Van de rechtvaardigen (3)

1980-11-07
  • Jaargang 24
  • nummer 42
Lezende in het boek van A. Janse zijn we bij hoofdstuk 4 aangekomen; het bespreekt "de goede werken der rechtvaardigen", Wij hebben het daar niet graag over. Nog minder over het loon, er aan verbonden.
Maar de Schrift staat vól van de goede werken der rechtvaardigen.
Geen uitvoerige beschrijvingen er van, dat niet. Als we goed lezen merken we die werken op.
Abraham geloofde God, dát was waar het om ging. En toen kon hij naar het land trekken, dat de HERE hem wijzen zou. Daamá ook Lot laten kiezen welk stuk hij graag wilde. En ook met zijn zoon naar Moria gaan: "Goede werken zijn er niet zozeer uit persoonlijke dankbaarheid, ze zijn er als verheerlijking Gods". En ze zijn "zo gewoon, zo bevrijd van alle ophef ... "
Velen hebben zich uitgeput om goede werken te doen, om van mensen gezien te worden: gaven -voor de kerk, werken in Gods koninkrijk, onthouding in het kloosterleven enz. Nu, die alle hebben hun loon hier, tijdens het leven: respect van mensen, een bijzondere plaats in de samenleving. "Maar de echte 'overvloediger' gerechtigheid van de verborgen aalmoes, van 't verborgen gebed, van 't verborgen vasten - deze gerechtigheid van Gods kinderen heeft met sensatie en eer van mensen niets te maken.
Zij hebben met God te doen. En nu ontvangen zij - wonder van genade - loon voor die gerechtigheid."
Velen zeggen - ook Barth en zijn volgelingen doen dat - onze beste werken zijn niet meer dan blinkende zonden. Zo spreekt de wereld.
"Zij die in hun eenvoudigheid echt bidden tot God op school en echt weldoen en echt 'zitten' met zonde en ellende in het kinderleven, dat ze er soms bedroefd over zijn en hun hart 'vast' - zij zullen loon ontvangen, ook al kent de wereldja al kent de kerk hen niet. God ziet in het verborgen. En Hij zal het in het openbaar vergelden."
De rechtvaardigen letten ook op elkaar, vermanen als dat nodig is de ander. In liefde. Ouders berispen zo hun kinderen. Maar buren, die het gedrag van die kleinen zien, oordelen 'hen en zij kunnen zo gemakkelijk zeggen als ze hun zonden zien "heb ik altijd wel gezegd, dat loopt verkeerd af". Dát oordelen wil de HERE niet. Hij wil wel de berisping, in liefde. Die heeft grote betekenis voor Zijn volk. Dat volk heeft het in zijn gang door het leven niet gemakkelijk: een smalle weg, een enge poort, strijden om in te gaan. Dát zei onze Meester tot de discipelen. De poort om tot Christus te komen is niet eng, integendeel die staat wijd open. Maar daarná is het zo moeilijk Gods wil te volbrengen, dat we wel dagelijks bidden mogen om kracht en vergeving.

Daarmee komen we bij hoofdstuk 5: het gebed der rechtvaardigen. De inleiding op dit hoofdstuk is waard in haar geheel over te nemen.
"Zoals die prediking, die haar stof put uit de Christelijke persoonlijkheid, op den duur verarmt en eindelijk maar een matte naglans wordt van wat in Reformatorische tijden de Bediening des Goddelijken Woord was en zoals dat geloof, dat zich voortdurend 'bezig houdt met zijn kenmerken, Godsdienstwetenschap wordt en niets meer heeft van het geloof in Gods Woord, dat bergen verzeten zoals die hoop der Christenen, die leeft bij eigen gevoelens, geen hoop op de beloofde wederkomst van Christus meer durft zijnzo moet ook dat gebedsleven, die zich bepaalt tot de behoeften des harten en traditie, verarmen en verschrompelen.
Niet onze "Christelijke persoonlijkheid", hoe oprecht en vroom zij ook overigens zijn moge - maar wat Gods Woord ons zegt, houdt ons gebed levendig. Dicht bij Gods Woord levende worden de gelovigen door de Heilige Geest telkens weer geleerd te bidden. En als we 't gebed des Heren zien in het licht der Heilige Schrift, dan zien we hoe "Schriftuurlijk" Jezus zelf bad."
Als we daar nauwkeurig op letten zijn we op een heel andere wijze met het bidden bezig dan veelszins het, geval is en dan ontdekken we _ hoe wonderlijk het is, dat God het welbehagen doet van wie Hem vrezen (Ps. 145: 19) "Wij ontvangen vaak allerlei heerlijke dingen niet, omdat we vergeten er om te bidden."
Het is onze Heer, die ons leerde bidden. En hoe! Zo onderwezen, zijn er kinderen Gods, "Zij hebben de kerk lief, worstelen tegen de afdwaling in, lijden zelf onder de zuiging van de stroom 'in de kerk naar de wereld - maar als ze dan horen hoe de Naam des Heren ontheiligd wordt door de vijand, als ze horen de smaad der vijanden, dat de kerk niets is, afgedaan heeft, ondergaat - en dat de God van die kerk ook al niets beduidt - en als ze dan horen: Waar is uw God? dan roepen ze tot de HERE en zeggen: Waarom zou Uw Naam ontheiligt worden? om Uws Naams wil HERE, sta op en verlos ons. Bekeer ons (als diepgezonken kerk, als afvallig "volk Gods") tot U, zo zullen wij bekeerd zijn, want zoudt Gij ons helemaal verwerpen? Klaagliederen 5 : 21".
Zo volgen stukken van elk van de delen van het gebed des Heren, teveel om te citeren. Bijzonder toegespitst is de vraag "bidden wij om .vergeving van zonden of om besef van vergeving? en is in dit formulier het antwoord niet reeds verpakt?
Kinderen, die in gebed met hun Vader verkeren, zijn in hun leven als zodanig te herkennen. Je merkt dan op de "vrucht van de Geest in de rechtvaardigen" en daarover handelt hoofdstuk zes.
"In Galaten 5 : 22 wordt ons een reeks heerlijke dingen van het psychische leven van de oprechten (van de echte christenen) genoemd en worden wij vermaand het vlees (het ganse samenstel der zonde in ons psycho-physisch bestaan) te kruisigen en door de Geest te wandelen".
Vlees en Geest (niet geest) staan hier tegenover elkaar. Vlees is de hele mens, door de zonde verdorven.
En Geest is de Heilige Geest, ons door Christus verworven.
Werken van het vlees, dat is wat we doen, waar we verantwoordelijk voor zijn. Vruchten van de Geest, ze groeien, als vanzelf. Dát is een troost! De Geest geeft vruchten, als geduldig zijn bijv. wanneer kinderen moeilijk zijn, of als het op het werk niet zo best is. Dán, ook in zulke situaties liefhebben, als in 1 Cor. 13 staat: "Die liefde is lankmoedig: heeft geduld met lastige leerlingen.
Zij is goedertieren: goeddoende aan àl de kinderen, niet maar aan een paar lievelingen.
Niet afgunstig: als een leerling liever bij een andere meester of juffrouw school gaat! Ze handelt niet opgeblazen: ben ik geen geliefd onderwijzer?
Ze handelt niet ongeschikt: doet voorzichtig met opgewonden, zenuwachtige kinderen.
Ze zoekt zichzelf niet: weet zich te verloochenen voor zo'n "aap van een jongen".
Ze wordt niet verbitterd: leidt de jongen voornoemt met vaste kalme hand. Kan ook vergeven (... ) En als het centrum - ons diepe hart - is vervuld met de liefde van Christus - dán kan die liefde zich óók in ons leven naar buiten en op tijd en wijze - ook in ons gevoelsleven openbaren. (... ) Die liefde is het dankbare antwoord op de liefde, waarmee Christus ons eerst heeft liefgehad."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief