Het Liedboek

1980-10-24
  • Jaargang 24
  • nummer 40
LIED 52 De tekst van dit Lied geeft aanleiding tot allerlei misverstand, mede door een sterk exemplarische toepassing van de geschiedenis van de opwekking van Jaïrus dochtertje (strofe 2 en 3). Dit laatste is trouwens de bedoeling van de dichter, getuige wat hij zegt: "in het refrein zit het eigenlijke thema, de algemeen-geldige conclusie uit het eenmalige maar exemplarisch gebeuren: de "slaap" lijkt "tot de dood", maar is een "wachten" op het woord dat doet opstaan tot het leven". (Comp. p.
237). Vooral strofe 3 wordt daardoor onverstaanbaar.
De melodie is gemakkelijk te leren.
Tekst: .2 (strofe 3 : 1); melodie: 3.

LIED 53 Dit Lied is een "berijming van de tweespraak tussen de leerlingen van Johannes de Doper en Jezus naar Matth. 11 : 2-6.
In strofe 1, tweede helft, zit al enige interpreterende uitbreiding en de strofen 3 en 4 gaan op deze weg verder." (Comp. p. 237).
Deze interpretatie gaat evenwel sterk in horizontalistische richting. Vooral in strofe 5 komt dit tot uiting, terwijl voorts de aanduiding "zwakke zonder macht" wel enkele vraagtekens doet plaatsen.
De melodie, hoewel onbekend, is stellig een plaats in ~e gemeentezang waard.
Tekst: 1; melodie: 3.


LIED 54 In dit Lied worden verschillende elementen van de gelijkenis van de zaaier aangehaald en gebruikt in een strekking en betekenis die zich wel erg ver heeft verwijderd van hetgeen de Here Jezus zelf daarover zegt in Matth. 8. Daarbij blijven bepaalde uitdrukkingen onduidelijk en hier en daar wat gewild van aard. Zo b.v. strofe 2: "maar niemand weet van te voren de weg van het zaad in de schoot" en in strofe 3: "het sterft aan de doornen beneden, de vogels van bovenaf".
De dichter mag dan wel zeggen: "Dwàas is het, zich niet door de Bijbeltekst zelf te laten gezeggen en verbanden te miskennen die het gewone leven op aarde veelzeggend maken", (Com. p. 239), de eigenlijke zin van dit Schriftgedeelte is o.i. wel min of meer zoek geraakt.
De melodie is onbekend en voor de gemeentezang niet bepaald aanvaardbaar.
Tekst: 2; melodie: 2.

LIED 55 Ook dit Lied lijdt aan hetzelfde euvel als het voorgaande. In het aangegeven Schriftgedeelte (Marc. 4 : 30-32) gaat het over het Koninkrijk Gods. Maar de dichter gaat hier ten onrechte de gelijkenis van het mosterdzaad gebruiken als beeld van het geloof (strofe 2). De zin van strofe 3 heeft in dit verband nauwelijks enige waarde, terwijl de afsluiting van dit Lied: ,,0 edel kruid der eeuwigheid, 0 mosterdzaad" toch moeilijk een passend slot voor een Kerklied kan worden genoemd.
De melodie is weinig zinvol.
Tekst: 1; melodie: 1.

LIED 56 Of dit Lied nog iets meer gemeen heeft met de gebeurtenis, zoals die beschreven is in Marc. 6 : 45-52, dan enkele losse beelden en klanken, wagen we sterk te betwijfelen. Het is bepaald geen "klankbeeld" van dit Schriftgedeelte. Daarvoor is het aantal afwijkingen in diverse vraagstellingen en geponeerde zekerheden te groot. De dichter is van mening dat "de zingende gemeente zich kan identificeren met de leerlingen", maar o.i. doet dit geen recht aan de betekenis van dit gebeuren.
Daarbij vallen dan nog enkele onverstaanbare uitdrukkingen op, zoals bv. in strofe 4: "Werd gij een verre glimp? Heer, zijt gij onze Heer, kom van de kim" en in strofe 5: "Kom, dat het water knielt, bij ons aan boord!"
De onbekende melodie is vrij gemakkelijk te leren.
Tekst: 1; melodie: 3.

LIED 57 De tekst van dit Lied blijft als kerklied bij het aangegeven Schriftgedeelte (Joh. 6: 1-15) onder de maat. De onsamenhangende "versjes" gemaakt omdat de mensen op een bepaalde dag deze gebeurtenis wilden bezingen, leveren geen goed totaalbeeld, terwijl het vele malen herhaalde getal zeven volkomen willekeurig wordt ingevoerd en toegepast. Daarentegen zou een verantwoorde bijbelse inhoud zijn verkregen indien wat verder volgt in ditzelfde hoofdstuk over "het brood des levens" er in was verwerkt.
De melodie is geen aanwinst voor de kerkzang.
Tekst: 1; melodie: 2.

A. t.a.v. de tekst der liederen: het cijfer 1 bij niet voluit Schriftuurlijke tekst, b.v, vanwege het humanistisch karakter of door een sterk piëtistische inslag; het cijfer 2 bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst; het cijfer 3 als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.

B. t.a.v. de melodie der liederen: het cijfer 1 voor een niet-aanvaardbare melodie; bet cijfer 2 voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste" behoort; het cijfer 3 voor "een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief