Gesprek over het samenleven der kerken (1)

1980-10-03
  • Jaargang 24
  • nummer 37
Op verzoek
Ds W. G. Rietkerk heeft me verzocht te willen reageren op de artikelen, die hij geschreven heeft onder het opschrift: Pleidooi voor een federatief kerkverband. Hij deelde me telefonisch mee dat hij er behoefte aan had na wat hij in verschillende artikelen over deze zaak had opgemerkt zijn gedachten nog eens wat meer samenvattend op schrift te stellen en daarbij vooral duidelijk te maken wat zijn eigenlijke intentie was. Ik heb eerst wat geaarzeld en zelfs enige tijd van beraad gevraagd. Er is immers de laatste jaren al heel wat over dit onderwerp geschreven. Onlangs heeft de heer C. Huizinga er nog een aantal m.i. voortreffelijke artikelen aan gewijd en ik heb me ook zelf in dit opzicht niet geheel onbetuigd gelaten. Aan herhaling van door anderen en mijzelf gegeven argumentatie had ik weinig behoefte.
Maar ik ben toch overstag gegaan.
De openheid waarmee collega Rietkerk me tegemoet trad en de kennelijke behoefte, die hij aan een nadere discussie had, deden me voor zijn vriendelijke aandrang bezwijken.
Wel brengt deze 'voorgeschiedenis' mee - en dat heb ik hem ook gezegd - dat ik niet een in het algeméén gestelde argumentatie ga geven voor een kerkverband, zoals dat m.i. er in grote lijnen uit moet zien, maar me nader met hèm zal trachten te verstaan. Of om het met andere woorden te zeggen, dat ik zal trachten aangrijpingspunten te vinden, van waaruit we over de achtergronden de hele zaak kunnen doorspreken. Wellicht kan dat toch nog zijn nut hebben, temeer daar collega Rietkerk zich daarvoor heeft opengesteld en daaraan ook behoefte blijkt te, hebben met het oog op het welzijn van onze kerken.
Dit brengt mee dat ik zijn artikelen niet op de voet volg of inga op alles, wat hij schrijft maar me zoek te beperken tot datgene, wat voor een werkelijk gesprek dienstig kan zijn.

Kerkelijke vergaderingen
Collega Rietkerk voelt zich niet thuis op de 'inter-gemeentelijke vergaderingen', zoals die weer door onze kerken worden gehouden. Te denken valt hier aan de vergaderingen van de regio's en wellicht ook aan die van het Landelijk Verband.
Ze bouwen niet op in het geloof, zijn zonder werkelijk gebed, zonder wederzijds dienstbetoon of onderlinge toerusting. Uren lang houdt men zich daar bezig met artikelen en formuleringen en juridische aangelegenheden.
Deze ontwikkeling benauwt hem verschrikkelijk.
Nu, ik kan daar wel een beetje inkomen en wel om verschillende redenen.
De eerste is dat onze kerkelijke vergaderingen de laatste jaren voor een betrekkelijk groot deel in beslag genomen worden door het opstellen van een accoord voor het kerkelijke samenleven. Dat brengt heel wat discussie mee tot over de formuleringen van de artikelen toe, vooral ook omdat er van algehele overeenstemming op verschillende punten nog geen sprake is en men moet zoeken tot overeenstemming te kómen. Dit alles raakt slechts indirect het welzijn van de plaatselijke kerken. Als je daarbij dan nog bedenkt dat sommige broeders net als dat bij andere vergaderingen het geval is, wel eens wat breed van stof zijn of ook graag herhalen wat door anderen reeds is gezegd en dat niet elke voorzitter de kunst verstaat een vergadering goed te leiden en eindeloze besprekingen af te dammen, dan is het begrijpelijk dat zulke vergaderingen wel eens uiterst vermoeiend zijn. We moeten dit intussen niet overdrijven: de opstelling van een kerkelijk accoord is een zaak voor één keer en niet een blijvend agendapunt op de kerkelijke vergaderingen, al kunnen er altijd weer wijzigingen nodig zijn.
In de tweede plaats. Niet ieder is een 'vergadermens'. Niet ieder heeft belangstelling voor zaken die niet
een direct persoonlijk karakter dragen.
De persoonlijke aanleg van ons allen loopt nu eenmaal ver uiteen.
Maar dit is toch niet alleen een aspect van 'inter-gemeentelijke' vergaderingen.
Op een kerkeraad geldt dit evenzeer, zij het vaak in mindere mate. Daar komen ook zaken aan de orde als de jaarlijkse begroting, kwesties als de verzorging van de emeriti-predikanten en de predikantsweduwen en -wezen. Soms moet er een nieuwe kerk gebouwd worden. In grote gemeenten neemt de Commissie van Beheer de kerkeraad in dit opzicht veel werk uit handen, maar de kerkeraad zelf draagt toch de uiteindelijke verantwoordelijkheid en moet zich er dus mee bezig houden. In kleinere gemeenten vaak zelfs in versterkte mate.
Zo is het nu eenmaal in het kerkelijke leven. Niet alle kanten daarvan liggen ons allemaal evengoed.
Je bent als dominee, die graag preekt en ziekenbezoek doet, toch meermalen gedwongen je ook met andere zaken bezig te houden, hoewel die je niet zo liggen. Je daar niet aan onttrekken behoort ook tot de christelijke zelfverloochening.
Maar dit is alles toch het voornaamste niet. Het is me volkomen duidelijk dat ik met het bovenstaande ds Rietkerk nog niet geheel uit zijn 'benauwing' heb geholpen.
Daarom moeten we op dit punt nog wat doorpraten.
Wat is het karakter van de bedoelde kerkelijke vergaderingen? Zowel van die van de kerkeraden als van de 'inter-gemeentelijke'? Is dat de persoonlijke opbouw in het geloof en de onderlinge stichting van de ambtsdragers? Collega Rietkerk denkt in deze richting als ik hem goed begrijp. Hij verwijst voor zijn mening naar Bijbelplaatsen als Hand. 15 : 11, 28 en 40, 1 Cor. 8 en Col. 4 : 16.
Op deze plaatsen is inderdaad sprake van contactoefening, maar niet steeds via kerkelijke vergaderingen.
Deze zijn ook niet de enige vorm, waarin zij mogelijk is. Ze is ook mogelijk via gewone correspondentie, via kerkelijke bladen enz. Maar we hebben het nu over de kerkelijke vergaderingen als zodanig en dáárvan is slechts sprake in Hand. 15. Zij is een vergadering van de apostelen en de ouderlingen en de gemeente van Jeruzalem met afgevaardigden van de kerk te Antiochië.
Deze afgevaardigden waren Paulus en Barnabas. Dezen waren naar Jeruzalem gezonden naar aanleiding van een in Antiocië ontstaan geschil! Het ging over de vraag of de tot Christus bekeerde heidenen zich ook moesten laten besnijden om zalig te kunnen worden.
De apostelen en oudsten vergaderen met elkaar 'om deze aangelegenheid te overwegen'! De gemeente is er bij tegenwoordig. Op deze vergadering ontstaat zelfs 'veel verschil van mening'. Het verhaal van Gods grote daden aan de heidenen en de opening van de Schriften van het Oude Testament leidt tenslotte tot een eenstemmig oordeel, waarin over de noodzaak van de besnijdenis niet wordt gesproken die wordt impliciet afgewezen maar verder aan de Jodenchristenen wordt tegemoet gekomen: de weg tot vreedzaam samenleven tussen christenen uit de Joden en uit de heidenen wordt uitgestippeld.
Het is dus een kèrkelijke zaak, die op deze vergadering wordt behandeld.
Niet de persoonlijke opbouw in het geloof van de deelnemers is hier de inzet maar een kerkelijke aangelegenheid, zoals die ergens aan de orde was gekomen. En dit is het eigenlijke kenmerk van de kerkelijke vergaderingen gebleven.
De deelnemers eraan komen samen om kerkelijke zaken te behandelen, de belangen van de gemeente(n), niet hun persoonlijke opbouw in het geloof te weken, ook al kan die er mede het gevolg van zijn doordat men samen de opening van de Schriften zoekt over de te behandelen materie. Alle dienstbetoon in het Koninkrijk Gods brengt zijn eigen zegen mee! Maar dit doet aan het karakter en doel van de kerkelijke vergaderingen niet af. Ze zijn van een ander karakter dan een godsdienstoefening, dan een conferentie tot opbouw in het geloof en dergelijke. Dat heef ook het gebed voor die kerkelijke vergaderingen te bepalen. Ik schrijf daar even over omdat ds Rietkerk de onthutsende woorden neerschrijft dat deze vergaderingen zonder werkelijk gebed zijn. Is dat waar? Ik kan er niet over oordelen, maar ik ben wel bang dat hij dit oordeel velt vanuit een verkeerde visie op het karakter van deze vergaderingen, waarop het gebed dient afgestemd te zijn.
Wil hij er een voorbeeld van hoe diep geestelijk zulk een gebed kan zijn dan kan hij dat vinden in de reeks Christelijke gebeden, die te vinden is in de oudere uitgaven van onze kerkbijbels. Daarin komt ook voor het "Gebed voor de handelingen der kerkelijke bijeenkomsten".
Op schone en zuivere wijze wordt daarin het karakter van deze vergaderingen aangegeven: het naar het voorbeeld der apostolische kerken handelen over de dingen aangaande de welstand en de stichting van Gods kerken en dan volgt er een belijdenis van eigen onbekwaamheid en de bede om 's Heren eigen tegenwoordigheid door Zijn Heilige Geest. Een diep geestelijk gebed, men leze het in zijn geheel, met daarin centraal niet eigen persoonlijke stichting maar de opbouw van Gods kerk tot lof van Zijn Naam!
Wanneer het waar zou zijn dat de gebeden op onze kerkelijke vergaderingen geen "werkelijke" gebeden zijn, wat ik niet durf te onderschrijven, dan heeft dat niet te maken met de aard van deze vergaderingen, maar met een gebrek aan geestelijke diepte in het bidden zelf is en op dit punt waarachtige reformatie wel zeer noodzakelijk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief