Licht voor het hart
1980-10-17
Het is wonderlijk gesteld met de dichtkunst. Er komt, zolang er mensen zijn op aarde, nooit een eind aan.- Jaargang 24
- nummer 39
Altijd zullen bepaalde mensen zich op een wijze uiten die anderen treft.
Zo'n uiting kan vrij eenvoudig zijn, ze kan ook uitermate diepzinnig zijn.
Er is een oneindige variatie.
Deze keer wil ik Uw aandacht richten op de gedichtenbundel van Martha Marijs-Visser met de titel LICHT VOOR HET HART.
Het is haar eersteling, hoewel ze de zeventig al is gepasseerd.
De schrijfster is overigens niet bepaald een onbekende, zeker niet onder christenvrouwen.
Zij heeft n.l. vaak lezingen gehouden voor de Ned. Chr. Vrouwenbond en was reisleidster bij de Ned. Chr. Reis Vereniging.
Al voor de oorlog schreef zij meerdere kinderboeken, terwijl er tussen 1959 en 1978 nog een tiental boeken van haar hand verscheen.
En nu dan deze dichtbundel. Laat ik eerst een gedicht doorgeven.
Vast als een rots
God is mijn rots, ik zal op Hem betrouwen.
2 Sam. 22 : 3a
Als scheepjes op zilveren stromen,
die gaan en die komen,
in 't ver verschiet,
zo zijn mijn gedachten
mijn hopen, verwachten,
vreugd en verdriet.
Als bloempjes, die vreugdevol groeien,
ontluiken en bloeien
maar ras vergaan,
zo is er mijn leven.
mijn werken en streven,
mijn aards bestaan.
Maar vast als een rots, door geen golven
bedreigd of bedolven,
in bange tijd,
staat Christus, ,mijn Broeder,
mijn God, mijn behoeder,
in eeuwigheid.
Een getuigenis dat op fijne wijze spreekt van de enige Rots in de branding van de menselijke onevenwichtigheid en zijn vergankelijk leven.
In het voorwoord van de bundel vertelt Rik Valkenburg, dat de dichteres zelf niet zo'n hoge dunk had van haar versen. Ze belde hem een keer op: "Ik heb wat rijmpjes, misschien kunt u er iets mee doen?"
"Stuurt u ze maar, dan bekijk ik het graag" ... was zijn antwoord? Nu de "rijmpjes" hebben hem zo verrast dat hij het jammer vond als niet meerdere mensen deze verzen zouden lezen. Hij suggereerde de uitgever, er een bundeltje van te maken en won diens goedkeuring. "Ik hoop," zo eindigt hij zijn TEN GELEIDE "dat het licht uit de bundel vele harten mag bereiken, verwarmend en bevrijdend."
Nu, dat laatste hoop ik ook. Daarom geef ik nog enkele gedichten door.
Opdracht
Daar was een lief, lief kindje,
heel teer en fijn,
met knipperende oogjes
en knuistjes klein.
Twee dank'bre zielen baden:
"Getrouwe Heer,
wij leggen 't kind, Uw erfdeel,
voor U terneer.
't Lag in een mooi, mooi wiegje
van zijde en kant,
door 't moedertje vervaardigd,
met eigen hand.
o Gij, die kind'ren zegent,
leg Uwe hand
op 't klein en teder wichtje,
't geleende pand."
Twee blijde mensen zagen
hun jongske aan
en in vier ogen blonk er
een vreugde traan.
En dank, gebed, aanbidding,
't smolt al ineen,
en 't was, of eng'len zweefden
om 't wiegje heen.
Hier is de dank en het gebed aan de morgen van een leven. Maar het leven kent ook de avond.
Avond
Over de wijde velden
daalt langzaam de nacht;
felle, scherpe kleuren
worden nu teer en zacht.
Donkerheid valt op de aarde,
als een dicht gordijn;
vormen vervagen
en de wereld wordt zo heel, heel klein.
Maar boven der aarde duister
lichtende hemelen zo ondoorgrondelijk wijd.
En mijn gedachten verliezen
zich in veler werelden oneindigheid.
Over ons aller leven
daalt eenmaal de nacht;
grote, sterke harten
worden dan teer en zacht.
Doodschaduw valt op aarde
tot een dicht gordijn.
Krachten verzinken
en de wereld wordt zo heel, heel klein.
Maar boven der aarde duister
lichtende hemelen, Gods blijde heerlijkheid,
wachtend Zijn kind, dat zachtkens
nu gaat ontslapen aan dezer wereld strijd.
Heerlijk als de levensavond niet alleen donker is, maar het hemelse licht doorbreekt en de duisternis verdrijft.
Tot zover. De bundel is een uitgave van Kok, Kampen.