Gespreide verantwoordelijkheid of geen verantwoordelijkheid (1)
1980-01-04
Medio november jl, publiceerde Opbouw een drietal artikelen van de hand van de heer L. van Klinken, gewijd aan het in 1978 uitgegeven C.D.A.-rapport "Gespreide Verantwoordelijkheid". Het rapport, zijnde een bij: drage aan de discussie over de economische orde, wordt door de heer Van Klinken als volgt behandeld. In de eerste twee artikelen geeft hij een (eigen) samenvatting van de inhoud van het rapport. In het derde en laatste artikel geeft hij zijn kritiek op het rapport en formuleert hij een eigen standpunt over de onderhavige problematiek van de economisohe orde. Hoewel ik mij nauw verwant weet met de visie van het C.D.A. en die van de christelijke vakbeweging op sociaaleconomisch terrein voel ik mij niet geroepen hier een pleidooi voor het C.D.A.-rapport te houden.- Jaargang 24
- nummer 1
Ik ben van mening dat de belangstellende lezer deze C.D.A.-bijdrage, evenals andere van andere politieke partijen, zelf op zijn waarde kan beoordelen. Desondanks heb ik er behoefte aan op de artikelen van de heer Van Klinken te reageren en een aantal kanttekeningen te plaatsen m.b.t. het onderwerp als zodanig. De problematiek van de economische orde op zich is een nadere bezinning zeker waard. In mijn reactie op de bijdrage van de heer Van Klinken zal ik op een drietal punten ingaan. Ten eerste op de samenvatting van het C.D.A.-rapport, zoals die in de eerste twee artikelen door de heer Van Klinken wordt gegeven. Ten tweede op de kritiek van de heer Van Klinken op het C.D.A.-rapport. En ten derde op het eigen standpunt van de heer Van Klinken. Tenslotte wil ik mijn bijdrage besluiten met enkele meer algemene kanttekeningen bij de onderhavige problematiek.
De context van het C.D.A.-rapport
Zoals opgemerkt geeft de heer Van Klinken in de eerste twee artikelen een eigen samenvatting van het C.D.A.-rapport. Hoewel m.i. hier en daar de kritische doelstelling van de schrijver reeds enigszins doorschemert, lijkt het een poging het C.D.A.-rapport objectief en zakelijk weer te geven. Als dat inderdaad de bedoeling is, is het jammer dat de heer Van Klinken hiervoor geen gebruik maakt van de vrij uitvoerige samenvatting, die als bijlage bij het rapport gevoegd is. Op zichzelf heb ik er overigens geen enkel probleem mee dat de inhoud van het rapport in eigen bewoordingen wordt weergegeven. Zelfs mijn oordeel dat de bij het rapport gevoegde samenvatting het qua leesbaarheid wint van de samenvatting in Opbouw doet hier niets van af. Ik krijg echter wel problemen als ik de samenvatting van de heer Van Klinken toets aan het oorspronkelijke C.D.A.-rapport. Reeds een oppervlakkige toetsing levert de conclusie op dat de samenvatting in Opbouw zeker niet de volledige lading van het C.D.A.-rapport dekt. Ik doel hier niet op details. Ik doel hier met name op de context waarin het C.D.A.-rapport zo duidelijk is geplaatst en dus gelezen dunkt te worden. En deze context - die zo duidelijk in het rapport tot uitdrukking wordt gebracht en die essentieel is voor een juist oordeel over het C.D.A.-rapport, mis ik in het artikel van de heer Van Klinken.
Het C.D.A.-rapport "Gespreide Verantwoordelijkheid" bevat - zoals de ondertitel van het rapport vermeld - een bijdrage aan de discussie over de economische orde. In die zin tracht het rapport inderdaad een visie te geven op het vraagstuk van de economische orde. Maar dat is niet het enige doel van het rapport. Het vraagstuk is n.I. niet alleen probleemgericht.
Het is tevens - zelfs in de eerste plaats - een reactie op en een stellingname tegen - wat het rapport noemt - de gangbare trend in de discussie over de economische orde.
De gangbare opvatting, n.l. dat de overheid in toenemende mate verantwoordelijkheid op zich moet nemen voor de sociaaleconomische problemen van vandaag. Tegen die opvatting, van een toenemende overheidsinvloed op het maatschappelijk leven, neemt het C.D.A.-rapport stetling.
Mede tegenover die opvatting tracht het C.D.A. in haar rapport een eigen visie te ontwikkelen. Een eigen visie die qua inhoud gebaseerd is op de christen-democratische beginselen èn qua realiteitswaarde a.h.w. kan concurreren met de opvatting waartegen het rapport zich verzet.
Die context, waarin het C.D.A.-rapport is geplaatst, mis ik pijnlijk in het artikel van 'de heer Van Klinken. Pijnlijk, omdat ik van mening ben dat diecontext van belang lis voor een juiste beoordeling van het rapport en derhalve de lezer niet onthouden moet worden. Eén illustratie. De heer Van Klinken opent zijn artikel met een citaat uit het C.D.A.-rapport.
"Ons staat een andere inrichting van de samenleving voor ogen, schrijft het C.D.A. op blz. 18 van het in 1978 verschenen rapport Gespreide Verantwoordelijkheid. Wij willen dit rapport eens nader bezien." Zoekt het C.D.A. dus primair naar een andere inrichting van de samenleving dan de huidige? Is dat het doel van het rapport? Neen! Mag de context van de geciteerde zin dit verduidelijken. "W aar het hier evenwel om gaat in deze (de gangbare - H.S.) maatschappijvisie de overheid domineert als dé koersbepaler in onze samenleving. Bezorgdheid over de sociaaleconomische ontwikkeling doet in deze visie aller blik naar de overheid wenden: zij moet optreden om het onheil te keren. Ons staat een andere inrichting van de samenleving voor ogen. Daarin hebben onderneming en belangenorganisaties en ook een overheid een eigen verantwoordelijkheid die zij niet van elkaar kunnen overnemen. Wij zullen in deze studie dan ook op deze verantwoordelijkheid ingaan, zodat we ons de vraag kunnen stellen, of - indien wij bezorgd zijn over de verdere sociaaleconomische ontwikkeling - deze zorgen wellicht te wijten zijn aan het ontlopen van verantwoordelijkheden van ondernemingen, belangenorganisaties of een overheid" (blz. 18 van het C.D.A.-rapport "Gespreide Verantwoordelijklijkheid").
Een andere samenleving dus dan een samenleving waarin de overheid een steeds grotere verantwoordelijkheid toegedacht wordt. Een samenleving ingericht op basis van 'gespreide verantwoordelijkheid', gespreid over individuen, groepen van individuen èn de overheid.
Een dergelijke spreiding van verantwoordelijkheid is volgens het C.D.A.-rapport noch in een centraal geleide economie, noch in een vrije markteconomie te bereiken. Niet in de centraal geleide economie, omdat daarin de bedrijfsgenoten in de onderneming en de sociale partners op meso-
(bedrijfstak- en regionaal) en macro- (centraal) niveau niet in staat worden geacht een eigen verantwoordelijkheid m.b.t. de sociaaleconomische problemen te dragen. Maar ook niet in de vrije markteconomie die in het verleden bewezen heeft uit zichzelf niet in staat te zijn om mensonterende situaties tegen te gaan. Daarom kiest het C.D.A.-rapport voor een economische orde gebaseerd op een eigen verantwoordelijkheid van bedrijfsgenoten, sociale partners en de overheid op de niveaus. waarop zij zich bewegen.
Eerst wanneer een "lager" niveau voor problemen geplaatst wordt waarvan de consequenties niet meer geheel zijn te overzien, dient de besluitvorming naar een "hoger" niveau verlegd te worden. Daarnaast heeft de overheid op de verschillende niveaus tevens een specifieke verantwoordelijkheid m.b.t. bepaalde aspecten van de sociaaleconomische problematiek.
De ruimten voor het drageri van verantwoordelijkheid op de verschillende niveaus van besluitvorming dienen in principe van onderaf opgebouwd te worden.
Iedere geleding in de samenleving, vanaf de individuele werknemer en werkgever, via hun organisaties op meso- en macroniveau, tot en met de centrale overheid 'moeten op deze wijze optimaal betrokken worden bij de sociaaleconomische besluitvorming om daardoor in een zo groot mogelijke mate zelf verantwoordelijkheid te kunnen dragen voor de keuzen die voor de oplossingen van de sociaaleconomische problemen gemaakt moeten worden.
Tot zover de - zeer beknopt weergegeven - "rode draad" uit de inhoud van het C.D.A.-rapport door de heer Van Klinken. Ik ben van mening - en hoop dat in dit artikel te hebben aangetoond dat deze "rode draad" - de context waarin, de achtergrond waartegen het rapport is geschreven - door de heer Van Klinken in zijn samenvatting ten onrechte wordt verwaarloosd. Daardoor wordt het rapport m.i. een al te gemakkelijke prooi voor kritieken maakt de schrijver het zich m.i. te gemakkelijk om tot een andere, alternatieve visie te komen.
Op dit laatste, de kritiek van de heer Van Klinken en zijn visie op de economische orde hoop ik in een volgend artikel te reageren.
December 1979