ZWIJNDRECHT
1980-11-21
Voor de waarheid kan ik niet instaan, maar er is een oud verhaal van een excursie van Kamerleden langs de Drechtsteden. Het ging nog per radarboot van de rederij Fop Smit. Toen de kapitein met de megafoon aankondigde, dat men ter hoogte van Papendrecht gekomen was, zei een liberale afgevaardigde tegen een R.K. pater, die ook in de Kamer zat: “Heb je dat gehoord? Jij moet er nu af, man, want hier hoor je thuis!” De priester zei niets, hij wachtte af. En toen de schipper later riep: “Aan bakboord ziet U Zwijndrecht, zei de pater tegen de liberaal: “En hier moet jij er af, denk ik.”- Jaargang 24
- nummer 44
De omhaal van dit verhaaltje had ik niet nodig voor hetgeen ik van Zwijndrecht vertellen wilde. Ik schreef het alleen maar op voor de gezelligheid. Het ging me eigenlijk om de Zwijndrechtse Nieuwlichters, een secte in de jaren 1816-1832. De schipper Stoffel Muller en de voormalige schout Valk hadden de leiding, maar feitelijk had Maria Leer het voor ’t zeggen; de vrouw met wie Muller hokte. Ze geloofden dat God de zonde niet straft, omdat Hij zelf van de zonde de oorzaak is; ze geloofden dat God in al het geschapene aanwezig is en als je iets doet, ook al vinden de mensen het niet goed, maar je doet het uit liefde, dan is het God al lang goed. Ze wilde de gemeente inrichten naar het model van de eerste Christelijke gemeente. Ze hadden alle goederen gemeen en tenslotte werd het een commune, ook wat de vrouwen (en mannen) betreft: alles samen. Ze waren tegen het burgerlijk huwelijk en deden geen aangifte van de kinderen die geboren werden. Ze waren ook principiële dienstweigeraars. Drie van de broeders werden deswege gevangen gezet en één van de drie bezweek in het Militaire Detentiehuis in Leiden. Toen begaf op verzoek van de Nieuwlichter prof. Tydeman zich naar de koning en hij vertelde van Maria Leer en haar secte; hij pleitte van vrijstelling van de dienst wegens gewetensbezwaren. Er kwam een glimlach op het gelaat des Konings: hij gaf vrijstelling, maar zei: “Professor, Uwe vriendin moet er wel begrip voor hebben dat wij nog niet zover zijn als zij is.” Willem I wees daarmee de zwakke plek van menige secte aan. Sectariërs doen vaak uit de hoogte; de andere zijn zover nog niet als wij. En ze drammen dóór: het moet zoals het in Jeruzalem ging. Maar moeten degenen, die dit ijveren niet volgen kunnen, dan maar uit de boot vallen? Je mist bij sectarische mensen vaak de pastorale zorg over hen, die het met het ideaal van de groep nog niet zo zien zitten.