Joodse poëzie (2)

1980-11-28
  • Jaargang 24
  • nummer 45
De joodse hoogleraar J. Presser heeft een aantal gedichten geschreven naar aanleiding van de ontvoering van zijn vrouw.
Zij werd op 18 maart 1943 door de S.S. gevangen genomen en enige dagen later, met onbekende bestemming, weggevoerd.
Vier dagen later vertrouwde hij de volgende woorden aan het papier toe:

Je lippen, die ik heb gekust,
Je haren, donker en verward,
En dan je hart, je jonge hart,
Waaraan 'k zo heerlijk heb gerust ...

Ik denk: het heeft zo moeten zijn.
Soms is 't, alsof je bent gestorven.

Wie weet, hoe ver, in leed en pijn,
Wij zullen hebben rondgezworven,
Voordat wij weer tezamen zijn.

Nadien heeft hij vele malen, hevig bewogen, zijn verdriet in dichtvorm geuit. Hij ziet dan soms zichzelf als Orpheus en zijn vrouw als Eurydice, twee figuren uit de Griekse mythologie, waarin de dichter bijzonder goed thuis was.
Eurydice, de geliefde van de zeer muzikale Orpheus, was een uitermate mooie vrouw. Zij werd door iemand begeerd waarvoor ze vluchtte. Tijdens die vlucht trapte ze op een slang en werd door zijn gif gedood.
Orpheus gaat haar dan zoeken in de Orcus, de onderwereld waar de doden verblijven. 't Wordt een hopeloze tocht, maar hij vindt haar. Als hij echter, met haar op de terugreis, omkijkt, wat hem verboden was, verdwijnt Eurydice voorgoed in het dodenrijk. Hij blijft als een diep verdrietig mens, alleen met zijn muziek, achter en vermijdt alle gezelschap, vooral van vrouwen.
De dichter ziet zich, zoals gezegd, als Orpheus:

Men kent vanouds het smartlijk zoet verhaal
Van Orpheus, die de honderdduizend treden
Ten Orcus afdaalde. En hoe zijn taal
In magisch lokken de brandende bede
Joeg door de grijze rij zwijgende schimmen:
"Euridice! Euridice!" Een kreet
Die echo's sloeg tegen de vale kimmen
Totdat zij in zijn smachtende armen gleed.
En toen: één blik. En daarna nimmermeer.
Toen zonk zij achterover in 't rijk der doden.

Mij, die in hunkring lijf en ziel verteer,
Ook die seconde troost blijft mij verboden.

Ik echter klamp mij - net als al die Joden-
Vast aan de illusie van haar wederkeer.

Inderdaad, aan een illusie. Zijn liefste is nooit teruggekomen. De dichter is helaas geen gelovige, hij kan zijn verdriet niet voorleggen aan God, om bij Hem zijn verdriet te uiten en troost te zoeken. Hij blijft Orpheus:

De avond staat vol ongedoofde lichten,
De stilte ruist. Nu zit ik hier voor 't raam
En luister, hoe de echo's zich verdichten
Tot de muziek van een verloren naam:

Eurydice. Ik kan alleen maar pijnzen,
Stervend van heimwee, van verdriet om jou .
Eurydice. - Totdat de sterren deinzen
En wegebben in 't killé ochtendgrauw.

Hoe treffend is hier de vreselijke eenzaamheid getekend, die vooral 's avonds toeslaat. 't Is dan zes weken na haar wegvoering.
Een week later schrijft hij:

't Zijn zeven weken thans. Of zeven jaren?
Het konden zeven eeuwigheden zijn.
De zee, die ik nu eenzaam moet bevaren,
Oneindig schijnt ze, maar ik zie jouw klare
Ogen als sterren boven wrok en pijn.

Zo geeft hij iets te beluisteren van zijn heimwee, die steeds heviger wordt, maar waarin, althans in de eerste tijd, de hoop op een weerzien klinkt.
Maar ook die hoop verdwijnt. Zijn levens reis zal een eenzame worden.
Hij zal als Ahasverus worden, de eeuwig wandelende Jood. Zonder hoop.

Ik weet nog niet, waarheen, hoe ver
Mijn tocht straks reikt, maar grijp mijn staf,
Om zonder gids en zonder ster
Te zoeken naar dat massagraf

En daar te wachten, oud en grauw,
Ik, Ahasverus, op 't signaal
Van volgend leed, van nieuwe rouw,
En dan weer en weer andermaal.

Want elke generatie sterft,
Mij deze vrouw, vertrapt, verkracht,
Maar ik leef: een oud man die zwerft,
En aan een massagraf soms wacht.

Ook de hoop op terugkeer is verdwenen. Dit gedicht is van 10 juli 1944.
Jaren later, in 1951, is er een dodenherdenking. Hij ziet dan, als hij op het plein loopt, voor het gebouw waar de herdenking zal plaatsvinden, in de geest de rijen vermisten. Ook zij is erbij:

Dodenherdenking 1951

Weer stonden zij in rijen van vijf gesteld,
De spoken die zij voor hun dood al waren,
Ze waren allen als vermist gesteld,
Hun kaart voorgoed gelicht na zoveel jaren.

Op 't zonnig schoolplein wachten ze gedwee,
Maar niemand, niemand die ze daar ontwaarde;
Slechts ik alleen zocht in die schimmenzee
De ene, die mij 't liefste was op aarde.

Daar stond ze, jong en tenger, in de rij
Te wenken. Maar toen ik haar wou begroeten,
Toen steeg als in een opkomend getij
Een golf van bloed over haar kleine voeten

En ik verloor haar in een mist van tranen
En ging. En in een zaal vol bloemen sprak
Een man zijn vonnis uit over 't begane
Misdrijf, terecht. Alleen mijn hart dat brak.

Wat een leed is er door de jodenvervolging in deze wereld gebracht. Het is goed daaraan te denken, zeker nu de spanningen rond Israël weer toenemen.
De bundel heet: Orpheus en Ahasverus. De uitgeverij: Polak & Van Gennep.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief