Over het samenleven der kerken (slotwoord)
1980-10-31
De artikelen van ds G. Janssen over het samenleven der kerken heb ik geboeid en met aandacht gelezen.- Jaargang 24
- nummer 41
Zij waren op mijn verzoek geschreven in reaktie op mijn artikelen, die de titel droegen "Pleidooi voor een federatief kerkverband".
Allereerst heeft mij de toon getroffen.
De Fransen hebben een spreekwoord dat luidt: het is de toon, die de muziek maakt. Als ik op dit spreekwoord alleen afga kan ik zeggen dat het antwoord van ds Janssen muziek heeft gemaakt, goede muziek, muziek die wij als kerken in ons samenleven bijzonder nodig hebben. Hij heeft mij persoonlijk aangesproken - ik denk aan het eerste artikel - en dat heb ik mij ook aangetrokken - daarna heeft hij mijn grondstelling aangevóchten in het tweede artikel (of wat hij dacht mijn grondfout te zijn) en daarna heef hij in artikel 3 en 4 mijn pleidooi voor een federatief kerkverband afgewezen als een vorm van kerkverband, dat "te weinig inhoud heeft, niet voldoet aan de behoeften van de gemeenten, en ook te weinig beantwoordt , aan de diepe en inhoudrijke geestelijke band, die ze verenigt.
2. Wil een verder gesprek zinvol zijn dan zouden wij de draad weer moeten opnemen bij het tweede artikel van ds Janssen waar hij de basis legt voor zijn visie op kerkrecht en kerkverband.
Zijn gedachtengang gaat daar als volgt: De reformatorische christenen hebben tegenover de dopersen e.a. altijd geleerd dat Christus Herschepper is van het geschapen en gevallen leven. Recht (en kunst en wetenschap enz.) behoort bij het leven zoals God het geschapen heeft.
Daarom mag het niet verfoeid worden - ook niet in de kerkmaar moet het kerkrecht juist geheel onder de herscheppende kracht van Christus tot zijn ware inhoud en bedoeling worden omgevormd.
Ds Janssen brengt dit tegen mij in stelling, want ik heb in mijn artikelen bij herhaling gesproken over het gevaar van een alleen maar juridische kontaktoefening tussen de gemeenten.
"Wij moeten wèg van het juridische - náár het geestelijke", heb ik geschreven.
Toch heeft ds Janssen geheel gelijk toen hij schreef dat hij vermoedde dat ik het in artikel twee wel met hem eens zou zijn. Ja, in de samenvatting die ik net van zijn tweede artikel gaf, ben ik het geheel met hem eens. Ik denk dat iedere samenlevingsvorm een juridisch aspect heeft. Het gezin, en de school en de staat, zij hebben allemaal een juridisch aspect. Dat geldt ook voor een samenlevingsverband van 92 plaatselijke kerken.
Het verschil van mening ligt niet op dit punt, het ligt op de uitwerking van die stelling. Het kernpunt is namelijk dit dat ieder samenlevingsverband een juridisch aspect heeft, dat geheel aansluit bij de aard en het karakter van dat samenlevingsverband.
Daarom is er een groot verschil tussen het recht op school (een meester geeft de leerling strafregels op bij het overtreden van een gebod) en het recht in een huwelijk - waar de man aan de vrouw geen strafregels kan opgeven - of omgekeerd - als hij of zij de rechtsregels van het huwelijk overtreedt.
Dat komt omdat de school een leer-gemeenschap is en het huwelijk een liefde-gemeenschap. Wie het recht van het ene, verband verwart met het recht van het andere verband, die begaat enorme fouten.
Nu is mijn vraag aan het adres van ds Janssen: Zouden de moeiten en spanningen in de offciële samenlevingsverbanden der kerken niet misschien daaruit voortkomen dat deze enorme fout bij het kerkrecht is begaan en nu ook nog dreigt te worden begaan dat men het recht van de kerken niet geheel naar het eigen karakter van de kerk heeft samengesteld, maar haar ontleend heeft aan het staatsrecht?, of de Oudtestamentische wetgeving. Volgens mij is ons kerkrecht nog steeds vol van oud zuurdesem dat afkomstig is uit de middeleeuwse kerk, die haar kerkrecht heeft ontleend aan deels de Oudtestamentische visies op priesterschap en ambt en deels het Romeinse staatsrecht. Dat werkt tot vandaag toe door op z.g. kerkelijke vergaderingen, waar een onzichtbare spanning hangt. Kom je samen als broeders en zusters van Christus' kerk - voor een lezing - of een preek - of een discussie, dan is de sfeer altijd bijzonder goed - er kan worden gezongen en gebeden - en ieder gaat verheugd naar huis.
Maar zodra er een officiële kerkelijke vergadering is moet je vechten tegen een onzichtbare spanning die over dit soort vergaderingen hangt: punt één: je moet je ineens legitimeren wat op geen enkele andere vergadering nodig is, punt twee: er kan worden gestemd - en dan is er geen ontwijken meer mogelijk en punt drie: in het oude kerkrecht was er de zwaardmacht: er konden sancties genomen worden, zoals ik zelf aan de lijve het ondervonden in 1970, Dat komt omdat hier een kerkrecht een rol speelt dat niet naar de eigen aard van de gemeente van Christus is - maar ontleend is aan staatsrecht, waar legitimatie, stemming en zwaardmacht wezenlijk zijn.
Want de staat regeert de onderdanen van boven.
Hoe moet het dan?
Nu daarvoor heb ik geprobeerd om drie grondregels uit de bijbel zelf samen te stellen die aan alle regelingen ten grondslag moeten liggen om de eigen aard van de gemeente van Christus te waarborgen.
Ons kontakt moet er een zijn - in de Geest, onder lofprijzing, vanuit de liefde, zonder sancties van bovenaf, geleid door het Woord, met alle respect voor de vrijheid van de plaatselijke kerk, in voortdurende diepe afhankelijkheid van Jezus -Christus zelf, in dienstbetoon aan elkaar en toewijding aan Zijn Rijk, Als dát alles in kerkelijke vergaderingen een eerste rol speelt dan komen alle afspraken en regelingen er vanzelf wel in orde. In een goed huwelijk bekommer je je ook niet over het huwelijksrecht. In die zin zou ik nu, bij herhaling, heel het proces van het vormen van een nieuw kerkelijk accoord willen relativeren, Intussen realiseer ik mij dat ik hiermee weer een heel nieuwe artikelenreeks over dit onderwerp kan uitlokken.
Dat was mijn bedoeling niet. Het ging er in dit laatste artikel om om de discussie over dit onderwerp voorlopig af te sluiten.
Veel van wat ds Janssen heeft gezegd heeft mijn instemming, Mijn hoofdprobleem bij zijn artikelen blijft die voor mijn besef haast mystieke grootheid van "het kerkrecht", Ik zou dat z.g. kerkrecht veel kritischer te lijf willen gaan en bij regelingen tussen de gemeenten niet verder willen gaan dan dat wat het N,T, zelf zegt.
3, Maar laat mij eindigen met te zeggen wat ik van deze artikelen van ds Janssen geleerd heb. Ik heb er uit geleerd dat vrijheid niet gelijkgesteld mag worden met vrijblijvendheid, Heb ik zelf aanleiding gegeven tot deze gedachte? Het is best mogelijk. Dat "was dan ongewild Want één ding wil ik met ds Janssen graag onderstrepen dat de vrijheid die iedere plaatselijke gemeente in Christus heeft ontaardt in een karrikatuur als het leidt tot een houding van vrijblijvendheid tegenover elkaar. Zo van: iedere gemeente zit op zijn eigen eiland, en neemt de houding aan tegenover zustergemeenten van: raak mij niet aan, want dan word ik kwaad.
Vroeger vormde een heel kerkverband een soort bolwerk - om niet te zeggen: ivoren toren, waarin wij ons terugtrokken en de contacten naar buiten afweerden, nu zou het gevaar kunnen dreigen dat dit soort bolwerk - isolatie-drang gaat doorwerken met betrekking tot de plaatselijke gemeente.
Dat zou een ramp zijn. Dat is ook niet wat ik heb bedoeld met mijn nadruk oP.de vrijheid die iedere gemeente in Christus heeft. Die vrijheid is geen vrijblijvendheid, en trekt zich niet terug in een soort gekwetste isolatie - maar stelt zich juist open op tegenover in de eerste plaats alle zusterkerken en maakt zichzelf daardoor wellicht kwetsbaar.
Zoals Christus Zich kwetsbaar maakte. Zelfs tegenover het Sanhedrin.
Tot slot heb ik nog één toevoeging: Er is vaak gezegd dat wij bij de vorming van een kerkelijk accoord moeten rekening houden met andere kerken. Hierbij werd altijd de Christelijk Gereformeerde Kerk genoemd.
Zij leven onder een kerkenordening - doen wij het ook, dan worden wij sneller één.
Uit de verslagen die ik heb gelezen van de synode van de Christ. Geref. Kerk in Trouw is mij gebleken dat wij deze filosofie wel kunnen vergeten.
Op hun synode is het kontakt met onze kerken afgemeten aan een statistisch onderzoek naar de situatiè in de plaatselijke gemeente.
Ik ga nu niet in op een beoordeling van die maatstaf, al spreek ik wel mijn bevreemding uit over het feit dat deze plaatselijke contacten zo laag werden gewaardeerd. Als je maar 90 gemeenten telt, zoals wij doen, en er ván die 90 gemeenten ongeveer één op-de 5 in totale wederzijdse erkenning en aanvaarding leven met de Christ. Geref. Kerk lijkt mij dat niet zo gek. Als dan blijkt dat twee op de 5 nog met de Christ. Geref. Kerk in gesprek zijn lijk mij dat nóg meer belovend ...
Maar goed, ik treed nu niet in een beoordeling van die uitspraken van de Christ. Geref. synode - die niemand nog gelezen heeft - maar wel wijs ik er op dat bij deze uitspraken het al of niet hebben van een kerkelijk accoord geen rol speelde.
Intussen vind ik die overwegingom te rekenen met andere kerken en groepen bij ons samenleven als kerken - wel heel belangrijk.
Ik ben erg blij dat er op de komende landelijke vergadering wordt gesproken over een eventueel toetreden tot de G.O.S. - de Gereformeerde Oecumenische Synode.
Daar zou ik nog aan toe willen voegen: vergeet de Evangelische Alliantie niet! Alle kerkeraden hebben plaatselijk een verzoek gekregen om aan deze E.A. mee te doen. Ik hoop dat velen daar gehoor aan geven.
In deze E.A. zijn verschillende andere kerken vertegenwoordigd, zoals de Baptisten en Vrij-Evangelischen, die op grond van het N.T. menen dat een federatief kerkverband de beste vorm is die plaatselijke gemeenten met elkaar kunnen kiezen. Wie weet kunnen wij van hen nog wat leren.
Maar er schijnt ook toenadering te zijn tussen de G.O.S. en de E.A.
op meer bestuurlijk niveau. Ook dat is veelbelovend voor de vorming van een nieuwe bijbelgetrouwe oecumene, die in onze tijd veel voor de zaak van Christus zou kunnen betekenen.