Wij waren op Sint Kilda
1980-09-26
Als u zich onze artikelen van dit voorjaar over Sint Kilda herinnert, begrijpt u dat wij de zeldzame gelegenheid hebben aangegrepen om persoonlijk dit wondere eiland te bezoeken. Die kans ligt niet voor het oprapen - al ontmoetten we iemand, die er zijn negentiende, een ander, die er zijn 29e bezoek bracht! Maar dat zijn alleen mensen, die door hun positie (National Trust, Natuurmonumenten of Reservaatcommissie) daartoe aangewezen zijn. In onze 12 man sterke groep liefhebbers waren slechts enkelen, die eerder tot het eiland waren doorgedrongen. De voorzitter van de Sint Kilda-club, die ons tot leden verklaarde, bracht zijn zevende visite op het eiland en dat geeft een reële aanwijzing. Voorwaarden tot het lidmaatschap van genoemde club zijn een kleine contributie en het tenminste 24 uur op het eiland (of in de Village Bay voor anker) te zijn geweest. De club wil de herinnering aan dit oude stukje menselijk leven en primitieve cultuur overeind houden door publicaties, ontmoetingen, uitwisselingen en restaurerende werkgroepen.- Jaargang 24
- nummer 36
Wij - dat zijn H.K.H. en schrijver dezes - zijn in drie dagen tijd zesmaal op het eiland Sint Kilda geweest. Reeds eerder vertelden we u, dat het eiland ten hoogste 4 maanden in het jaar toegankelijk is - vanwege het slechte weer, dat juist in deze omgeving, 180 kilometer buiten het Schotse "vasteland", ontstaat. De beste maanden zijn mei en juni en in de tweede helft van augustus zijn de kansen op een veilige landing een op zes. We kennen dan ook zeker drie personen, die van een vergeefse reis zijn teruggekomen: het eiland van nabij hadden bezien, maar er door de hoge zee niet kunnen landen. Welnu, onze reis viel in de laatste week van augustus en alles is naar wens gegaan. Begrijpt u onze dankbaarheid?
Ter gelegenheid van de herinwijding van het gerestaureerde kerkje was een speciale excursie ondernomen. De VIP's gingen met een boot van de National Trust (11 man), de gewone lieden bemanden een huurboot: een trawler, die speciaal voor tochten naar de buiten-Hebriden is omgebouwd.
Lengte 25 meter, motorvermogen: een Volvo Penta dieselmotor met 180 paardekrachten. Voorts landden op Sint Kilda een fregat van de Navy en een landingsvaartuig van de Army, beiden geladen met wasechte Kildans plus de BBC, de televisie, de postautoriteiten mitsgaders de Kreti en de Pleti. Zelfs een helicopter, zelfs een particulier zeiljacht je met drie ferme kerels.
Dit gezelschap, dat het oude kerkje met zijn 75 zitplaatsen volledig vulde, woonde de herdenking van de evacuatie van het eiland bij, die precies 50 jaar geleden had plaats gevonden. De oorspronkelijke kansel bood plaats aan vier sprekers; in de precentor-katheder had een heuse voorzanger plaats genomen, zoals de eilandkerken nog plegen te hebben.
Het gebouwtje zag er voortreffelijk uit: had een grenenhouten vloer gekregen, een wit geschilderde houten wandbekleding en plafond. Het bevatte behalve enkele oorspronkelijke banken uit 1850 een aantal identieke banken, geschonken door vrienden van St. Kilda. De echte Kildans - we hebben met hen gesproken - keken hun ogen uit: het vriendelijke moderne interieur moet een heel andere sfeer hebben geschapen dan de aarden vloer en de verveloze banken van vroeger:' De oude kansel liet waarschijnlijk ook heel andere klanken horen dan voorheen.
Na het gezamenlijk zingen van psalm 100 (dat gaat hier op de wijs van ps. 134) opende Father John, een priester uit Edinburgh, met een uninemende Schriftlezing uit Salomo's tempelgebed; hij had het uit mijn Nederlands zakbijbeltje geprepareerd, daar dit de enige aan boord beschikbare bijbel was. Later zongen we psalm 23 en de classisvertegenwoordiger van de Free Church op het eiland Uist las uit Mattheüs 21 over het "huis des gebeds" in het Gaelic. Zijn gebed was tweetalig.
Ds J. Gillies uit Vancouver - een echte Kildan, al voor 1930 geëvacueerd - las uit Efeze 2: 13-22 (over de vreemdelingen, die huisgenoten zijn geworden) en hield de "sermon". Die preek kwam nogal op wat persoonlijke herinneringen neer, meer dan Schriftbediening. Hij vertelde, dat zijn vader hier ouderling was geweest en naast de Bijbel en Bunyan nog twee boeken bezat en las. Toen hij beweerde, dat "the Lords day" altijd de blijste dag van de week was geweest, ging er een ongelovige lach door de kerk: ieder dacht aan de verplichte drie lange kerkdiensten op zondag en niet mogen lachen of praten. Maar toen hij aan een preek over Maleachi 3 : 18 herinnerde werd het weer stil: "dan zult gij tot inkeer komen en het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient en wie Hem niet dient".
Een Edinburgh's predikant, aan de National Trust verbonden, las een "acte van herinwijding" voor, bad met ons allen het Onze Vader en liet ons "Praise, my soul, the King of heaven" zingen. Tenslotte gaven de vier voorgangers gezamenlijk ons hun zegen - en lieten zich daarna fotograferen ...
Waartoe dit gebouwtje nu weer in gebruik genomen? De kerk is in Schotland (waar zij Kirk genoemd wordt) het hart van de leefgemeenschap, de kern van het dorp, uitgangspunt van religieus en sociaal leven. Voor bezoekers van het eiland is hier gelegenheid voor eenzaamheid en inkeer; voor werkgroepen centrum van woordbediening. Dan: er is altijd een klein artillerie-garnizoen aanwezig, dat een raketbasis onderhoudt; ook die mensen hebben behoefte aan geestelijke verzorging. Maar bovendien is dit kerkje symbool van het nog-bestaan en het levend-zijn van een prijsgegeven eiland, dat veel meer aandacht blijkt te verdienen dan het vroeger kreeg.
Eerst nog iets over de zang in die samenkomst. Er werd normaal, Schots, gezongen in gezond tempo, zuiver op toon, goede leiding van de precentór, bewuste zang, aangenaam om te horen. Alleen vielen drie of vier scherpe, sterke hoge vrouwenstemmen op: de zang van zeelieden, die gewend zijn voor in de mond te spreken en enigszins te galmen. Een Gaelic sprekende predikant, van Lewis afkomstig, zei hij me, is dit de eerbiedigste vorm van zingen. Het gevoelige zingen vanuit het middenrif, de bewogen stem uit het "hart", heet oneerbiedig tegenover God te zijn, Daarom zingen primitieve mensen het liefst met een harde kopstem of falsetstem - om het "zondige hart" er buiten te houden. Stomverbaasd en denkend aan het harde zingen in sommige Nederlandse kerken vroeg ik hem: hebt u die wijsheid op Lewis opgedaan? - Nee, antwoordde hij, maar een bevriend archeoloog vertelde me, dat dit in de religieuze zang van het oude Egypte al voorschrift was!
We spraken dus met oude bewoners van het eiland St. Kilda en proefden hun emoties bij het weerzien na 50 jaar. In de litteratuur is sprake van een "Kildan girl", dat in 1930 in een ziekenhuis te Edinburgh overleed, nadat ze te laat was getransporteerd voor een appendicitis-operatie. Dat sterven had de laatste stoot gegeven voor het besluit tot evacuatie. Nu ontmoetten we een 53-jarige man, die de enige zoon van de "Kildan-girl" was geweest en als klein kind met zijn vader was geëvacueerd. Hij stelde ons voor aan zijn nicht (58), die zich het oude eiland goed herinnerde.
Beiden heetten Gillies en waren oomzeggers van de predikant uit Vancouver; deze naam, die Knaap of Knecht betekent, kwam overwegend op St. Kifda voor, hoewel we ook namen als Cameron en Macdonald hebben ontmoet In een van de gerestaureerde huisjes vonden we bij de haard een steen, waarop Flora Gillies haar naam en de jaartallen 1930-1977 had laten schilderen.
Inderdaad worden de eilandhuisjes langzaam maar zeker gerestaureerd door vrienden van het eiland. De muren worden hersteld, de vele schuurtjes - die aan hunebedden doen denken - gerepareerd. De werkgroepen van de St. Kilda-club wonen er tijdens hun zomerverblijf, waarbij hard wordt aangepakt. De Natuurreservatencommissie heeft er de hele zomer een waarnemer, die ons vertelde alle jonge schapen en duizenden jonge vogels te hebben geringd. De archeologen vinden er onderkomen; dat is minder luxueus dan een caravan - maar alles wordt dankbaar aanvaard.
En dan het kleine militaire garnizoen. Oorspronkelijk gebruikten de soldaten de oude Kilda-huisjes, maar dat heeft de eigenaar, de National Trust, verboden. Toen zijn er houten huisjes, kazematten en gebouwtjes verrezen, zo maar in en tegen het dorp. Weliswaar behoorlijk aangepast aan de omgeving - maar steeds sterker wordt de overtuiging: dat hier onbehoorlijk met een archeologisch werkterrein is omgesprongen. Vlak bij de kerk is nu een wasgebouw, voor de gerestaureerde huisjes staat een groene nissenhut en tegen de zeemuur staat een gebouw met een dieselgenerator.
Het enige kanon dateert van de eerste wereldoorlog en wordt bij de jaarlijkse inspectie aan één zijde gepoetst; verder valt het vanwege de roest uit elkaar.
Maken de militairen dus inbreuk op het waardevolle terrein - aan de andere kant zou de ontginning van deze oude cultuur niet mogelijk zijn zonder militaire medewerking: de electriciteit, watervoorziening, en het vervoer per jeep of de hulp bij het landen zijn onmisbaar. Als persoonlijke bizonderheid: een tandarts uit Inverness, aan boord aanwezig, was zo vriendelijk mij met een plotseling kaakabces te helpen, waartoe hij het "medisch centrum" van het garnizoen mocht gebruiken.
Na alles wat in vorige artikelen is verteld, was onze ervaring slechts een wonderlijke bevestiging van veel, dat uit de litteratuur (gebrekkig) tot ons was overgekomen. Als het u interesseert gaan we daar in een slotartikel nog even op in.