Gesprek over het samenleven der kerken (3)

1980-10-17
  • Jaargang 24
  • nummer 39
Eén lichaam
In ons vorige artikel zagen we dat van een tegenstelling tussen het 'juridische' en het 'geestelijke' op grond van de Heilige Schrift geen sprake mag zijn. De belijdenis van Christus' Heer-zijn over de kerk involveert zijn recht in de kerk, waarvan we in allerlei apostolische voorschriften een bepaalde concretisering vinden. Wel moet gezegd worden dat het bij dit alles nooit gaat om 'het recht' op zichzelf, want het gaat Christus in de uitoefening van dit recht altijd om de opbouw van de kerk, die zijn lichaam is en uiteindelijk om de eer van de Vader. Maar dat geldt niet slechts van de ordeningen en voorschriften, dat geldt óók van de 'charisma's', de genadegaven. In dit opzicht staan de ambten, de diensten, de charisma's, de ordeningen volstrekt op één lijn!

We vinden echter in het Nieuwe Testament niet een systematischwetenschappelijke uiteenzetting van deze ordeningen, zoals de Schrift trouwens in geen enkel opzicht een wetenschappelijk handboek is. De apostelen spreken in verband met de situatie in de gemeenten en geven in verband daarmee hun voorschriften, hoewel er toch wel van algemene grondlijnen sprake is. Zo wijzen de apostelen in èlke gemeente oudsten aan, Hand. 14 : 23, vinden we in 1 Tim. 3 algemeen geldende voorschriften over de voorwaarden voor het hekleden van het ambt van ouderlingen en diakenen enz. Maar van een preciese blauwdruk voor de organisatie van de gemeenten is toch geen sprake, zoals ook ds Rietkerk terecht opmerkt. Dat hangt samen, zoals we boven opmerkten, met heel het karakter van de Schrift.
Het moet ons dan ook opvallen dat Paulus enerzijds heel wat voorschriften voor het gemeentelijke leven geeft, anderszijdt ook de mondigheid van de gemeenten respecteert en er vanuit gaat dat zij in vele gevallen zelf wel weten, wat ze hebben te doen, omdat ze reeds vol van goedheid zijn en vervuld met alle kennis, Rom. 15 : 14 en er bij hen orde heerst, Col. 2 : 5, ook al sluit dat nadere onderwijzing en nadere voorschriften toch ook weer niet uit. We moeten hierbij wel bedenken, dat ons lang niet alles over de situaties in de eerste christelijke gemeenten wordt meegedeeld en dat ons geen overzicht gegeven wordt over de wijze waarop een geordend gemeenteleven tot stand was gekomen. Bij de mondelinge prediking zullen ook wel allerlei richtlijnen zijn gegeven en zullen de eerste predikers wel een groot aandeel hebben gehad in de voorlopige organisatie der door hen gestichte gemeenten, vgl. 2 Thess. 3: 10!
Het spreekt wel vanzelf dat de nadere toerusting van de gemeenten niet aan haar individuele willekeur werden overgelaten, maar in overeenstemming had te zijn met de algemene grondlijnen en het wezen van Christus' kerk. Maar dat in dit raam de mondigheid der gemeenten haar eigen plaats had kan niet worden, ontkend. Evenmin dat daarbij plaatselijke en landelijke situaties en heel de geschiedenis daarbij een eigen rol speelden.

We zijn het er wel over eens dat er tussen de plaatselijke gemeenten in de apostolische tijd een band bestond.
Deze lag vanzelfsprekend in het gemeenschappelijke geloof, zoals dat tot stand was gekomen door de apostolische prediking, maar werd ook daadwerkelijk tot gelding gebracht. Men wisselde de apostolische brieven onderling uit, Col. 4 : 16, nam kennis van elkaars situatie, 2 Cor. 8: 12, ondersteunde tezamen de heiligen in Jeruzalem, 2 Cor. 8 en 9, om niet meer te noemen, De kerk bestaat tenslotte wel plaatselijk en is als zodanig telkens het lichaam van Christus op een bepaalde plaats, toch zijn er niet vele lichamen van Christus, maar is het: één lichaam, één Geest, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen, Ef. 4: 4-6.
Daarom wil de apostel ook niet dat de afzonderlijke gemeenten in haar plaatselijke ordening individualistisch haar eigen gang gaan zonder met de anderen rekening te houden. Op dit veel besproken punt moet ik me nader met collega Rietkerk verstaan. Hij voert het pleidooi voor een grote gevarieerdheid van de gemeenten, ook in de opzet van de diensten, in dopen en avondmaal vieren, in de wekelijkse samenkomsten enz. Hij beroept zich daarvoor op de gegevens in het Nieuwe Testament, met name op de brieven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië. Christus verschijnt zelfs aan ieder van deze gemeenten anders, aan de één als keizer van de gehele wereld, aan de tweede als een vuurvlam enz. Zó vèr reiken de verschillen zelfs dat Christus verschillend tot hen spreekt en verschillend aan hen verschijnt, schrijft hij letterlijk.

Als we met elkaar spreken moet de Schrift het laatste woord hebben, daarom ga ik op dit Schriftberoep even in. Inderdaad openbaart Christus zich 'verschillend' aan elke gemeente en spreekt Hij tot elk verschillend, daar heeft ds Rietkerk gelijk aan. Maar deze 'verschillen' hangen samen met de verschillende geestelijke toestand van de gemeenten en de lof of de waarschuwing, die in verband daarmee gegeven moest worden. Die waarschuwingen willen toch echt het verschil niet bestendigen! Verder gaat het hier niet om de ordeningen van de gemeente, het vraagstuk dat ons hier bezig houdt, maar om de geestelijke toestand der gemeenten, om de gehoorzaamheid aan het ene Evangelie, waaraan zij allen gèmeten worden. Het mag ons tenslotte niet ontgaan dat de verschillende namen, waaronder Christus zich aan deze gemeenten openbaart, teruggaan op de éne verschijning aan Johannes, die ons in hoofdstuk 1 beschreven wordt en die hij in één boek aan alle zeven gemeenten moet meedelen, hetzelfde boek, waarin ook de zeven brieven moeten worden opgenomen, zodat elke brief ook door de anderen gelezen moet worden, vgl. Wie oren heeft die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Dit beroep op de Schrift is dus niet doeltreffend. Intussen ontken ik niet, dat we bij de opsommingen van de charisma's en diensten in het Nieuwe "Testament in de verschillende brieven onderlinge verschillen aantreffen, naast overeenkomst.
Van strakke systematisering is geen sprake. Wel moeten we bedenken dat in het begin alle nog in groei en beweging is, zodat er in de latere brieven, die zich opzettelijk met dit vraagstuk bezig houden, een zekere stabilisatie optreedt. We kunnen dr G. Sevenster bijvallen als hij na een zorgvuldig overwogen overzicht over de verschillende Nieuwtestamentische boeken te hebben gegeven schrijft: "Overzien we nu het voorafgaande, dan komen we tot de slotsom, dat er inzake kerk en ambt, wat het wezenlijke betreft, overal dezelfde structuur kan worden aangewezen." Hij spreekt in dit verband ook van een reeds in de Nieuwtestamentische tijd bestaande 'traditie', die voor allen richting gevend is en met zorg moet worden bewaard en doorgegeven".

Hij bedoelt dat dit reeds gold in en voor de eerste tijd van de jonge kerk! 1) Hier sluit zich geheel bij aan dat we in het Nieuwe Testament niet de opwekking aan de afzonderlijke gemeenten vinden om een eigen, speciaal karakter te bewaren, maar juist het tegenovergestelde: geen afzonderlijke weg te gaan, maar rekening te houden met elkaar. Daarmee stemt overeen dat Paulus regelingen voorschrijft die gelding hebben voor àlle gemeenten. De gemeente van Rome moet op dezelfde wijze de inzameling voor de behoeftigen in Jeruzalem regelen als hij het voorgeschreven heeft voor de gemeenten in Galatië. Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen, 1 Cor. 14: 34. Hier wordt een algemene gedragslijn voorgeschreven, hoe die dan ook nader moet worden verstaan! De gemeente van Corinthe mag niet individualistisch haar gang gaan: Is soms het Woord van God bij u begonnen, vraagt de apostel haar, of heeft het alleen u bereikt? 1 Cor.14 : 36. De 'kerkordelijke' voorschriften in de brieven aan Timotheüs en Titus moeten door hen opgevolgd worden in de verschillende gemeenten, die zij dienen.
Dit alles is niet zo verwonderlijk, want elke plaatselijke gemeente is, hoezeer zij ook ten volle als kerk beschouwd kan worden en mag gelden toch een plaatselijke verschijning en openbaring van de kerk, van het ene lichaam van Christus.

Het is een goede erfenis van de vrijmaking de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk in juridische zin te beklemtonen en te handhaven, maar dit moet nooit leiden tot een individualistische opvatting van die plaatselijke kerk als een atoom, als een van het totaal van de kerk geisoleerde deel. De geadresseerden van de brief van Petrus zijn de verstrooiden in verschillende landen, maar zij worden opgeroepen zich te laten gebruiken als levende stenen voor de bouw van één geestelijk huis. Hier wordt de eenheid der kerk toch wel in het oog gevat. Wij moeten die niet uit het oog verliezen.

Een plaatselijke kerk is de kerk van Christus, zoals zij op een bepaalde plaats bestaat, geen atoom en dat heeft zijn consequenties. Ik vind in het Nieuwe Testament de nadruk niet gelegd op de gevarieerdheid, wel op de gelijkgerichtheid, wat iets anders is dan dode gelijkschakeling.

1) In de bundel Protestantse verkenningen na Vaticanum 11, art.: Vroeg Katholicisme en Nieuwe Testament, pag. 36.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief