ALS EEN KIND

1980-09-26
  • Jaargang 24
  • nummer 36
Er is een vers van mevr. IJskes-Kooger onder die titel. Het wordt wel eens voorgedragen bij de begrafenis van iemand, die geestelijk gehandicapt was. Het eindigt met de regels: God heeft bij hem zo’n groot geloof gevonden als Hij bij theologen zelden vindt.
In gesprekken bij zulke begrafenissen, valt me op, hoe de familie graag naar voren haalt, wat er in het leven van de ontslapene op te merken viel aan uitingen van geloof: Hij ging toch zo graag naar de kerk en het zingen vond hij zo fijn. Hij vergat ook nooit om te bidden, als hij naar bed moest.
Maar wat dan met al die mensen, die op geen enkele manier uiting kunnen geven aan hun geloof? Hebben ze wel zoiets als geloof? Trouwens, waar de familie troost in vindt, wás dat wel eigen geloof of alleen iets dat aangeleerd was: van vroeger, thuis?
Ik denk er niet over, om het te verachten, of de familie te ontmoedigen, maar soms krijg je sterk de indruk, dat mensen van diverse Gereformeerde pluimage de neiging hebben om de kant van de Remonstranten uit te gaan, als ze de zaligheid van hun dode bewijzen willen uit zijn geloof.
In de Dordtse Leerregels (I, 17) gaat het over de zaligheid van vroeggestorven kinderen. Er wordt niets gezegd over iets van geloof, maar het gaat wel over de Here die verkiest en die Zijn verbond houdt. We kunnen bij de begrafenis van iemand, met wie geen enkel contact mogelijk was, roemen in God, die het zwakke verkiest om het sterke te beschamen.
Ik waardeer het gedicht van mevr. IJskes, maar dit stukje inspireert haar misschien tot een vers vol troost voor hen, die een zwaar beschadigd kind hebben moeten afstaan. Aan het graf of aan een instituut.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief