Van de rechtvaardigen (2)

1980-10-31
  • Jaargang 24
  • nummer 41
De heer Janse was onderwijzer, hoofd van de School met de Bijbel, een tweemansschool, te Biggekerke (op Walcheren, vlak bij Middelburg).
Toen het boek verscheen was hij 40 jaar.
Reeds vóór 1930 had hij als medewerker van het onderwijsblad "De School met den Bijbel" een aantal bijdragen gepubliceerd, die toen in het boek gebundeld werden. Je proeft bij het lezen telkens de man, die zijn collega's in de school en de leden van de schoolbesturen wil dienen. En daarin de leden van Gods gemeente, ouders, ambtsdragers, bij de hand neemt om met hen de Schriften te lezen.
De opzet van het boek is systematisch: 13 hoofdstukken, elk aanvangend met een korte inleiding, waarin het te bespreken thema is aangegeven.
Daarna volgen stukken, alle met een tekst als uitgangspunt, die onderwijs uit de Schrift bevatten.
Geen theologische verhandelingen, maar praktische uiteenzettingen, soms vertellingen gelijk. De uitwerking is, als gezegd, gericht op het gewone leven, dikwijls op het schoolleven. Telkens laat de schrijver zien hoe de HERE in dat gewone leven met Zijn kinderen omgaat, dat Hij acht op hun doen en laten en daarover oordeelt. Ook hoe er zijn, die Hem verlaten, soms op "vrome" manier, en hoe gevaarlijk dat is. Want met de HERE valt niet te spotten.
Misschien is dit voor ons geen nieuws, in elk geval niets bijzonders?
Kijk echter uit. Destijds is er ook wel eens zo gesproken, zonder dat de kern van het boek ontdekt werd. 't Woord van God is altijd verrassend en het gehoorzamen ervan kost strijd. Het ligt in het leven niet allemaal zo glad als wij dikwijls menen, althans graag wensen.
Als we thans, na vele kerkelijke moeiten, in "Van de rechtvaardigen" gaan lezen, treft het ons hoe de schrijver vijftig jaar geleden de situatie in de gemeenten onderkend heeft. Hoe wijst hij zwakke plekken aan, noemt duidelijk zonden, roept tot bekering en wijst de uitkomst aan: onze Heer Jezus Christus volgen en geen mensen-inzettingen vereren, hoe mooi die ook zijn. Had men toen maar naar dit onderricht en naar de vele waarschuwingen geluisterd!
Niet zonder reden zal de heer Janse het boek doen aanvangen met een hoofdstuk over de zonden der rechtvaardigen.
Rechtvaardigen, ze mochten eens hoog van zichzelf denken! Confronteer ze maar eerst met hun zonde(n). Die komt vooral daarin naar voren, dat velen nauwgezet in hun godsdienst zijn en hun broeders en zusters hard veroordelen, als ze menen, dat die verkeerd gaan. Nette, zedelijk hoogstaande mensen zijn dat, ze leven in de gemeente, maar zijn ze "rechtvaardigen"?
Nee, dat mogen alleen zij zijn, die de gerechtigheid van Christus hebben, de oprechten, de zachtmoedigen.
Hoewel zondaars, je mag ze niet op één hoop gooien met hen, die Christus niet nodig hebben, de goddelozen (die ook in de kerk zijn). Dat doet Barth bijvoorbeeld en velen volgen hem.
Die twee: rechtvaardigen en goddelozen, leven met elkaar. Koren en onkruid groeien samen op. Hen onderscheidt hun afkomst en toekomst, maar zeker ook de levenspraktijk.
Treffend is het stuk n.a.v. Ez. 16. Wij en onze kinderen "liggen midden in de dood", onze baby's reeds. "Onrein, geheel niet in een toestand om voor de HERE te verschijnen. Niet maar figuurlijk of dogmatisch of in de "kiem" - maar zeer concreet wezenlijk onrein krachtens de afkomst en gelijkenis van Adam". Met zulke onreinen van nature heeft de HERE Zijn verbond opgericht, Hij heeft het slavinnetje getrouwd (vers 8) en gaf het geschenken in overvloed. Hij koos het uit, ging daarmede anderen bewust voorbij. En als dan die getrouwde met een ander gaat en zo het verbond breekt, wat moet er dan van haar worden? Velen uit de kerk gaan er aan onder Gods toorn, omdat ze hun heil ergens anders zoeken, maar over anderen ontfermt de HERE Zich, vergeeft hun zonden en Hij roept hen: rechtvaardigen zijn ze. Zouden die niet ànders leven dan zij, die van "de wereld" (van de kerkelijke wereld) zijn? 't Is niet zo, dat de één "er aan doet" en de ander godsdienstig bezig is en alles zo ernstig meent. Het is Gods roepstem, die het schaap hoort en volgt of die de bok z'n eigen weg verder doet gaan.
Olie in de lampen of niet.

Als vanzelf komen we dan bij het volgende hoofdstuk "het geluk der rechtvaardigen". Want welgelukzalig is hij, wiens zonde bedekt is.
Dat is niet primair een geluksgevoel; waar we op gaan zitten wachten of het eens komt, maar het is een verklaring van Godswege. In de zaligsprekingen komt dat duidelijk uit. Men zegt dikwijls dat de Here Jezus daar algemene spreuken gaf, iets als een abstracte verklaring, die je verder uit moet werken. Maar 't is zo, dat Hij het volk vóór Zich zag, discipelen en vijanden en beide aansprak. Jullie, discipelen, gelukkige mensen ben je, ondanks armoe, veel om te treuren, al word je vervolgd. En jullie, farizeeën en wetgeleerden: wee u, ge hebt het hier goed (menen jullie) maar je kunt de toekomst duchten!
Het gaat hier niet over álle armen, álle verdrukten in de wereld, zoals toen (en nu) zo graag gezegd wordt, maar bijzonder over de rechtvaardigen, de reinen van hart. Constateren ze dat van zichzelf, als ze hun innerlijk leven (hun "geloofsleven") onderzocht hebben? Nee, toch.
Langs die weg kom je er nooit.
Wiens hart is zuiver? Altijd door zuiver? "De Schrift zegt het: Die geloven, die Zijn Woord gaarne aannemen, die leven onder de band van het verbond en wandelen in de paden des Heren, die tot Jezus kwamen als zijn discipelen; die arme en treurende en zachtmoedige en naar de gerechtigheid hongerende en barmhartige mensen, die door de wereld gehaat worden" dat is het volk Gods, de rechtvaardigen.
Velen tobben daarmee. Het is veel te gemakkelijk, het gaat toch zó maar niet? En de mens is - de eeuwen door - geneigd iets voor de HERE te willen betekenen. Het is niet enkel onder Israël, dat men Hem offers wilde aanbieden om Hem gunstig te stemmen.

En hiermee komen we bij hoofdstuk drie, waarin aandacht is gegeven aan "de gerechtigheid der rechtvaardigen" . Die ligt enkel in de Here Christus. Hij bracht een volkomen verzoening tot stand.
Daar behoeft niets meer van de mens bij. Wel vraagt de HERE gehoorzaamheid.
"Bekering is geen goedmaken, maar een wederkeren tot de Vader. En het benaarstigen in de heiligmaking is iets anders dan een streven om subjectief heilig te worden. (... ) Het bukken onder Zijn wet is geen omkomen onder \ . de wet (... ) zulke onzin zegt Karl Barth, maar Gods Woord heeft geen dialektiek en paradoxen nodig om de waarheid te zeggen." En verder "wil men ernst maken met de bekering (... ) ook voor de vromen, dan moet men de zonden noemen en niet in de lucht praten".
"Om God te rechtvaardigen als de God vol majesteit (... ) slaat moderne prediking er dapper op los tegen de eenvoudige schapen van Christus' gemeente en roept ze toe - dat ze "de Here moeten dienen?" - neen, dat ze "beven" moeten.
Om God te rechtvaardigen als de toornige tegen de zonde maken ouders hun vrome kinderen wijs, dat ze zich zullen bekeren - van dàt en dat kwaad? - neen, dat ze "bekeerd"
moeten worden en anders verloren gaan als er niets met hen gebeurt. Om God te rechtvaardigen als liefde, zegt men soms tot arme lijders, die God niet kennen: wat God doet, is altijd goed voor ons.
Maar onrecht spreken voor God is zeer gevaarlijk. Want Hij neemt daar geen genoegen mee. De geschiedenis van Job kan ons dat leren."

Gerechtigheid in jezelf zoeken, wat is dat aantrekkelijk. En wat gebeurt dat soms met veel enthousiasme.
De godsdienstige prestatie leeft nog altijd en heeft soms een grote plaats.
Maar "Jezus vraag geen zalig worden door de eigen gerechtigheid. (... ) Hij is de Zaligmaker, Hij alleen."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief