Zo was het (45)
1980-12-05
In een aantal voorgaande praatjes heb ik verteld, dat ik in Voorthuizen meer en meer tot inzicht ben gekomen, dat de Schrift en bizonder het N.T. positiever over het christelijke leven schrijft, dan het geval was - en is - in heel de gereformeerde gezindte. Die was naar mijn overtuiging een beetje verziekt door de erin gehamerde mening: Er komt van de praktijk der godzaligheid weinig terecht. Ik ontkende niet - en ontken nog niet dat dit het geval wel is. Maar ik was overtuigd, dat dit een gevolg was van een bepaalde prediking. Als een jongen of meisje op school altijd maar weer wordt voorgehouden: Jij bent dom, jij maakt er niets van, jij bent ook lui enz. enz., dan is het resultaat dat het kind denkt: "Laat ik dan maar dom zijn en laat ik er dan maar niets van maken". Dat brengt het dan ook in praktijk. Zó staat het ook met een gemeente, die week aan week hoort verkondigen: gij zijt onmachtig enz. enz. Zonder dat wordt bijgebracht: gij vermoogt door en in Christus veel.- Jaargang 24
- nummer 46
Ik zou nog wel door kunnen gaan met aan te tonen, dat heel het N.T. vol is van vermaningen om te "onderhouden alles wat Jezus Christus bevolen heeft". Van Paulus meen ik het te hebben aangetoond. Maar Jacobus doet het niet minder. We kunnen Jacobus samenvatten onder de titel: "Weest daders der Woords". Hij weet dat we in veel opzichten struikelen. Niet alleen in woorden, maar ook in daden. Doch hij zegt niet, dat het niet anders kán. Integendeel. Hij houdt ons voor, dat een-geloof-zonder-werken een dood geloof is!
Petrus doet hetzelfde op zijn manier. Heerlijk is dat begin: God zij dank, Die ons herboren heeft tot een levende hoop, door de opstanding van onze Here Jezus Christus. We mogen hopen (dat is: vast vertrouwen) dat ons een onvergankelijke erfenis te wachten staat. Die wordt in de hemel bewaard en wij, gelovigen, worden hier en nu bewaard voor de erfenis door de kracht 'van God. Dan volgen de eisen van het nieuwe leven. Dat steunt op het fundament Jezus Christus. We worden opgewekt een voorbeeldig leven te leiden. En dat gaat door tot het einde van de eerste brief. Zonder dat de domper er op gezet wordt van: zo te leven is nu eenmaal onmogelijk.
En zo gaat ook de tweede brief van Petrus door. Waarvan ik de inhoud samenvat in deze woorden: "Voegt bij uw geloof deugd en kennis en zelfbeheersing en volharding en godsvrucht en onderlinge liefde en liefde jegens allen ... Beijvert u zo, brs. en zrs. om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dat doet zult gij nimmer struikelen (een andere vertaling zegt: niet komen te vallen).
Op z'n eigen manier doet Johannes evenzo. Dat we niet zonder zonde zijn zegt hij ook: "Wie meent zonder zonde te zijn bedriegt zich en de waarheid is niet in hem". Maar daarmee wil hij niet zeggen, dat wij in de zonde léven. Niets daarvan. Hij schrijft: Wie uit God geboren is (wie echt in de Here Jezus gelooft) maakt van zondigen niet z'n praktijk! Dat kán niet. Wie wedergeboren is heeft God lief. En dus ook de brs. en zrs. Wie hen niet liefheeft heeft ook God niet lief. En omgekeerd. Leest de eerste brief maar eens door. Nergens de negatieve instelling: De kerk is maar een "zaakje met een zakje"! Maar: ons geloof overwint de wereld en de duivel en eigen vlees.
Nu is er een gedeelte in de brieven van Paulus, dat tegen dit alles schijnt te strijden. Ik bedoel Rom. 7: 14-25. Daarover gaat nu dit artikeltje.
Eigenlijk had boven dit praatje wel mogen staan: Zo is het. Nu denk ik zo over dit gedeelte. Omstreeks 1960 gaf ik voor studenten nog een andere verklaring. Laat ik beginnen met een (wat omschrijvende) vertaling te geven. Als volgt: "Want wij weten, dat de wet Geestelijk is (van goddelijke oorsprong). Ik echter ben vleselijk, namelijk verkocht onder de zonde (slaaf van de zonde). Want wat ik bewerk begrijp ik niet (ik sta er vreemd tegenover). Want niet wat ik wil dat doe ik, maar wat ik haat (waarvan ik een afkeer heb), dát doet ik. Als ik nu dát doe wat ik (eigenlijk) niet wil, stem ik aan de wet toe, dat zij goed is. Maar nu ben ik het eigenlijk niet, die dit bewerkt, maar de zonde die in mij woont (bij mij thuis is, bij mij in- en uitgaat). Want ik weet, dat in mij, d.i. in mijn vlees geen goed woont.
Want het willen is bij mij wel aanwezig, maar het goede te bewerken niet.
Want niet het goede, dat ik wil, doe ik; maar het kwade dat ik niet wil, doe, bewerk ik het eigenlijk niet, maar de in mij huizende zonde. Dus vind ik deze regel (wet of wetmatigheid) in mij: als ik het goede wil doen, is het kwade bij mij aanwezig. Want ik heb een vermaak in de wet van God, wat de inwendige mens betreft (wat m'n gemoed, m'n wil, m'n gedachten betreft).
Maar ik zie een andere wet (wetmatigheid) in mijn organen (waarmee ik handel), die"zich verzet tegen de wet van mijn geest (of inwendige mens) en mij tot gevangene maakt van de wet (macht) der zonde, die in mijn leden is.
Ik ellendig (rampzalig) mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood (uit heel dit doods-bestaan). God zij dank. Door Jezus Christus, onze Here (ben ik verlost en word ik verlost en zal ik verlost worden)."
De conclusie is: "Ik op mijzelf dien met m'n geest (inwendige mens) de wet van God, maar met het vlees de wet (macht) van de ronde".
Als ik dit nog eens overlees komt de gedachte bij mij op: Mogelijk heeft Petrus o.a. wel gedacht aan dit gedeelte, toen hij schreef, dat Paulus hier en daar "zwaar is om te verstaan". En ook nog dit: Als Paulus had geweten wat een ellende het misbruik van deze woorden in de loop der geschiedenis heeft bewerkt, dan zou hij z'n bedoeling wat duidelijker hebben uitgedrukt.
Wij zullen het echter moeten doen met wat er geschreven staat. Wie dit schreef, is wel duidelijk: Paulus, de apostel. Toen hij reeds jaren z'n Heer had gediend. Hij schreef dit dus uit het geloof. Naar het Evangelie.
Maar van wie geldt nu deze beschrijving? Daar zijn in de loop der geschiedenis in hoofdzaak drie antwoorden op gegeven.
1. Zo zou de toestand van Paulus zijn, en van elke gelovige.
2. Zo zou de toestand van iemand zijn, die .onder de wet staat.
3. Zo zou de toestand zijn van iemand, die aan het begin stond van het christelijke leven. Een bekende exegeet (Zahn) meende: de toestand van iemand, al wel bekeerd, maar nog niet wedergeboren. Wel een vreemde toestand dunkt mij.
Volgens de eerste opvatting zou Paulus dit dus echt van zichzelf zeggen.
Zo zou de toestand zijn van hem. En zo zou de toestand zijn van ieder, die door het geloof aan Christus en Zijn Geest is verbonden. Die zou dus met Paulus moeten zeggen: "ik ben een slaaf van de zonde"; "ik doe niet wat ik wil, maar ik doe wat ik niet wil"; "eigenlijk doe ik het niet meer, maar de zonde die in mij huist"; "het goede willen is wel bij mij aanwezig, maar tot het doen komt het niet"; "naar de inwendige mens heb ik een vermaak in de wet van God, maar in mijn organen (ogen, handen, mond, hersenen) zie ik een andere macht of wetmatigheid, die mij slaaf maakt van de zonde"; “Ik rampzalig mens"; "ik op mij zelf dien met m'n geest de wet van God, maar met mijn vlees de wet of macht der zonde".
Kon Paulus dit van zichzelf zeggen? Maar in 6 : 11 had hij geschreven: "het moet voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus". En in 6: 14 "de zonde zal over u geen heerschappij hebben, want gij zijt niet onder de wet maar onder de genade". In vs. 17 en 18 verzekerde hij: "Gij wáárt slaven der zonde" en "gij zijt vrijgemaakt van de zonde".
Ook in H. 8 gaat hij op dezelfde manier voort: "de wet of macht van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrij gemaakt van de wet of macht der zonde en des doods". God heeft zijn Zoon gezonden, "opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar den Geest". Zou de apostel dit in H. 7 vergeten zijn? Dat kan toch niet.
Bovendien: In H. 7 gaat het telkens over de wet. Als kind leefde Paulus zonder wet. Hij was om zo te zeggen "onder en boven de wet". Maar later leefde hij onder de wet. Die was Geestelijk, bestemd om léven te geven.
Maar die bleek juist ten dode te zijn. Zij prikkelde de zonde om tegen die wet in te gaan. Dát bewijst Paulus nu in de vss. 14-25. Vers 14 begint met "want of immers". Het gaat in deze vss. om "ik" en de "wet", de "wet" en "ik", "ik" en de "zonde". Er is geen sprake van Jezus Christus; noch van zijn Geest, noch van genade. Paulus moet met "ik" dus wel bedoelen iemand, die niet van genade leeft, maar uit de wet. Zoals hij vóór zijn bekering deed. Die toestand beziet de apostel nu met het oog van geloof.
Vanuit z'n gemeenschap met Christus en de Geest. Achteraf heeft hij ingezien, dat wie onder de wet leeft een rampzalig mens is. Die de wet wel toestemt dat zij goed is. Die het goede wel wil doen. Maar het resultaat is bedroevend. Een mens blijft er ongelukkig bij.
Totnogtoe heb ik één tussenzinnetje buiten beschouwing gelaten. De vraag: "Wie zal mij verlossen uit dit doods-bestaan? En het antwoord: God zij dank, dat is gebeurd door Jezus Christus, onze Heer." Een tussen-uitroep.
Zoals in een gemeente van negers men zal roepen: Halleluja! Of in een pinkstergroep: Geprezen zij de Heer! Zo riep men in de synagoge ook wel: Amen. Geloofd zij God.
Paulus beschrijft hier m.i. niet de toestand van elk mens, dus niet van een heiden. Maar van ieder, die de wet kent en toestemt en er uit eigen kracht mee klaar wil komen. Voorzover wij ook nog uit de wet leven kan dit dan ook van ons, gelovigen, gezegd worden. In zoverre zijn we dan ook te beklagen.
Vermoedelijk leiden veel kerkmensen nog een bestaan "onder de wet".
Zij durven zich Gods genade niet toeëigenen. Worden bang gemaakt voor een gestolen geloof, een gestolen Christus, gestolen genade. Een vreemde zaak dunkt mij. Als Gods genade in Christus ons grátis wordt aangeboden, hoe kunnen we genade dan stelen? Het Evangelie stelt toch geen enkele voorwaarde? We mogen ons toch overgeven aan Gods genade, zó als we zijn? Blijkbaar willen velen op de een of andere manier toch die genade kopen. Door een streng wettisch leven. Met dat al komt bij hen van een leven naar de goede en liefelijke wet Gods weinig of niets terecht.
Van hen geldt Rom. 7 : 14-25 nog. En van ons allen in zover wij toch nog weer uit de wet en niet van genade leven.
Als we het Evangelie oprecht geloven, dat een kracht Gods is tot behoud, dan mogen we met Paulus er van uitgaan dat we "dood voor de zonde zijn" en "levend voor God in Christus Jezus". Dan zijn we geen slaven meer van de zonde, maar vrijgekochten door Jezus Christus. Dan is er nog wel de strijd tussen de nieuwe- en de oude mens. De worsteling tussen Geest en vlees. Veel verklaarders zijn van mening, dat het in Rom. 7 over die strijd gaat. Lange tijd was dat ook mijn overtuiging. Nu ja, overtuiging?
Dat was het nauwelijks. Maar ik durfde me niet losmaken van een sterke traditie. Van Augustinus tot bijvoorbeeld Kohlbrügge. Die mening heb ik laten varen. Wie uit het geloof in Christus leeft, is geen slaaf meer van de zonde. Al valt hij soms wel voor een verleiding. Sóms handelt hij wel tegen beter weten en willen in! Maar dat is geen regel in z'n leven.
Onder alle strijd, die soms zwaar kan zijn, is hij er niet ongelukkig aan toe.
Hij zal niet zeggen: "Ik rampzalig mens". Hij weet dat zijn Verlosser leeft.
En dat hij in de strijd van oude mens en nieuwe mens, van vlees tegen .Geest, niet zal onderliggen. Maar sterke weerstand doen en eens ten enen male de overhand behouden. Hij gelooft de belofte, dat hij met alle gelovigen superoverwinnaar zal zijn. In dat geloof en in die strijd is hij welgelukzalig.
Men kan en zal tegenwerpen: Maar Paulus zegt toch "ik" en dat herhaaldelijk. En hij spreekt in de tegenwoordige tijd. Hoe zit dat dan?
Ik stel mij dat zó voor. Hij is begonnen met te zeggen: Eens, in m'n kinderjaren leefde ik zonder wet. Toen de wet tot mij doordrong leefde de zonde op. Die wet was wel ten leven bedoeld, maar bewerkte m'n dood.
Dat denkt Hij zich zo levendig in en dat staat hem zo helder voor de geest, dat hij als vanzelf overgaat tot de tegenwoordige tijd. Hij kruipt om zo te zeggen in de huid van iemand, die nog uit de wet leeft. En bedoelt met "ik" de mens, die niet van genade wil leven: Maar zelf met de eis der wet wil klaar komen. Wij vinden dat een vreemde manier van zeggen. Maar de exegeten uit de eerste eeuwen hebben dat wel begrepen. Blijkbaar klonk het hun minder vreemd in de oren dan ons.
Waarschijnlijk is de verklaring van dit gedeelte zo moeilijk, omdat het terrein van de zonde een duister gebied is. Zij stelt ons voor vragen, die in deze bedeling wel niet helemaal opgelost zullen worden.