HET RAAM
1980-10-24
"Dienen op je eigen plaats"- Jaargang 24
- nummer 40
Over één ding had ik nog niet nagedacht: Als in een kerkraam nou eens geen glas zat? Als een kerkgebouw nou eens helemaal open was?
Stel dat je op een goeie zondagmorgen naar de plaats zou gaan waar je altijd met andere gelovigen samenkomt, en alle ramen waren ingegooid. Wat zouden we dan doen? Zouden de oudsten de dienst dan afgelasten? Of zouden ze zeggen: mooi, nu kan buiten iedereen horen waarover gepreekt wordt en iedereen kan onze liederen horen.
Het zou wel gek zijn, misschien ook wel wat onbehagelijk. Want ook al is het glas in de ramen maar heel dun, toch voelen we ons daar veilig achter. En dat geldt natuurlijk ook van de muren.
Als we nou eens helemaal geen kerkgebouwen zouden hebben??
Weer een vraag voor het raam.
En zo kwam het dat ik voor de derde maal tegen het glas van mijn raam tikte.
Op mijn vraag: als je nu eens niet meer op je plaats zou zijn, wat dan?, kreeg ik een heel merkwaardig antwoord.
"Ik zit hier, omdat jullie dat willen.
Ik zit hier vanwege de structuur en als men mij hier verwijderen zou, functioneer ik niet meer als raam.
Het zou zelfs gevaarlijk zijn mij uit de sponning, uit het geheel, te verwijderen, want aan los glas kan men zich lelijk snijden. Dat geldt overigens ook voor de stenen in de muur. Een stapel losse stenen geeft aanleiding om er mee te gooien.
Maar uiteindelijk hebben de kerkbouwers bepaald dat ik als glas hier zit en dat de stenen hun plaats in de muren hebben. In die samenhang functioneren we".
"Ja, dat is heel duidelijk" , antwoordde ik het raam.
"En", begon het raam opnieuw, "bij jullie mensen is dat toch ook zo. Je moet functioneren op de plaats waar je gesteld bent. En deze kapel is, nou ja, maar voor een paar uren per week je plaats".
"Ja", zei ik weer, "je hebt gelijk".
Veel meer kon ik op dat moment niet zeggen. Ik moest hierover eerst mijn gedachten eens laten gaan.
Het raam merkte dit op en vervolgde: "Wat zou ik zijn als een stuk glas alleen. Glas is glas als het als zodanig gebruikt wordt. En een mens is mens als hij in een gemeenschap met anderen opgaat. Daarin ligt de kracht van het mens-zijn. Ik kan in dit geval jouw vraag het beste met een wedervraag beantwoorden; als jij als mens niet op je plaats zou zijn, wat dan?"
Voor het moment vond ik dit genoeg en nam afscheid van het raam.
Op weg naar huis bleef ik met die vraag bezig: "Als ik als mens niet op mijn plaats zou zijn, wat dan?"
Misschien moest ik het nog duidelijker stellen: "Als ik als mens Gods niet op mijn plaats zou zijn?" Hoe functioneer ik als christen?
Want waar zou ik de moed vandaan halen om mij van andere christenen niets aan te trekken? En niet alleen dat, maar mag ik mij het überhaupt veroorloven mij van anderen, ook van niet-verlosten niets aan te trekken?
Is de diepste zin van het geloven niet de gemeenschap? Gemeenschap met God en met mijn naaste is toch wat God oorspronkelijk bedoeld heeft?
Thuisgekomen las ik nog eens het Paradijsverhaal.
"En God zei: het is niet goed dat een mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past."
Hier zit het dienen in oorsprong al in. En Jezus is daar toch ook voor gekomen: niet om gediend te worden, maar om te dienen. Daarom moeten we naar Jezus gaan om van Hem te leren wat dienen is. De voetwassing bijvoorbeeld. En Zijn uitspraak: "Een is uw Meester en gij zijt allen broeders", is een regel die het begrip gemeenschap zo prachtig verduidelijkt. Wie echter liever eigen meester is, komt terecht op een onbewoond eiland.