De wijnpers getreden
1980-01-11
Heilige oorlog- Jaargang 24
- nummer 2
Het kon ook eigenlijk niet uitblijven in het conflict tussen Amerika en Iran: op een gegeven ogenblik viel het woord jihad: heilige oorlog. Zo hoog zijn de spanningen blijkbaar opgelopen, dat Khomeini bereid is dit zwaar geschut in stelling te brengen. Blijkbaar is dit geschut minder afschrikwekkend dan een atoomkop raket - ik heb althans nog niets vernomen van een demonstratie tegen de heilige oorlog...
Het is zinnig even bij dit begrip te blijven stilstaan, ook al is het er (nog) niet van gekomen. Want het begrip "heilige oorlog" is zakelijk ook aan de bijbel niet vreemd. Maar er is wel een kenmerkend verschil. De heilige oorlog van de Islam werd en wordt gevoerd door fanatieke gelovigen die, opgezweept, dank zij hun fatalisme tot alles bereid en in staat zijn. Tot alles - behalve tot een gerechtigheid die samenvalt met heil. Miljoenen, honderden miljoenen zouden op de been kunnen worden gebracht. Dan hebben ze wel wapens nodigvan de kromme sabel tot de mitrailleur en wat al genoemd is "de eerste islamitische atoombom", vervaardigd in Pakistan of ergens anders ter wereld.
De massale aanhang, het religieus fanatisme en de beschikbare wapens zijn doorslaggevend voor succes of nederlaag. En niemand moet deze mogelijke dreiging onderschatten.
Het groot verschil
Daar staat tegenover: de God van de bijbel kan het alléén wel af. Als Hij al van mensen gebruik maakt, dan is het een Gideonsbende, een blinde Simson, een misvormde, vernederde knecht (Jes. 53). Dat is zijn: demonstratie: mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Cor. 12: 9). God kan het alléén wel af. Je kunt ook zeggen: Hij moet het wel alléén doen. Hoor maar: "Ik heb de pers alléén getreden en van de volken was niemand bij Mij ... Ik zag rond, maar er was geen helper; Ik ontzette Mij, maar niemand bood Mij steun (Jes. 63: 3, 5). Hij zegt, nee Hij beklaagt zich: Ik sta er alléén voor, Ik moet het (weer) alleen opknappen. Met als gevolg en als besluit: ;,toen verschafte mijn arm Mij hulp en mijn grimmigheid ondersteunde Mij" (63 : 5). Dat klinkt als een echo door heel de geschiedenis heen. Op zijn minst vanaf het begin van Israëls volksbestaan: "gij zult gedenken, dat gij slaven in het land Egypte zijt geweest, en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm" (Deut. 5 : 15). Dat is niet maar een vlakke constatering van een feit. Daarin trilt door Gods emotie en daarachter gaat schuil Góds wereldbeeld. Het beeld dat Hij van deze wereld heeft: Ik moest het alléén doen ... Ik heb de pers alléén getreden ...
Klinkers en medeklinkers
Op welke situatie doelt deze pijnlijke constatering? Ogenschijnlijk is het antwoord heel simpel. Luister maar: "Wie is het, die van Edom komt, in helrode klederen van Bosra ... ?" (63 : 1). Het zou niet verbazen als God met grote stappen majesteitelijk terugkeerde van een bezoek(ing) in Bosra, Edoms hoofdstad. Israëls bloedsbroeder heeft zich voor de zoveelste keer schandelijk gedragen - nu voor de verandering bij en na Jeruzalems verwoesting door Nebukadnezar. Niet voor niets dreigde God die hoofdstad (plm. 35 km ten Z.O. van de Dode Zee) met zijn vloek (Jes. 34 : 5-17). ..
Maar misschien hebben deze woorden een verdergaande strekking en een nog grotere diepgang. Met een lichte verandering van de Hebreeuwse klinkers kun je namelijk lezen en vertalen: "Wie komt daar bloedroodgekleurd (me'oddam i.p.v. me’edom) in kleren roder dan van een druivenplukker (mibboser i.p.v. mibbosrah) ... ?" Voor de Israëliet een bekend beeld: de druivenplukkers en zij die de wijnpers hebben getreden op de terugweg naar huis, hun kleren rood besmeurd door druivenbloed. En betekent "Edom" niet "de rode"? En stond Bosra niet bekend als de wijnstad bij uitstek? De namen alleen al roepen bepaalde associaties op - zou een Israëliet niet ongewild deze betekenissen meehoren in die bekende namen?
Gerechtigheid èn heil
Ik zou het dus wel aandurven om in de woorden "Edom" en "Bosra" te laten meeklinken "roodgekleurd" en "druivenplukker" en in dit beeld God te zien voortschrijden in zijn grote kracht (62 : 1) na verrichte arbeid. Op de vraag "Wie is het ... ?" geeft Hij zelf het antwoord: "Ik ben het, die in gerechtigheid spreek, machtig om te verlossen" (62 : 1). En opnieuw gaan "gerechtigheid" en "heil" hand in hand - je zou 't zo kunnen weergeven: "Mijn woord (en daad) brengt heil en doet recht."
Laat men Edom en roodgekleurd, Bosra en druivenplukker, samenklinken, dan vormt deze passage ook geen onverwacht, vreemd element in het geheel. De profetie van gerechtigheid en heil is gericht tot Israël in ballingschap, tot een geknecht, vertrapt, veracht volk. Het mag duizendmaal waar zijn, dat Israël om zijn eigen zonde door God aan Babel is uitgeleverd (Jer. 31 : 29, 30; Ez. 18 : 1 v.v.). Maar dat geeft den overwinnaar nog geen vrijheid tot ongehoord wreed optreden - en dat terwijl niemand (van de volkeren) tussenbeide komt, een hand uitsteekt, protesteert of demonstreert...
Luister maar wéér: "Waarom is dat rood aan uw gewaad, en zijn uw klederen als die van iemand die de wijnpers treedt?" Het antwoord is nu duidelijk: "Ik heb de pers alleen getreden en van de volken was niemand bij Mij, Ik trad hen in mijn toorn en vertrad hen in mijn grimmigheid; toen spatte hun bloed op mijn klederen en Ik bezoedelde mijn ganse gewaad. Want een dag van wraak had Ik in den zin en het jaar van mijn verlossing was gekomen" (62 : 2-4).
Beeldspraak en harde werkelijkheid
Wraak en verlossing, gerechtigheid en heil gaan hand in hand als Gód ten heiligen oorlog trekt - maar Hij moet het wel alléén doen: "en Ik zag rond, maar er was geen helper; Ik ontzette Mij, maar niemand bood steun. Toen verschafte mijn arm Mij hulp en mijn grimmigheid ondersteunde Mij" (62: 5). M.a.w.: in zijn toorn nam God het karwei maar zelf ter hand.
Ogenschijnlijk klinkt het allemaal nogal wraakzuchtig en cru, zeker het vervolg: "en Ik vertrapte ('t beeld van de wijnpersbak) in mijn toorn, maakte hen dronken in mijn grimmigheid en deed hun bloed ter aarde stromen" (62 : 6). Toch moeten we in rekening brengen, dat de beeldspraak hier wordt voortgezet. Verder dat hier geen machtswellust en sadisme achter steekt: God verlustigt zich niet in bloedvergieten, in wraak. Wat wij wraak noemen (en dat roept bij ons onzuivere associaties op) is in de bijbel een zaak van recht doen. De mensen die op bloed belust sadistisch zich uitleven, moeten niet menen, dat God ziende blind en horende doof is: Hij is geen "Allah". Hij doet recht (wanneer de maat vol is, niet eerder: Gen. 15 : 16). Maar dat houdt tegelijk in het heil, de verlossing van zijn volk, van wie op Hem vertrouwen. Het is geen wonder, dat het vervolg (vs. 7 v.v.) teruggrijpt op Israëls prille volksgeschiedenis, de tijd van Mozes en Egypte. Een tijd van bloedvergieten: "de Israëlieten zuchtten nog steeds onder de slavernij en schreeuwden het uit, zodat hun hulpgeroep over de slavernij omhoog steeg tot God". De situatie was ten hemelschreiend - maar wie deed er iets aan onder de volkeren? Ook toen kon gelden: "Ik zag rond, maar er was geen helper; Ik ontzette Mij, maar niemand bood steun. Verbaast iemand zich als hij dan, zij het zonder beeldspraak, leest: "en God hoorde hun klacht ... zo zag God de Israëlieten aan en God had bemoeienis met hen (ging er wat aan doen)"? (Ex. 2: 23-25). Wan eer in het boek Openbaring de beeldspraak terugkeert (14: 20; 19: 15) moeten we de werkelijkheid in de gaten houden. Wraak en gramschap en heilige oorlog doen gerechtigheid en heil hand in hand gaan: zover hebben vroegere noch hedendaagse leiders en bevrijders het ooit kunnen brengen!