Gespreide verantwoordelijkheid of geen verantwoordelijkheid (2)

1980-01-11
  • Jaargang 24
  • nummer 2
Het dualistisch karakter
In zijn derde en laatste artikel geeft de heer Van Klinken zijn kritiek op het C.D.A.-rapport "Gespreide Verantwoordelijkheid". De kern van zijn kritiek heeft betrekking op de afwijzing door het C.D.A. van de vrije markt als dé bepalende factor voor de economische orde. De heer Van Klinken zet hier nogal zwaar geschut in. Zo acht hij de vrije markteconomie het meest bevorderend V00r het Koninkrijk Gods en een afwijzing van de vrije markteconomie derhalve strijdig met een christelijke maatschappijopvatting! De heer Van Klinken noemt het C.D.A.-rapport op dit punt dualistisch. Enerzijds claimt het C.D.A., aldus de heer Van Klinken, verantwoordelijkheid voor de individuele werkgever en werknemer. Maar in plaats dat het C.D.A. daar een punt zet, zou zij die verantwoordelijkheid vervolgens weer afnemen wanneer de reikwijdte van te nemen beslissingen een bepaalde grens overschrijdt. De vraag is of hier sprake is van dualisme, in de zin zoals de heer Van Klinken bedoelt. Het C.D.A.-rapport kiest - nogmaals: in tegenstelling tot de gangbare mening van een toenemende overheidsverantwoordelijkheid - onvoorwaardelijk voor verantwoordelijkheid op het laagste niveau: dat van de bedrijfsgenoten - werkgevers en werknemers - binnen de particuliere - i.t.t. genationaliseerde - ondernemingen.
Onvoorwaardelijk, d.w.z. zonder voorwaarden vooraf t.a.v. de beslissingen waarvoor verantwoordelijkheid genomen dient te worden. Onvoorwaardelijk wil echter niet zeggen onbeperkt. Het C.D.A.-rapport is hierin m.i. erg duidelijk. Beslissingen waarvan de consequenties niet verder reiken dan het niveau waarop zij genomen worden dienen op dat niveau de ondernemingen - genomen te worden. Gaan de consequenties van een te nemen beslissing echter verder dan de onderneming dan kan een grens overschreden worden, waardoor de te nemen beslissing niet meer volledig tot de verantwoordelijkheid van de bedrijfsgenoten alleen gerekend kan worden. In dat geval komt de beslissing (mede) binnen de verantwoordelijkheid van het naast hogere niveau, dat de beslissing dan ook (mede) dient te nemen. Welke beslissingen en afwegingen het C.D.A.-rapport beoogt, blijkt uit de reeks duidelijke voorbeelden, waaraan de heer Van Klinken helaas voorbij gaat. Genoemd worden beslissingen waarvan (negatieve) effecten uit (kunnen) gaan op het milieu (Iucht- en waterverontreiniging), op de levensomstandigheden van toekomstige generaties (roofbouw op grondstoffen), op de welvaart en het welzijn van minder ontwikkelde volken (grondstofprijzen) etcetera. Hier is m.i. geen sprake van dualisme. Hier is sprake van het begrenzen van de beslissingsbevoegdheid daar waar de consequenties van te nemen beslissingen niet meer geheel (kunnen) worden overzien. Hier is inderdaad sprake van "gespreide verantwoordelijkheid". Dat is heel iets anders dan met de ene hand nemen wat met de andere gegeven werd!

De zorg voor het bestaan
Het is inderdaad ook iets anders dan de keuze voor de vrije markteconomie, waarin de overheid slechts een corrigerende taak heeft. Immers: in de door het C.D.A. voorgestane economische orde worden een aantal verantwoordelijkheden (mede) op het niveau van de organisatie op meso- en macroniveau, alsmede op het niveau van de overheid gelegd.
Het C.D.A.-rapport noemt achtereenvolgens de terreinen van de energie, het milieu, de grondstoffen, de (internationale) arbeidsverdeling, de technologische ontwikkeling, maar ook van het onderwijs, de arbeidsmarkt, de inkomensverdeling en de sociale zekerheid. Hierop spitst een ander hoofdpunt van de heer Van Klinkens kritiek zich toe. De overheid draagt volgens het C.D.A.-rapport o.m. verantwoordelijkheid voor een materieel bestaansminimum van de burgers. Hiertoe dient de overheid o.a. te beschikken Over beslissingsbevoegdheid op de terreinen van inkomensverdeling en sociale zekerheid. De heer Van Klinken wijst de overheidsbevoegdheid op dit punt als strijdig met de christelijke maatschappijvisie krachtig van de hand. Het C.D.A.-rapport zou voor haar standpunt onvoldoende argumenten aanvoeren en het onvoldoende motiveren. Ik vind deze kritiek niet alleen onjuist - het C.D.A.-rapport voert wel degelijk argumenten voor dit standpunt aan - maar ook volstrekt onbegrijpelijk! Kennelijk gaat de heer Van Klinken volledig voorbij aan ruim een eeuw van sociale strijd - óók van christelijk-sociale actie - voor de garantie van een bestaansminimum voor grote groepen werknemers, aan wie de toenmalige vrije markteconomie slechts bittere armoede toedeelde!' De verleiding om hier dieper op in te gaan is groot. Ik zal dat niet doen.
Bovenstaande lijkt mij voldoende om te mogen concluderen dat de heer Van Klinken het zich veel te gemakkelijk maakt door in dit verband op te merken "de vraag is waarom de burgers voor dat bestaansminimum niet zelf verantwoordelijk gesteld moeten en kunnen worden." Nog één opmerking hierover. De hier geciteerde vraag zou kunnen suggereren dat het C.D.A.-rapport de individuele burger niet verantwoordelijk stelt voor de eigen bestaansvoorwaarden. Integendeel, het doet dat wel. Het laat echter onverlet de verantwoordelijkheid van de overheid om de kaders te scheppen waarin de burgers deze verantwoordelijkheid kunnen dragen en de verantwoordelijkheid op zich te nemen daar waar het individu die verantwoordelijkheid om welke reden dan ook niet of onvoldoende blijkt te kunnen dragen.


Verantwoordelijkheid in de vrije markteconomie
Onder de kop "Het eigen standpunt" komt de heer Van Klinken tenslotte tot zijn eindconclusie m.b.t. het vraagstuk van de economische orde. Zijn standpunt heeft mij enerzijds niet, anderzijds zeer verbaasd. De keuze voor de vrije markteconomie verbaast mij niet. De wijze waartoe hij tot deze conclusie komt des te meer. Eén van de kenmerken van de Reformatie - aldus de heer Van Klinken - is de benadrukking van de individuele vrijheid en de individuele verantwoordelijkheid. In de vrije markteconomie komen de individuele vrijheid en verantwoordelijkheid het best tot uitdrukking. Conclusie: de vrije markteconomie past als economische orde het best in de christelijke maatschappijvisie! Alsof het een simpele rekensom betreft. Eén plus twee is drie. En daar besteedt het C.D.A. nu zo'n uitvoerig rapport aan? Tegen de achtergrond van het C.D.A.-rapport dienen we ons af te vragen hoe de verantwoordelijkheid in de vrije markteconomie gestalte krijgt.
Het is waar dat de vrije markteconomie slechts kan bestaan bij de gratie van een maximale individuele vrijheid, waarbinnen vraag en aanbod elkaar vrijelijk kunnen ontmoeten. Echter, de markt werkt slechts voor zover vraag en aanbod, d.w.z. de behoeften en de middelen om in die behoeften te voorzien, in geld meetbaar zijn. Zaken die niet in geld te meten zijn worden in het spel van vraag en aanbod niet ingewogen. Zo kan met de prijs van de geproduceerde goederen en diensten en passant de prijs van de daartoe verrichte arbeid bepaald worden. Arbeidsvreugde, motivatie, arbeidsomstandigheden e.d. worden door de markt niet geregistreerd en gehonoreerd, maar worden indirect wel naar willekeur door de markt bepaald. Doordat de markt alleen in geld meetbare behoeften registreert, worden de niet in geld meetbare behoeften onvermijdelijk ondergeschikt aan de markt, die daardoor allesbepalend wordt.
Daarbij dient ook bedacht te worden dat de markt de behoeften die zich aandienen slechts registreert en niet waardeert. De behoefte aan jenever heeft op de markt dezelfde waarde als de behoefte aan brood. De markt neutraliseert als het ware de behoeften. Evenzo de wijze van produceren.
Producten van het lopende bandproces hebben dezelfde waarde als anders geproduceerde goederen. Daarbij garandeert de vrije markteconomie niet alleen vrijheid voor het individu, zij garandeert dezelfde vrijheid voor b.v. de ondernemingen. Voor de eenmansondernemingen, maar ook voor de multinationale ondernemingen. Een vrijheid die op haar beurt de vrijheid van het individu weer beperkt en zelfs volledig kan wegnemen. Natuurlijk kan mij tegengeworpen worden dat de markt door de mens bestuurt moet worden. Zij dienen hun behoeften in verantwoordelijkheid te bepalen, waardoor wellicht de markt beter zou kunnen functioneren.
Ik ben het daarmee eens. Maar juist om die reden is de markt een levensgevaarlijk instrument in de hand van de mens na de zondeval! De kracht en de waarde van de vrije markt mogen niet onderschat worden. Het gevaar van de markt evenzo niet. De vrije markteconomie tijdens de industriële revolutie in ons land en heden ten dage elders in de wereld hebben bewezen dat een toeziend oog van de overheid alleen onvoldoende is om de negatieve effecten van de markt te voorkomen. Of het toeziend oog van de overheid leidt tot het tegengestelde van de vrije markteconomie.
Daarom zal juist binnen de kaders van een christelijke maatschappijvisie gezocht moeten worden naar een andere economische orde. Een economische orde waarin de markt als ordenend instrument een plaats krijgt. Maar waarin de markt niet de ruimte voor het beleven van de verantwoordelijkheid van de mens bepaalt. Een economische orde waarin de individuele vrijheid en verantwoordelijkheid die de Reformatie beoogde gewaarborgd wordt, maar waarin de onvrijheid en de onverantwoordelijkheid van de 1ge eeuw voorkomen worden. Ben economische orde waarin ook de mogelijke onvrijheid en de onverantwoordelijkheid van de 21e eeuw op het gebied van het milieu, de kernenergie, de onbegrensde automatisering voorkomen worden. Het C.D.A.-rapport "Gespreide Verantwoordelijkheid" levert daartoe naar mijn mening een verantwoorde bijdrage die past in een christelijke maatschappijvisie.

Tot besluit
Tot besluit wil ik graag nog een enkele meer algemene kanttekening maken bij het voorgaande. De C.D.A.-visie is gebaseerd op een tweetal grondmotieven: verantwoordelijkheid en solidariteit. De heer Van Klinken verwijt het C.D.A.-rapport dat deze grondmotieven voor christendemocratische politiek - zoals het C.D.A.-rapport ze aanduidt - onvoldoende bijbels gefundeerd zijn en daardoor gedevalueerd zijn tot geseculariseerde inhoudloze termen. Een zeer ernstig verwijt aan het adres van de samenstellers van het C.D.A.-rapport en van het C.D.A. Een zeer ernstig verwijt dat helaas steeds meer vanuit de hoek van o.m. de kleine reformatorische politieke partijen gehoord wordt! Een verwijt dat vaak even weinig gemotiveerd als opbouwend is en waarmee veie christen broeders en zusters onbarmhartig in de hoek getrapt worden. Een verdediging tegen dergelijke absolute verwijten (veroordelingen?) is moeilijk. Toch wil ik een poging doen. Het C.D.A.-rapport noemt twee grondmotieven. Ten eerste de mens die als rentmeester de aanwijzingen van zijn Schepper dient te volgen in plaats van soeverein te handelen. Ten tweede de mens die in zijn handelen niet alleen op zichzelf maar tegelijkertijd op zijn medemens gericht moet zijn. Vanuit deze twee grondmotieven tracht het rapport te komen tot werkbare begrippen in de discussie over de economische orde: verantwoordelijkheid en solidariteit. Het verwijt van de heer Van Klinken dat het C.D.A.-rapport hiermee voorbij gaat aan het Koninkrijk Gods kan ik niet goed plaatsen. Temeer daar de heer Van Klinken zelf de door de Reformatie beoogde individuele vrijheid t.b.v.
zijn visie op de economische orde zondermeer vertaalt in een bijna onbegrensde economische vrijheid van handelen binnen een vrije markteconomie, waarvan de geschiedenis de meest onchristelijke gevolgen heeft laten zien.

Ik heb het gevoel hiermee een nieuw onderwerp te raken: het gebruik van de Bijbel in ons maatschappelijk en politiek handelen. Een onderwerp dat qua belang en activiteit een discussie onder christenen zeker waard is. Een discussie in de goede zin van het woord, die naar mijn mening ook in onze kerken gevoerd moet kunnen worden zonder dat zij door (wederzijdse) absolute veroordelingenonmogelijk wordt gemaakt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief