VOORSCHOT

1980-11-14
  • Jaargang 24
  • nummer 43
Thomas wilde eerst iets zien en toen aan die voorwaarde voldaan was, geloofde hij. Hierop zei de Here Jezus: “Zalig wie niet gezien hebben en toch geloven.”
In dezelfde lijn ligt wat Paulus in Romeinen 8 geschreven heeft: … “in die hoop zijn wij behouden, maar hoop die gezien wordt , is geen hoop. Want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet?”
Hij kende daarentegen ook mensen, die meenden dat ze “ingewijden waren in wat ze aanschouwd hadden.” Kol. 2:18.
Dat laatste lijkt me een kenmerk van allerlei secten en “charismatische” groepen. Die mensen hebben het nú al. Ze zijn genezen en ze zijn verlost. Zij zijn altijd blij en niets is er, dat hen neerdrukt. Ze staan niet in het strijdperk van dit leven, maar ze hebben de overwinning al gevierd. Ze wenden zich af van de politiek en op de vragen van de hedendaagse maatschappij zoeken ze geen antwoord. Ze zijn overal klaar mee. Ze aarzelen niet en twijfels kennen ze niet. ze zijn zo vrij en blij.
Nu ja, vrij? Ze zijn in de regel zeer wettisch.
Het zijn echte en oprechte Christenen en daarom aarzel ik, om hen in één opzicht te vergelijken met de jongste zoon uit Lucas 15. Niet, dat ze de losbollige wereld in willen, maar ze hebben wel reeds nú van de Vader begeerd het deel dat hun toekomt. Ze hebben een voorschot genomen op wat pas later aan ons allen zal worden uitgekeerd. Ze zijn alvast aan de hemelse vreugde begonnen. Dat is te vroeg. Het is nu nog de tijd van niets zien en tóch geloven. Wij moeten verder met de prediking van een belofte, waarvan de verwerkelijking niet in zicht is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief