Geef mij nog een jaar
1980-01-04
Iemand, die door een schok tot zichzelf was gekomen, bad: "Lord, give me a year". Geef me nog een jaar. Ineens is de omgeving van dit korte gebed duidelijk. Was het niet een tuinman, die aan zijn landheer vroeg: geef die onvruchtbare vijgenboom nog een jaar?- Jaargang 24
- nummer 1
In de evangelien komen we de boom dikwijls tegen en altijd is er de mens mee bedoeld. Johannes de Doper zei: bekeert u want de bijl ligt al aan de wortel van de boom. En: elke boom die geen goede vrucht voortbrengt wordt omgehakt en verbrand 1).
De gelijkenis van die onvruchtbare vijgenboom vinden we bij Lucas 2).
Daar had iemand een vijgenboom geplant in een dure wijngaard. Een beetje ongewoon. Want al is een vijg smakelijk en voedzaam, hij groeit letterlijk overal. Langs de weg, in ongebruikt land, zelfs zonder verzorging. En déze vijgenboom was bij uitzondering binnen een wijngaard gezet. Een Lieveheersbeestje.
Want we weten uit de Schrift wat een wijngaard inhield. Op een vruchtbare helling, op de zon gericht, moest de grond worden omgespit en van stenen gezuiverd 3). Dan werd de grond beplant met uitgezochte stekjes.
Die stekjes werden gesteund, opgebonden en geleid. Er werd een muur omheen gebouwd, er werd een doornheg omheen aangelegd. Een perskuip werd in een rots uitgehouwen (!) en een uitkijktoren gezet.
Daar stond dan die vijgenboom in een wijngaard. Een muis op een hoge hoed. In die gezegende omstandigheden mocht de vijgenboom wel iets heel bijzonders voor de eigenaar opleveren. Maar de vijg stelde jaar op jaar teleur. De twee of drie getuigenissen van zijn onvruchtbaarheid waren geleverd. En onvermijdelijk kwam het oordeel: brandhout! Hij beslaat zijn plaats nutteloos, voor hem kunnen drie wijngaardstekjes staan.
Maar dan was daar die tuinman, die een eigen mening voordroeg bij zijn baas. Hij erkende de juistheid van het oordeel, maar vroeg om uitstel in de hoop op afstel. Was hij zelf soms in gebreke geweest? Voelde zijn hart met zijn bomen mee, de waardevolle zowel als de waardeloze? Hij stelde voor: een speciale waterloop aanleggen, speciaal bemesten en enige speciale aandacht geven. Hijzelf nam die taak op zich. Na een jaar zou blijken, of er een vijgenboom stond, dan wel brandhout. Wat een Tuinman, niet?
Jesaja had al gezegd 4): de mensen zijn de planten, En als een minderwaardige vijgenboom ineen kostbare omgeving mag opgroeien (wanneer wij, die eertijds heidenen waren, in de voorhof des Heeren worden geplant 5)) mogen onze Tuinman en Eigenaar toch wel op iets heel bijzonders rekenen.
Er bestaat nog een andere wet voor bomen en mensen. De Heiland zei enkele malen: aan de vruchten zult ge ze herkennen 6). Of ook: aan de vrucht kent men de boom 7). Of ook: elke boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend 8). Of ook: geen goede boom brengt slechte vruchten voort en omgekeerd 9). Van een doornstruik pluk je geen vijg en van een braamstruik geen druif.
We hebben geen landbouwschool nodig om dit te begrijpen. Maar we hebben een leven nodig om dit te verstaan: "een goed mens brengt uit de goede schat van zijn hart het goede voort 10)". Het gaat niet meer over vijgen en druiven, het gaat om onze levensvruchten.
Het geciteerde vers is misschien wel vaak uit verlegenheid overgeslagen.
Want het spreekt over een goed mens - en kan dat wel? Niemand is goed, zei de Heiland. En "een goede schat in het hart" - wat is dat eigenlijk? Komen niet uit het hart allerlei nare dingen op? Kortom: past dit geciteerde vers eigenlijk wel in onze orthodoxe denkwereld van "onbekwaam tot enig goed" en zo? Ja, zo kan onze dogmatische wijsheid wel eens een verhindering zijn om het Woord te verstaan.
Maar geen nood, de Heiland zelf zei het ons. Hij weet meer van brandhout af dan wij. Hij was het, die sprak van goede vruchten voortbrengen.
En: de bomen aan hun vruchten herkennen, de mensen herkennen aan hun levenswandel. Het moet dus kunnen.
En nu terug naar de vijgenboom, die per geluk in een wijngaard stond. De Schrift zegt niet, of de eigenaar de tuinman een kans heeft gegeven. Of eigenlijk hoeft dat er niet bij. We kennen de Eigenaar van hemel en aarde als onze Vader, die in de hemelen is: die slaat alleen met mededogen. En we kennen de Tuinman, die voor onze vruchteloosheid opkomt. Aan Hem zal het niet liggen.
Het ligt dus aan óns, als we goede vruchten voortbrengen of niet; of we onze plaats onder de zon nuttig beslaan, dan wel tot brandhout opgroeien.
Alle domgatiek inzake eeuwige uitverkiezing en verwerping ten spijt - het ligt aan ons. We staan er niet om onze blauwe ogen - maar om een volk te zijn, dat zijn vruchten opbrengt 11).
Dat haaIt een kleine herinnering bij me op. Het was bij de begrafenis van onze geliefde professor dr K. Schilder, maart 1952. Een grote schare volgde de baar van Kampen's Nieuwe Kerk naar de begraafplaats te IJsselmuiden. Langzaam ging het voorwaarts, soms ging het helemaal niet voorwaarts. En daar liep een vrouw langs onze gelederen, die telkens iets zei. Ze kwam dichterbij en je probeerde haar te verstaan. Ze kwam nog dichterbij en je hoorde de ritmiek van een Schriftwoord. Eindelijk begreep je haar spreuk, nog voor de woorden duidelijk waren: "brengt dan vruchten voort, overeenkomstig uw bekering" 12). Ja, dat zei ze.
Het was de bekende zuster Hendriks, die jaren lang het stadsbeeld van Kampen sierde. Een merkwaardige vrouw, een vrome vrouw, een voorbeeldige vrouw. Ze gaf aan ons, driemaal overgehaalde gereformeerden, een woord mee: dat we vruchten moesten voortbrengen, die pasten bij geloof, bekering en dankbaarheid.
Nu, dat kwam niet leuk aan. Ten eerste was het een slechte begrafenistoespraak; er zat geen troost en geen opwekking in. Dan was het knap arrogant om ons gereformeerden, die bekend stonden om onze kerkelijke trouw tot in het absurde, vermaningen mee te geven. Ten derde (wat drommel) geloof, bekering en dankbaarheid - waren dat nu niet net de woorden, die ons door professor Schilder op hart en ziel waren geschreven? En eindelijk: waren die woorden niet tegen Farizeeërs gesproken, in één adem met het woord adderengebroed?!
Toch bleef er iets van hangen, gelukkig. Het was immers Gods Woord, dat ze ons toeriep? En dat keert nooit leeg terug, dat blijft ergens haken. Bovendien kwam het uit een goed hart. En dan - ze was wel merkwaardig, die zuster Hendriks, maar niet onwijs. Ze wist haar woorden goed te kiezen.
Ook hier. We waren gepokt en gemazeld in de leer van de eeuwige uitverkiezing.
We hadden meer onderwijs dan kerkelijk Nederland gekregen in het doen van de juiste keus op het juiste moment. Hadden we het bewijs van onze bekering niet geleverd met onze kerkelijke keus? Hadden we niet vader en moeder, vrienden en huizen, prijsgegeven terwille van Gods koninkrijk? En troostten we elkaar niet met 13) Gods beloften voor een royale beloning? Aan onze vruchten kon men ons kennen.
Maar achteraf had zuster Hendriks groot gelijk, dunkt me. We hadden tal van kerkelijke huizen juist niet prijsgegeven voor het koninkrijk Gods.
We hadden onze wereldse rechten laten gelden en we hadden met ons gelijk vijanden gemaakt. We hadden ouders en vrienden verloren, niet zo zeer terwille van het Koninkrijk Gods - maar vanwege ons gelijk.
We hadden er geen geheim van gemaakt, dat we het erg goed met onze kerken hadden getroffen. Zo stonden we te staan als een vijgenboom in een kostelijke wijngaard, in het zonnetje, achter veilige kerkmuren, beschermd door doornstruiken van kerkrechtelijke constructies.
Maar brachten we ook vruchten voort? Ging er werving van ons uit? Waren wij voor de Tuinman een eer en een oogst voor de Eigenaar?
Ik herinner me een gereformeerd ouderling, die aan de zijde van de Vrijmaking stond, maar net niet tot de stap kon komen. Hij luisterde een half jaar naar onze preken. Toen sprak hij: ik ben nu wel overtuigd van het recht van de Vrijmaking. Maar daarvoor kom ik niet in de kerk. Hij verdween en kwam niet terug.
Onze Vader, die in de hemelen zijt. Geef onze kerken, geef uw kerken, geef elk van ons ... nog een jaar. Aan de Tuinman zal het niet liggen, amen.
Noten
1) Matt. 3: 10 en Luc. 3: 8,9
2) Luc. 13 : 6-9
3) Jes. 5: 1-6
4) Jes. 5: 7
5) Ps. 92 : 14, 15
6) Mtt. 7 : 20
7) Mtt. 12 : 33
8) Luc. 6 : 43
9) Luc. 6 : 44
10) id. : 45
11) Mtt. 21: 43
12) Luc. 3: 8 en Mtt. 3: 8
13) Mtt. 19: 20 en Mrc. 10 : 29.