Wij waren op Sint Kilda (slot)
1980-10-03
De reis - interesseert het u? We gingen per trein van Dalmally naar Mallaig, waar de boot klaarlag. Zo zie je eens een landschap, waar geen chauffeur ooit een oogje aan waagt. Vanuit Mallaig voeren we Westelijk, lieten de eilanden Eigg en Rhum links liggen en ankerden de eerste dag op Canna. Daar woonden w,ede volgende morgen een (RK) kerkdienst bij, geleid door Father John: het hele kerkje liep vol, met mensen die blij waren eens naar de kerk te kunnen.- Jaargang 24
- nummer 37
Die middag van de tweede dag voeren we NNO door de Kleine Minch naar Rodel op Harris, waar we de dokter aan boord namen. Daarmee waren we van de binnen-Hebriden op de buiten-Hebrieden aangekomen.
De derde dag voeren we tussen Vist en Harris door de gevaarlijke Sound of Harris pal westelijk, passeerden de Haskier-eilanden en kregen op 50 kilometer afstand de Kilda-eilanden in zicht. Na het eiland Boreray omgevaren te hebben en tienduizenden Jan van Gent's te hebben gezien en gehoord, ankerden we in de Village Bay van Sint Kilda met het uitzicht op het oude dorp, dat als in een schelp gevangen ligt. Nog dezelfde avond gingen we per rubbervlet aan wal om de eerste indrukken op te doen.
De vierde en vijfde dag zijn op het eiland besteed. Direct na de officiële samenkomst riep de schipper ons echter aan boord, vanwege een slecht weerbericht. Het was haasten, er mocht weinig gegeten worden, geen alcohol gebruikt - maar wel een tablet tegen zeeziekte voorgeschreven! Alles wat los lag moest vastgezet worden, vroeg naar kooi en de rest was voor rekening van de schipper, die voor de helft eigenaar van de boot is. Als dan, na drie uur varen in het donker, de motor afslaat gaat er wel iets door je heen. Wij dachten aan psalm 107, die een vliegende storm op zee tekent: "Hij wekt, met slechts te spreken, een stormwind voor hun oog.
Dan beeft het al, dan steken de golven 't hoofd omhoog. Nu ziet men 't schip de lucht - dan weer de afgrond nad'ren. Hun hart geeft zucht op zucht, hun bloed verstijft in d'adren". Maar na een lang half uurtje had de schipper de motor weer op gang en om half drie 's nachts rammelde de ankerketting in de Sound of Harris. "Toen week verslagenheid na zoveel angstig slaven - daar God hen veilig leidt in hun begeerde haven", zegt dezelfde psalm.
Op de zesde dag werd de dokter van Harris afgezet, werd het eiland (Noord) Scalpay bezocht, Oostelijk om Skye gevaren, het eiland Raasey bezocht (waar we twee arnhemse meisjes ontmoetten - ja echte, geen koekjes) en, precies op tijd voor de enige trein, waren we in Mallaig terug.
We spraken van de Village Bay: een stuk water, dat halfrond afgeschermd .ligt door het rotseiland Duhnn en de hoge rotsen van Kilda zelf. Aan deze baai, enigszins tegen de Zuidwester stormen beschut, ligt het enige genaakbare deel van het eiland; al de rest is door hoge steile rotsen ontoegankelijk.
Schepen gaan in deze baai voor anker en via een rubbelvlet moeten reizigers de laatste halve mijl oceaanwater oversteken en zien, op de glibberige landingspier te springen. Dat alles goed ging kwam mede door de fijne onderlinge hulp van Kilda-vrienden. Ieder stond voor ieder verantwoordelijk, ook bij het aandoen van andere eilanden, waar soms over zes vissersboten moest worden gestapt, tegen loodrechte ladders opgeklommen - ladders die bij aankomst slecht vier treden lieten zien, maar bij laag water zestien treden telden ...
Het leven op het eiland wordt geheel door het veranderlijke weer gestempeld.
Waar pas nog helder zicht op een bergkam bestond is even later de hele skyline in wolken gehuld. Het werd ons duidelijk, waarom de Kildans talloze stenen schuurtjes hadden gebouwd: niet alleen tot bergplaatsen voor hooi en voedsel - ook stonden alle "cleits" in lijnen opgesteld, die bij mist en duisternis recht naar het dorp voerden.
Overigens hebben we de rotsen gezien, vanwaar de mannen vroeger met hengel en strop de vogels vingen; de rots richels, waarin moedige vrouwen het eerste voorjaarsgras plukten; afgronden, waarin jonge mannen aan een touw werden neergelaten, om eieren en jonge vogels te verzamelen; scherpe rotsranden, waarvan schapen door plotselinge stormen de diepe zee in gezweept werden. We fotografeerden de dokter en de priester, staande op een ver uitspringende rotspunt, drie honderd meter boven de Atlantische Oceaan! Kilda heeft de hoogste rots kusten van het koninkrijk.
Welke dieren we zo al gezien hebben? De Jan van Gent is al genoemd.
Het is een prachtig gezicht, deze enorme zeevogel van grote hoogte loodrecht het water in te zien duiken en met een vis boven te komen. Dat gaat onophoudelijk door, want de lucht is vol van deze gannets. De puffins of papagaaiduikers (pofhakkers, zoals Toonder ze noemt) lieten verstek gaan - wel was de fulmar, de Noorse stormvogel, present. De gekuifde aalscholver stond in grote groepen op de rotsen. De skua, een zeeroofvogel, kwam in duikvlucht op ons af en is in staat mensen aan te vallen. Op het eiland is een Kilda-wren, een stevig soort winterkoninkje, dat we helaas weinig te zien kregen.
Schapen lopen er vrij veel rond, alle verwilderd en overgebleven na de evacuatie. Ze vormen zeven kudden over het eiland, die onderling niets met elkaar te maken willen hebben. ( Ook hier moet u voortaan aan denken, wanneer de bijbel Gods volk met schapen vergelijkt). Ze zijn klein en licht- tot donkerbruin, gehoornd, soms dubbel gehoornd. We hebben handen vol bruine wol geraapt en meegenomen – ook een schapenschedel, naar de kiezen te oordelen van een volwassen schaap, maar opvallend klein. Hoewel de schapen ( meer gems of geit dan schaap) tot tussen de huizen lopen, laten ze zich niet vangen.
Onderweg, in de Minch, zagen we de eerste walvissen, eigenlijk potvissen.
Later, bij aankomst in de Village Bay, zwommen er twee haaien om ons heen: de driekante rug- en staartvin boven water uit stekend. De zee-hond liet zich overal en in goede getale zien.
Kleine berg-kikvorsen zagen we vele; ook slakken in alle soorten, maten en kwaliteiten. De woelmuis bleek wel aanwezig, maar liet zich niet zien.
Van honden en katten is geen sprake.
Wat planten en bloemen betreft: er bestaat een lijst van ongeveer 120 planten, die op Sint Kilda voorkomen. Daaronder 2 soorten viooltjes, tormentil, saxifraga, zonnedauw, primula, ogentroost, thijm, kamperfoelie, orchideën. We hebben ze niet alle gezien, laat staan herkend - maar ze zijn er. En hoe kwamen ze honderd kilometer over zee?
We maakten (op de enige zonnige dag) een forse tocht over het eiland: klommen tegen de 350 meter hoge bergrug op, en daalden aan de andere kant door de Glenn Mor (groot dal) weer tot zeeniveau af. We dachten aan de vroegere Kilda-vrouwen, die deze urenlange tocht dagelijks deden, wanneer het vee in de Glenn Mor liep te grazen; om dan met de melkemmers terug over de bergrug te klimmen!
Onderweg vonden we een onderaards dorp, dat - volgens de bekende carbon-proeven - van 2000 jaar voor Christus dateert. Het lag niet aan de baai maar zo ver mogelijk daar van af: beschermd tegen invallers. Elk hol moest op handen en voeten worden ingegaan, er was nauwelijks gelegenheid om te zitten en de "slaapkamers" waren zijholen. In die omgeving vonden we ook de "tunnel": een uitgeslepen spelonk in de kustrotsen, waar de oceaan haar water doorheen jaagt. We zijn tot in de tunnel afgedaald, hetgeen een werkelijk gevaarlijke tocht betekende: een eind langs een sterk touw lopend, op een aflopende en glibberige bodem, waar uitglijden een val in de oceaan zou betekenen. Maar we werden ruim beloond: zagen stenen van alle soorten wit, grijs en zwart, groen, rose en blauw; daarin het bruisende water, dat kleurde van wit en lichtgroen tot donkergroen en blauw. Dit alles in een tumult, waarin geen woord kon worden gewisseld. We konden slechts elkaar aanzien en hetzelfde denken: 't schepsel beeft' en staat verwonderd als de God der ere dondert!
Nog even terug naar het oude dorp. We vertelden u al, dat de “huizen” van het midden van de vorige eeuw dateren. De oudere woningen, meer hutten, staan achter het dorp opgesteld en dateren gedeeltelijk van de middeleeuwen. Daarachter vonden we ook zogenaamde “bootgraven” – grafplaatsen, in een ellips door grote stenen opgebouwd. Bovendien hadden de latere Kildans een ommuurde begraafplaats boven het dorp gebouwd, waarvan het grondwater (evenals trouwens alle huisriolen) onder een speciale muur naar zee werd geleid.
In deze omgeving troffen we een bizonder hoge hut aan, het huis van Calum Mor, Grote Malcolm. Zelfs schrijver dezes kon gemakkelijk rechtop staan - hetgeen nergens elders mogelijk was. En dan was er het huis van de legendarische Lady Grange. Dat is een apart verhaal.
Lady Grange was de vrouw van een Edinburgh's griffier. Het was midden achttiende eeuw, de tijd van de opstand der Stuart-gezinden en de vernederingen door Engeland. Lady Grange was Engelsgezind en luisterde een samenzwering van haar man, haar zwager en enige Stuart-gezinden af.
Dat kwam uit en ze werd als levensgevaarlijk en ongewenst beschouwd.
Onmiddellijk werd ze, in 1731, met medewerking van de chiefclan der Mac-Leods, verstopt; eerst op Skye, later op de Heskier-eilanden, van 1734-1742 op Sint Kilda. Hoewel de Kildans haar gastvrij behandelden en het haar aan niets lieten ontbreken - was ze acht jaar gevangene. Ze sliep overdag en weende 's nachts. Dan stuurde ze boodschappen in flessen en-kurken de zee in, hopende, dat haar familie ooit haar verblijfplaats zou vernemen. Tot haar dood in 1745 is ze op andere eilanden verborgen gehouden. Eenmaal bereikte haar noodbriefje een neef, die de uitzending van een oorlogsschip naar Skye wist te bewerken - maar ze is nooit gevonden.
We hebben de hut bezocht, die deze treurige vrouw heeft bewoond. We plukten een distelbloem van haar stoep. En staarden naar de Village Bay, waarnaar zij vele malen om hulp smekend heeft staan staren.
We besluiten deze reportage met wat de National Trust for Scotland in haar St. Kilda Handbook schrijft: "St. Kilda is uniek. Het groepje eilanden in de oceaan is niet slechts een natuurreservaat; het bevat ook de sporen van een gemeenschap, wier levensstijl als nergens elders in Europa de eeuwen onveranderlijk doorstond. Daarin ligt de grootste aantrekkingskracht voor onze generatie". - "De Kildans hadden geen reden, vriendelijk naar de buitenwereld te kijken; die zag hen aan voor menselijke abnormaliteiten".
"Maar in eigen omgeving waren de Kildans voortreffelijk.
Zij konden er bestaan, wat geen van hun bezoekers kon, wat het leger niet kan zonder hulp. De kennis van de eilanders, hun weerstand en moed van elke dag zijn legendarisch geworden!