Gekend te worden (slot)

1980-10-24
  • Jaargang 24
  • nummer 40
Nu ken ik nog ten dele maar dan zal ik kennen gelijk ik gekend ben (1 Kor. 13: 12)

Gekend te worden is wel het eerste in het leven van een gelovige, maar toch niet het enige. Aan Gods kennen van ons mag gaan beantwoorden ons kennen van Hem. Want wezenlijk voor het kennen in bijbelse zin is de wederkerigheid.
Het is deze wederkerigheid, die zo duidelijk spreekt uit het bovenstaande woord van de apostel Paulus: "Kènnen zal ik gelijk ik bèn gekend".
Wij treffen deze zinsnede aan in 'het dertiende hoofdstuk van de eerste brief aan de Korinthiërs: het lied van Paulus op de liefde. Daarin bezingt hij de liefde als "een weg, die nog veel verder omhoog voert" (1 Kor. 12 : 31); veel verder nog dan de hoogste gaven van de Geest. Impliciet levert de apostel in dit loflied op de liefde kritiek op de Korinthiërs, die de geestesgaven beschouwden als het summum van christelijk leven. De gaven van de Geest hanteerde men als even zovele bewijzen van 'geestelijk' kunnen. Tegenover deze wel zeer èngeestelijke houding plaatst Paulus nu zijn lofzang op de liefde. De liefde blijft; de gaven van de Geest, hoe kostbaar ze ook zijn, zullen eens afgedaan hebben.
Geen toeval is het, dat wij aan het slot van dit lied tegenkomen de woorden: "Nu ken ik nog ten dele, maar dan zal ik kennen gelijk ik gekend ben". Want deze uitspraak heeft direct betrekking op de liefde, waarvan Paulus zingt. Kennen in bijbelse zin raakt aan liefhebben. En wat de apostel hier zegt over het kennen, bedoelt dan ook niets anders te zijn dan een omschrijving van de liefde, zoals die gekenmerkt wordt door wederkerigheid.
Paulus gaat uit van het feit dat hij gekend wordt. "Ik bèn gekend". Dat is de realiteit, waarin hij mag staan. God heeft hem dáárin gekend, dat hij door Hem is uitverkoren om slaaf van Christus te zijn. Paulus weet zich volkómen gekend. Van de schoot van zijn moeder aan is hij afgezonderd voor de verkondiging van Christus onder de heidenen (vgl. Gal. 1 : 15, 16). Maar aan dit volkomen gekend zijn beantwoordt nog niet een volkomen kennen van Paulus' kant. "Ik ken nu nog ten dele". In deze uitspraak mogen wij beluisteren een stuk kritiek op de gangbare mening in Korinthe.
In deze gemeente had men de neiging om het kennen te verheerlijken, alsof in het kennen de volmaaktheid binnen het bereik van de gelovigen komt. Paulus laat er daarentegen geen twijfel over bestaan: er zijn grenzen aan mijn kennen van de Here. Het is een kennen ten dele. En in dit leven kom ik daar nooit boven uit.

"Maar dan zal ik kennen gelijk ik gekend ben". Dàt zegt de apostel van de toekomst.
Eerst in de opstanding zal zijn kennen van God even volkomen zijn als het gekend worden door God nu al is. Zijn kennen van de Here zal dan opgetrokken worden tot het niveau waarop de Here hem altijd al gekend heeft. Dat is het wonder waarvan Paulus hier spreekt. De liefde tussen God en zijn kinderen, tussen Christus en de bruid, zal eens een volkomen wederkerige liefde zijn. Wij zullen Hem kennen gelijk wij door Hem gekend zijn.
Daarbij mogen wij de orde in het kennen nooit vergeten.
De liefde tussen God en mens is niet in óórsprong wederkerig.
"Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen ... "
(Joh. 15: 16). De Here kende ons volkomen, toen wij nog van niets wisten. En zelfs nu wij Hem hebben leren kennen, is dat nog maar een kennen ten dele. Een kennen, dat maar zeer gebrekkig beantwoordt aan ons volkomen door God gekend zijn. Er zijn grenzen aan ons kennen. Alle mystiek, die in dit leven al wil komen tot een rechtstreeks aanschouwen van God, grijpt op de toekomst vooruit. En wekt daarbij de indruk dat de mens zich op kan werken tot de volmaakte liefde.
En scheppingsdaad is nodig, wil onze gebrekkige liefde kunnen beantwoorden aan Gods liefde. Die liefde zit er bij ons niet in, die kunnen wij niet opbrengen. God moet onze liefde tot de zijne optrekken. De wederkerigheid, die Hij beloofd, is enkel bestaanbaar als geschonken wederkerigheid.
Genade is het, onvoorstelbare genade.
Zo zal eens voor heel Gods volk werkelijkheid worden, wat wij in de Schrift alleen van Mozes lezen: "En de HERE sprak tot Mozes, zoals iemand gewend is te spreken met zijn vriend" (Ex. 33 : 11).


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief