zonden te belijden. En noem de dingen dan maar rustig bij hun lelijke namen. Wees maar niet bang dat Hij zich van u afkeert. Nee, Hij zal zich laten vinden in brood en wijn.
En uw zonden werpt Hij in de diepten der zee (Micha 7,19).
God doet geen half werk
In vs 8 is God zelf aan het woord. En dan blijkt dat God niet houdt van half werk. Want de weldaad van de schuldvergeving wordt aangevuld met de weldaad van de leiding op de goede weg. .
En die kunnen we goed gebruiken! Want hoe kunnen we voorkomen dat het na het nieuwe begin, dat we mogen maken, toch weer falikant fout gaat? Evenmin als we gemaakte schuld kunnen vereffenen kunnen we het maken van nieuwe schuld ontgaan. Mogelijk heeft David na de onverwachte vergeving van zijn zonde tegenover Uria zich dankbaar en blij voorgenomen: Maar nu zal ik de HEERE laten zien dat ik ook anders kan! Nu zal ik Hem verder trouw dienen. Maar de bijbel vertelt van meer dan één ernstige zonde die David hierna toch weer deed.
Daarom, hoe ernstig zo'n voornemen ook is, het miskent de eigen zwakheid. Want zonder U, 0 Heer, verdwaal ik altijd weer op zelfgekozen wegen.
Wat dus een rijke belofte als God zegt: Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet. Wie weet beter de , weg dan Hij. Wat een vreugde! God verliest de verloste niet meer uit het oog. De vrijgesprokenen leidt Hij aan eigen hand op de weg naar het eeuwige leven.
Weest daarom niet als een paard, als een muildier zonder verstand, welks trots men dwingt met toom en bit. David weet uit eigen ervaring hoe ellendig weerbarstig verzet maakt. Talrijk zijn de smarten van de goddeloze.
Maar de zondaar die áls zondaar voor God gaat staan ontvangt genade als een stroom van zegenend en genezend licht. God eist niet dat wij onszelf zuiveren op eigen kracht.
Hij vraagt eerlijkheid tegenover eigen ónmacht. Hij vraagt dat we ophouden onszelf voor de gek te houden ten aanzien van eigen schuld. Hij vraagt van ons de moed ons als boos-doeners en deugnieten voor Hem te stellen. Dan omringt Hij ons met goedertierenheid. Verheugt u dus in de HEERE en juicht, gij rechtvaardigen; jubelt allen, gij oprechten van hart.