De God die spreekt
2012-01-21
Gelukkig is wie dit voorleest, en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat hier gezegd wordt’ (Openbaring 1:3) Voorlezen van het boek Openbaring en er naar luisteren in het midden van de gemeente wordt gezegend.- Jaargang 56
- nummer 2
Natuurlijk moet het luisteren tot gehoorzaamheid leiden; anders gaat de zegen niet door.
Weinig mensen in de kerk van toen konden lezen, en waren op voorlezen door hun voorgangers aangewezen. Zij konden niet lezen wat Johannes geschreven had. Zij wilden horen wat hij te zeggen had. In de samenkomsten van toen was het voorlezen dus geen onderdeel van de liturgie, maar noodzaak.
Wij zijn van hoorders lezers geworden.
De tekst van Openbaring 1:3 vatten wij op als ‘Gezegend is wie dit leest en gezegend wie ziet waar deze profetie op slaat, en zich houdt aan wat hier geschreven staat’. Wij kunnen wél lezen, en vinden voorlezen van de Bijbel, behalve als liturgisch moment, iets voor kinderen.
Het verschil tussen deze twee werelden kan niet groter. Het heeft invloed op onze omgang met de Bijbel.
Geschreven woord
Soms horen we over iemand die niet lezen kan. Hoe moeilijk is het om in onze moderne samenleving te overleven zonder te kunnen lezen. Het is een handicap die je zo goed als mogelijk probeert te verbergen. Kunnen lezen is voorwaarde om mee te kunnen komen in de maatschappij. We leven in een informatiecultuur, en die draait op geschreven woorden. Of we nu via de sociale media of via boeken en kranten onze informatie krijgen – wie niet lezen kan, blijft achter. Lezen is zo vanzelfsprekend dat we ons eigenlijk niet goed kunnen voorstellen dat de Bijbel ontstaan is in een totaal andere wereld.
De Bijbel is voor ons een boek, honderden bladzijden dik, in één band gedrukt, dat we lezen als andere boeken.
Je leest hem als gelovige of ongelovige; de Bijbel verandert er niet door. Wat geschreven is, staat geschreven.
Gesproken woord
In de wereld van de Bijbel kon de gewone man vrijwel niet lezen. Voor informatie had hij oren nodig om te horen wat gezegd werd. Ook de woorden van God kreeg men niet te lezen, maar te horen. Deze woorden werden aanvankelijk vaak niet eens opgeschreven, maar onthouden en mondeling overgeleverd. Mensen die daar speciaal voor geleerd hadden, zoals de Levieten, memoriseerden Gods woorden en gaven die betrouwbaar door van de ene op de andere generatie. Soms werd er het een en ander opgeschreven, wat hielp bij het uit het hoofd leren van de tradities, en het doorgeven ervan.
Op den duur, rond de ballingschap, groeide er langzamerhand een geschreven versie van ons Oude Testament.
Daarnaast bleef de mondelinge versie gewoon in gebruik. De gewone man bleef afhankelijk van wat hij hoorde: van wat uit het hoofd gereciteerd of van wat voorgelezen werd. Geloof was letterlijk uit het horen van het woord.
En dat bleef natuurlijk zo in de wereld van het Nieuwe Testament, en lang daarna. Vanzelf dat men niet vroeg: wat staat er precies? De vraag was: wat zegt Hij tegen ons? Want men geloofde dat de woorden, gesproken en geschreven, op God teruggingen. Een mooi voorbeeld vinden we in Nehemia 8.
Ezra leest uit de Thora voor in een publieke bijeenkomst van het volk. Men was diep onder de indruk van wat men hoorde voorlezen. Men boog zich neer in ontzag voor God die zo tot hen gesproken had.
Moderne verschraling
Wij moderne mensen zijn het gevoel voor het gesproken karakter van de Bijbel helemaal kwijt geraakt. Wij behandelen de Bijbel als een gedrukt boek, een lees- en leerboek. We citeren eruit met nauwkeurige verwijzing naar hoofdstuk en vers, soms met het paginanummer erbij. We analyseren de ontwikkeling van de teksten met literaire methoden. We onderzoeken de geschiedenis die we in de Bijbel beschreven zien. Als gedrukt boek werd de Bijbel voorwerp van een gedetailleerde Schriftleer. Hij functioneert als een soort onfeilbare encyclopedie. Ik zeg niet dat we dit allemaal overboord moeten zetten. We kunnen ook niet meer terug naar vroegere tijden, alsof die alleen maar beter waren. Toch moeten wij iets terug zien te krijgen van die vroegere wereld. Calvijn, die op de grens van deze twee werelden leefde, zei het zo: Het hoogste bewijs van de waarheid der Schrift wordt ontleend aan de Persoon van God, die in haar spreekt (Institutie I, 7,4). Wij geloven niet in een schrijvende, maar in een sprekende God, ook al hebben we alleen via de geschreven woorden toegang tot zijn spreken. Hier zit trouwens een kenmerkend verschil met de Islam.
Allah heeft de Koran met eigen hand geschreven. Zij is dan ook goddelijk.
Dat is de Bijbel niet; hij geeft toegang tot God die zo tot ons spreekt.
Bijbelse verrijking
In de wereld van de Bijbel ging men anders met de woorden van God, zijn Woord, om. Niet ‘wat staat er?’, maar ‘wat zegt Hij?’ was wat men wilde weten. Niet de geschreven woorden, maar het gesproken woord stond centraal.
Men hoorde God als het ware zelf spreken, als men luisterde naar de recitatie of de voorlezing van de woorden van het Woord (Johannes 1:1). De omgang met God door de Schrift was veel directer en persoonlijker. Bedenken we ook dat men de woorden van God samen tot zich nam; ze werden voorgelezen in tempel, synagoge of gemeente.
Het was een gemeenschapsgebeuren, waarbij men elkaar hielp om te verstaan wat er gezegd werd, ieder naar de gave die men gekregen had (Romeinen 12:4-8; 1 Korintiërs 12:28-29). Wij worden met dat dikke, dichtgedrukte boek dat Bijbel heet te snel op onszelf teruggeworpen.
Lees je Bijbel, bid elke dag, als je groeien wil in geloof. Het is niet fout, maar wel eenzijdig, individualistisch.
Als voorleesboek is de Bijbel een gemeenschapsboek. Voorlezen gaat aan het zelf Bijbellezen vooraf!
Kerkgeschiedenis
Als we nagaan hoe in de kerkgeschiedenis de Bijbel gelezen werd, valt dat gemeenschappelijke juist op. Openbaring werd in de kerk hardop voorgelezen.
Samen luisterde men er naar en praatte men over wat men gehoord had. Tot in de 19e eeuw was dat toch het vaste patroon: samen luisteren naar het Woord, zoals dat op verschillende manieren ter sprake kwam in prediking, catechese en pastoraat. Zelfs als men lezen kon en een Bijbel bezat, was individueel, voor zichzelf lezen niet het belangrijkste. De omgang met de Bijbel was gestempeld door de hoorcultuur, waarin gemeenschapszin nog sterk aanwezig was. In de Bijbel ging het om de God die tot ons spreekt, naar wie geluisterd werd. Bijbelvoorlezingen maakten opgang, waarin de voorganger de Bijbel voorlas en uitlegde.
Vanaf de 19e eeuw kwam, met de verbetering van het onderwijs op alle niveaus van de samenleving, de leescultuur steeds sterker op. Boeken werden een normaal verschijnsel.
Lezen doet men in stilte en voor zichzelf.
De woorden gaan een eigen leven leiden; het Woord wordt er niet meer in vernomen. De Bijbel als boek en als woord van God raken van elkaar los.
Gezegend wie voorleest
Zolang we de Bijbel als dat dikke boek met zijn dunne bladzijden ervaren, heeft het weinig zin op Bijbellezen aan te dringen. Ook in de beste vertaling is hij een moeilijk boek. Zelfs de trouwste Bijbellezer slaat hele stukken over. Wie leest er nou de geslachtsregisters in 1 Kronieken? We moeten daarom af van de boekachtige sfeer rond de Bijbel. Het besef moet weer doorbreken dat God erin tot ons als gelovigen spreekt. Iemand heeft de Bijbel eens met een brief vergeleken, geadresseerd aan iedere gelovige.
Beter: gericht aan elke gemeente waar we deel van uitmaken. Daar wordt het Woord voorgelezen en gehoord. De voorlezing is dan niet een opstapje naar het eigenlijke, de preek. De voorlezing staat liturgisch centraal; door de preek worden de voorgelezen woorden als Woord van God voor de gemeente hoorbaar gemaakt. Dan mogen we opgeroepen worden om te horen wat de Geest tot de gemeente zegt.
Gezegend wie luistert
Luisteren in een leescultuur valt niet mee, zeker niet nu de beeldcultuur al sterker oprukt. Zelf luisterend lezen van de Bijbel om God tot ons te horen spreken, vraagt om de geestelijke discipline waar vorige keer James Kennedy en Jos Douma over schreven.
Deze discipline wordt aangeleerd in de kerk. Daar leren we om samen in de Bijbel te luisteren naar wat God, die tot ons spreekt, te zeggen heeft.
Goed, we hebben de beamer erbij nodig om onze concentratie op te schroeven. Zwak als ons geheugen geworden is, kunnen we de preek ook nog nalezen op de website van de kerk, als we weer meer vergeten zijn dan ons lief is. Dit nooit eindigende leerproces moet wel in goede liturgische banen geleid worden, waarbij de Bijbelvoorlezing extra accent ontvangt.
In de Anglicaanse traditie heeft men daar meer ervaring mee dan in die van ons. Verder leren we dit luisteren ook op de Bijbelkring, in de groeigroep of in de gebedskring, waar we samen het Woord in de woorden proberen te horen.
Kracht van Omhoog
De Bijbel is naar de rand van de samenleving verdrongen samen met het geloof in God. Voor de Bijbel als boek zie ik de toekomst in onze digitaliserende samenleving somber in. Hem een centrale plaats geven in ons leven, in ons gezinsleven, in ons publieke leven in onze luisterarme cultuur vraagt om meer dan geestelijke discipline.
Het vraagt om dagelijkse bekering door de kracht van Omhoog.
Maar dan mogen we ook zegen verwachten, een gezegend leven. Gezegend wie luistert en doet wat God zegt.
Dr. Bob Wielenga is emeritus-predikant van de Nederlands-Gereformeerde kerk van Kampen en werkte van 1979 tot 2002 als zendeling in Zuid-Afrika.