Homofiel zijn, wat doe je er mee? (1)

1980-12-05
  • Jaargang 24
  • nummer 46
terloops

Naar aanleiding van 'Vrienden van vroeger' door Johan Cavier, uitg. De Vuurbaak, Groningen.

Boven dit artikeltje staat een vraag.
Het is vaak echter gemakkelijker een vraag te stellen dan het antwoord te geven. Het kan daarom best zijn dat iemand die graag een precies antwoord wil horen na het leven wat teleurgesteld is. Tooh wil ik proberen iets goeds te zeggen over deze vraag en ik doe dit naar aanleiding van een boekje dat vorig jaar verscheen. De schrijver vertelt in dit boekje over zijn homofiele geaardheid en zijn houding hiertegenover.
Het besluit van De Vuurbaak om in een verhaal de homofilie aan de orde te stellen verdient waardering. In een tijd waarin allerlei seksuele onderwerpen in boeken worden beschreven is het van belang dat christelijke uitgeverijen niet achterblijven. Hierbij is echter wel voorzichtigheid nodig, zeker als het over homofilie gaat.
Bijbels spreken over homofilie en homoseksueel verkeer is niet gemakkelijk.
Uitgangspunt zal moeten zijn dat zowel de liefde tot God als de liefde tot de naaste tot hun recht komen. Heel gemakkelijk kunnen Gods woorden verdraaid; even gemakkelijk kan aan de naaste onrecht worden aangedaan. In romanvorm schrijven over homofilie betekent dat een homofiele lezer of lezeres merkt dat een ander zijn of haar lasten wil dragen, waardoor de lezing van zo'n boek echt hulp biedt. Als dat niet het geval is wordt het lezen van zo'n boek tot een teleurstelling voor mensen die met hun homofiele geaardheid een weg in geloof willen gaan en daarbij hun bijzondere moeiten hebben.

Het verhaal is geschreven in de ikvorm en dat maakt het geheel erg persoonlijk. Dat kán een nadeel zijn en ik geloof dat dat in dit boekje ook duidelijk is. De schrijver schrijft over zichzelf en is daarbij naar mijn mening niet ontkomen aan het gevaar niet objectief te zijn.
Ik heb dit boekje laten lezen aan een homofiele man die tijdens het lezen steeds verdrietiger werd. Ik kan me dit wel voorstellen want zelf heb ik grote bezwaren tegen de wijze waarop de schrijver vertelt over zijn homoseksuele ervaringen, over z'n strijd om de homofilie te aanvaarden zonder seksueel verkeer en zijn visie op de bijbel in dit alles. Grote moeite heb ik eveneens met de wijze waarop hij zijn overgang van de synodaal-gereformeerde kerk naar de vrijgemaakte kerk motiveert.
Opvallend in dit boekje is dat de schrijver zich een min of mee] lijdende rol toebedeelt. Als kleine jongen had hij het al moeilijk, hij was bang voor andere jongens die hem plaagden, vriendjes had hij niet en toen hij ook nog in één jaar twee klassen van de lagere school afwerkte was hij helemaal een buitenbeentje. Toen hij in Amsterdam de middelbare school bezocht ging hij op in de veelheid van leerlingen, hij gaat merken dat mannen belangstelling voor hem hebben en hij zegt hiervan: 'ondanks het vreemde en angstaanjagende ervan (had het) een bijzondere bekoring voor me (blz. 23). Ook jongens krijgen belangstelling voor hem en spoedig volgen zijn eerste seksuele ervaringen, waarbij van vriendschap of genegenheid vrijwel niet gesproken kan worden.
Bij dit alles laat de schrijver duidelijk merken dat dit alles hem min of meer overkwam, hij was hierbij de passieve persoon, hij werd verleid.
Anderen zoeken steeds contact met hem en zelfs na geruime tijd beschouwt hij de seksuele contacten met zijn vriend André 'als niet meer dan een verplicht nummer' (blz. 40).
Opmerkelijk is dat de schrijver blijkbaar geen problemen heeft gehad met het 'verleid worden'. De gemakkelijkheid waarmee contacten worden aangegaan is ronduit irriterend en gaat totaal voorbij aan het probleem van de meeste jonge homofielen, zeker binnen de kerken, om voor hun geaardheid uit te komen. Over zijn eerste ervaring zegt de schrijver dat de ander zich vermaakte met zijn groeiende verwarring, terwijl er van zijn kant een zwak verzet was en geen lichamelijke opwinding (blz. 19). Het kan natuurlijk best zijn dat het bij de schrijver allemaal zo is gegaan, maar dan is hij wel een uitzondering.
Op dit punt is dit boekje moeilijk te aanvaarden voor bv.
jongens die vanuit 'hun homofiele geaardheid wèl verlangens hebben tot aktief bezig zijn. Het probleem van een homofiele jongen vandaag is niet dat anderen hem willen verleiden - dat kan er wel bij komen - maar dat hij denkt over seksueel contact met een andere jongen op wie hij misschien verliefd is.
Ik mis hierbij ook het probleem van het erover praten met ouders. Ook daar ligt voor homofiele jongeren een knelpunt. Deze vraag komt in het boekje wel even aan de orde maar ook hier is de schrijver weinig overtuigend. Wel schrijft hij over de twijfel over zijn seksuele identiteit (blz. 44) waardoor hij vaak in verwarring is en hij komt dan tot de conclusie dat 'alleen hij ... mijn vriend (kon) zijn, die allereerst een vriend van Jezus was'. Jammer dat hij zich niet eerder heeft afgevraagd of de veelheid van seksuele contacten
die hij had te rijmen was met zijn kind-van-God-zijn .
Positief in dit boekje is ongetwijfeld dat de schrijver zich op een gegeven moment ging afvragen wat God van alles wat hij deed zou zeggen. Jammer is echter dat hij dan gaat streven naar een krampachtige volmaaktheid. Hij oefent zich in onthouding door steeds maar weer te proberen niet te masturberen en aan het eind van het boekje vertelt hij dat hij het 'oude kwaad' nooit heeft overwonnen (blz. 106). Hij gebruikt hierbij het woord onaneren, wel een bewijs dat van goed bijbelgebruik geen sprake is. Op grond van zijn overtuiging komt het tot een breuk met zijn vriend André. Hij besluit geloofsbelijdenis te doen en sluit vriendschap met Jaap met wie hij naar de kerk en naar de vereniging gaat en die hij naar zijn eigen zeggen tenslotte seksueel misbruikt.

De volgende keer het slot van deze boekbespreking,

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief