Zo was het (43)
1980-10-03
Een br. uit V. kreeg de indruk uit m'n stukjes, dat naar mijn mening alle gereformeerden in V. en omstreken oud-gereformeerden waren. Dat is m'n mening niet. En die indruk wilde ik ook niet geven. De geref. kerk was wel enigszins een oase in de woestijn van valse mystiek en zware godsdienstigheid. Maar daarin was wel zand doorgedrongen. Trouwens ik schreef toch ook: Ik zeg niet, dat er weinig echte vroomheid was of is.- Jaargang 24
- nummer 37
Van andere zijde werd opgemerkt, dat ik de toestand van de kerk uit m'n jeugd. Wel wat negatief had voorgesteld. Die zou wel beter zijn geweest dat ik uit mijn herinnering schreef. Die mogelijkheid sluit ik niet uit. M'n geheugen is niet onfeilbaar. Toch moet ik zeggen, dat bij herlezing ik mag zeggen, dat ik die herinnering naar waarheid weergaf. Wel voeg ik daar aan toe, dat Ik slechts in kleine kring verkeerde. Dat dus het totaalbeeld van de afgescheiden kerk in die dagen beter was. 'k Ben waarschijnlijk wel wat meer een ontluisteraar dan een opluisteraar. Geen van belden zijn trouwens te prijzen. In het leven naar traditie kán ook veel echte vroomheid steken. Die was er ook. Een paar gevallen herinner ik mij, die nogal indruk op mij gemaakt hebben.
Moeder is vroeg weduwe geworden. Nauwelijks 14 jaar geworden was ik haar helper. Van die hulp kwam niet veel terecht. Er zat geen koopman in mij. Nu herinner ik mij, dat een zuster der gemeente eens tegen mij zei: Je moet maar goed je best doen je Moeder te helpen. Dat wil de HERE.
Hij is een Helper der weduwen. Zij durfde de Naam van de HERE te noemen.
Wat naar m'n geheugen mij zegt niet algemeen was.
Dan. nog een geval. Een paar kameraden moesten in dienst. Ik was vrij wat Jonger. Op de zondagavond vóór zij naar de kazerne vertrokken, kwamen de ouders van beide jongens bij elkaar. Ik was ook genodigd. Toen werden zij vermaand om ook in dienst trouw te zijn aan de dienst des HEREN. Ze moesten zich niet schamen voor hun geloof uit te komen.
En eenvoudig doen wat Gods wil was. Toen ging één van de vaders voor in gebed. Dát herinner ik mij na zoveel jaren ook nog.
Dat neemt echter niet weg, dat naar mijn herinnering in mijn omgeving zelden openlijk tot de dienst van de HERE werd aangedrongen. Men noemde dat wel "schuchterheid in het heilige". Maar zou schaamte geen beter woord daarvoor zijn? Er was een teveel aan geslotenheid en een tekort aan openheid. Trouwens, zou dat later en ook nu veel anders zijn?
Ik wil wel erkennen, dat ik mogelijk tot het einde van m'n loopbaan als predikant, zelf te weinig oog heb gehad voor het vermogen van de nieuwe mens-in-Christus. Ook een dienaar des Woords is nooit uitgeleerd. Er zal wel niemand zijn, die volmaakt is in het verstaan van de H. Schrift. En in de verkondiging van de volle raad van God. Wie meent de volmaaktheid daarin wel bereikt te hebben en niets meer te hoeven leren is m.i. niet te prijzen.
Ik schreef de vorige keer: "Men (door heel de geref. gezindte heen) dacht te klein van de kracht van Gods genade". Van de kracht der zonde kan men moeilijk te klein denken. Maar dat is wèl mogelijk van de genade.
Dat was en is m.i. vaak het geval. En dan denkt men ook te klein van het vermogen van de nieuwe mens-in of door-Christus. De Heiland verwachtte veel van zijn leerlingen. Wat ik meen aangetoond te hebben uit de Evangeliën. Maar al de apostelen zijn daarin goede navolgers van hun Meester geweest. Dat wil ik nu nagaan uit Handelingen en de Brieven.
Er is opgemerkt dat ik in m'n aanhalingen wat eenzijdig ben. Dat ben ik mij wel bewust. Teksten, waaruit blijkt dat de oude mens verdorven is en dat wij van nature "onbekwaam zijn tot enig goed", haal ik niet aan. Omdat dit er bij de gereformeerde gezindte wel ingehamerd is. Althans in de omgevingen waarmee ik het meest in aanraking kwam. Dat christenen ook zondaren zijn en blijven, dát is wel algemeen aanvaard. Al wil ik wel opmerken dat wel te betwijfelen is of veel zondekennis wel ècht is. Naar mijn mening is echte zondekennis alleen te vinden bij hen, die de HERE kennen. Zonde is immers opstand tegen God, afwijking van de HERE.
Hoe zou iemand dan echt z'n zonden kennen als hij de HERE niet kent?
Een oude vriend merkte niet zo lang geleden op: Men heeft het wel over een "gestolen geloof". Daarom heeft men het ook niet over een "gestolen zondekennis ? Er is m.i., veel napraterij op dat gebied.
'k Las eens de opmerking: Als de prediking niet uitmondt in ethiek, dan deugt ze niet. Waarmee gezegd is, dat de verkondiging van het Evangelie uit moet lopen op de vermaning: "Onderhoudt alles wat de Heiland geboden heeft". Daar ligt dunkt mij een gebrek in de prediking hier en daar.
En daarom leg Ik op dat element de nadruk. Vandaar mijn aanhalingen.
Om met Handelingen te beginnen, wat worden er van de gemeente in Jeruzalem prachtige dingen gezegd. Uit Hand. 2: 43-47 haal ik enkele zinnen aan: “Ze hadden alles gemeenschappelijk ... Ze waren elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud van harten, zij loofden God en stonden in de gunst bij heel het volk." Om jaloers te worden. Mogen we er met naar Jagen om dit beeld te vertonen? Natuurlijk gaan we niet naar de tempel en we kunnen niet dagelijks het brood aan huis breken. Maar zullen we niet ons best doen om diezelfde blijdschap en eenvoud te tonen en God te loven? Om in de gunst te staan bij onze omgeving en hen te trekken?
In Hand. 4 wordt dit herhaald. Ik citeer alleen dit: "De menigte was één van hart en ziel. Ze zullen het niet in alles eens geweest zijn. Eenvormigheid is niet nodig, zelfs met gewenst. Die bestaat niet in Gods Schepping en ook met m de Herschepping. Maar éénheid is wel geboden. Naar Efeze 4: 1-5: "Eenheid van of door de Heilige Geest ... De Gemeente vormt één lichaam en één Geest ... Eén roeping, één Here, één geloof één doop één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen.", Ik houd het met de spreuk: "Eenheid is het noodzakelijke, vrijheid in al het niet-noodzakelijke, in alles de liefde". Niet gereformeerd? M.i. wel goed.
Dat niet alles zo heerlijk was is mij bekend. Annanias en Sapphira "logen" tegen mensen en tegen God. Er was onenigheid over de betekenis van de Joodse wet. Maar die werd bijgelegd. Paulus en Barnabas hadden een twist over een medewerker in de Zending. Ze werden bitter tegen elkaar.
Maar ook dat kwam weer in orde. Er is ook sprake van broeders en zusters, ijverig in goede werken. Paulus en Silas zongen Gods lof in de gevangenis.
En het Woord wies onder Joden en heidenen.
Verder wil ik wat aanhalen uit de Brieven. Ik begin met Romeinen. Nadat de apostel gezegd heeft, dat de rechtvaardigen vrede met God hebben en samen in de genade en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods, vraagt hij in Rom. 6: "Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme?"
Welke vraag hij beantwoordt met: "Verre van dat". We zijn immers met Christus voor de zonde gestorven, hoe zullen we daarin dan nog kunnen leven? Hoe zouden wij dan nog kunnen zondigen aan de lopende band? We zijn toch rechtens vrij van de zonde? En dan volgt in vs 11 dat waarachtige woord: "Zo moet het voor u ook vaststaan, dat gij wel dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus". Daarvan mogen en moeten we gelovig uitgaan. Maar dan zullen wij de zonde ook niet meer als koning in ons leven laten heersen. Dan stellen we onze organen niet meer ten dienste van de ongerechtigheid, maar van de gerechtigheid, In dienst van God. Immers (vs 14) "de zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade". Ik voeg daaraan toe: En die genade is almachtig!’’
Vervolgens dankt Paulus God, dat z'n lezers wel slaven der zonde waren (al.s heidenen), maar dat ze nu in dienst gekomen zijn van de gerechtigheid.
In dienst van de rechtvaardige wil van God. Ze zijn nu "vrijgemaakt van de zonde". Dát is de echte vrijmaking!
Rom: 7 sla ik over. Omdat dat hoofdstuk een aparte behandeling waard is.
Wat Ik een volgende keer hoop te doen. In Hand. 8 volgt dan bespreking van het leven door de Geest. De macht van de Geest des levens heeft ons vrijgemaakt van de wetmatigheid van de zonde ende dood. Wie naar het vlees leven, d.i. naar de oude mens, kunnen God niet behagen. Gij daarentegen (vs 9) "zijt niet in het vlees, maar in de Geest, daar toch de Geest Gods in u woont". Paulus gaat er niet van uit, dat z'n lezers in Rome nog of weer aan hun oude mens toegeven. Het is wel mogelijk Gods Geest te weerstaan. Daarvoor waarschuwt Paulus ook wel. Maar hij gaat er vanuit, dat zij zich door de Geest laten lelden. Die leidt niet tot een leven in angst en beving, maar die maakt ons tot kinderen Gods. Die gelovig God aanroepen en uitroepen als hun Abba, hun Vader in de hemelen.
In wiens heerlijkheid ze met Christus zullen delen. Geloven wij dit alles nog? Evenals dat machtige slot van Hand. 8: Ik ben verzekerd, dat geen enkele macht, boven of beneden, heden of in de toekomst ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Here.
'k Zou nog kunnen aanhalen Rom. 12 over het ware offer van ons leven.
waarin de echte dienst van God bestaat. Maar wat Rom. betreft zal ik het hierbij laten. En nog enkele uitspraken aanhalen uit andere brieven van Paulus. Uit de eerste brief aan de gemeente te Korinthe blijkt, dat er veel gebreken en zwakheden zijn. Toch begint Paulus met te roemen in Gods genade, die hun bewezen is. Ze zijn rijk in Christus. Ze komen in genadegaven niets te kort. Ze zien uit naar de volle openbaring van Christus. Die zal hen bevestigen ten einde toe. Zodat ze onberispelijk zullen zijn op de grote dag van de Here Jezus Christus. Want God is getrouw. (Hand. 1:4-9)
Dan waarschuwt Paulus tegen partijschappen. Ze moeten zich niet noemen naar Paulus of Apollos of Petrus, want Christus is niet gedeeld. Geen -ianen of -isten van welke "grote man" ook. Dat is menselijke dwaasheid.
Want hun oorsprong is God. Zij hebben hun bestaan "in Christus Jezus, die hun van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing. Opdat het zij zoals geschreven staat: Wie roemt roeme in de Here." (1 : 30) / De gelovigen zijn "Gods tempel. In hen woont de Geest van God. Wie Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods en dat zijt gij, is heilig!" (3 : 16) Geen heilig kerkgebouw. Maar een heilige Gemeente.
Dan volgen allerlei vermaningen. In verband met bestaande misstanden.
In Hand. 9 vergelijkt Paulus het leven der gelovigen met het lopen in de renbaan. Die om de prijs kampen. "Loopt dan zó, dat gij die prijs behaalt".
Een aansporing, die ook voor ons nog geldt. Sommigen hebben alles, letterlijk alles, voor hun sport over. Laten wij dat voorbeeld maar volgen. In de Geestelijke Sport. De strijd tegen duivel, wereld en eigen boze natuur.
Laat ik uit I Kor. alleen nog maar herinneren aan hoofdstuk 13. Het Hooglied der Liefde. We kennen het mogelijk wel ongeveer van buiten.
We moeten streven naar de hoogste gaven. (12: 31) De gaven van de Geest. En de meeste van die is de Liefde. Een onmogelijke opgave? Voor de oude mens: ja. Maar voor de nieuwe mens-in-Christus? Neen. Ik lees bij Paulus niets van een "wel moeten maar niet kunnen". Waarom zullen wij het dan doen?
Uit II Kor. wil ik nog enkele teksten aanhalen. In hoofdstuk 3 : 17 lezen we: "De Here nu is de Geest en waar de Geest van de Here is, daar is vrijheid. En wij állen, die met onbedekt gelaat de heerlijkheid van de Here als in een spiegel opvangen, worden in hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals te verwachten is van de Geest van de Here". Wel een uitspraak om een tijdje over na te denken.
Dan noem ik nog, in verband met ons doel, hoofdstuk 5: 10: "Want allen moeten wij in het licht gesteld worden voor de rechterstoel van Christus.
Opdat een ieder wegdraagt wat hij door het lichaam heeft gedaan, hetzij goed, hetzij kwaad." Laat dat maar precies zo staan als het er staat.
Uit Galaten haal ik aan een bekend deel, te lezen in hoofdstuk 5. Daarworden als werken van het vlees genoemd: Hoererij enz. enz. Daar tegenover staat de vrucht van de Geest: "liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing."
Alles vrucht van de Geest. Maar die groeit niet vanzelf in ons leven. We zijn geen "stokken of blokken". Ook geen planten. Maar verantwoordelijke schepselen van God! M'n papier is vol. Bij leven en welzijn tot over een maand.